Hagedissen (Lacertilia) vormen een onderorde van de schubreptielen (Squamata), die meer dan 7100 soorten telt. Hagedissen zijn daardoor de grootste groep van alle moderne reptielen. Ze zijn ontstaan in het Trias, maar goede fossielen zijn pas bekend uit het Jura. De slangen ontstonden in het Krijt uit een groep van de hagedissen. Hoewel slangen dus evolutionair gezien tot de hagedissen behoren, worden ze hier verder niet behandeld vanwege de afwijkende fysiologie en levenswijze.
Hagedissen blijven meestal klein, de meeste soorten worden inclusief staart niet groter dan 50 centimeter en slechts weinig soorten bereiken een lengte van meer dan één meter. De meeste hagedissen zijn groen tot bruin van kleur en hebben een afgeplat lichaam met een duidelijk te onderscheiden kop en staart en vier goed ontwikkelde poten. Een aantal groepen heeft echter een cilindrisch lichaam en gedegenereerde poten, enkele soorten hebben alleen voorpoten en een aantal groepen is geheel pootloos, dergelijke hagedissen kunnen gemakkelijk met slangen worden verward.
De kleuren en diverse aanpassingen van het lichaam kunnen heel verschillend zijn. Een aantal hagedissen heeft lichaamsuitsteeksels zoals stekels, kammen, hoorntjes, kragen of zweefvleugels. De kameleons hebben een sterk zijdelings afgeplat lichaam met verschillende zeer kenmerkende aanpassingen.
Hagedissen zijn koudbloedig en nemen graag een zonnebad om zich op te warmen, zodat ze sneller kunnen bewegen en efficiënter jagen en vluchten. Hagedissen eten overwegend insecten en andere geleedpotigen, grotere soorten eten soms gewervelden of schakelen over op planten. Ze eten plaagdieren zoals huiskrekels, sprinkhanen en kakkerlakken.
Er worden tegenwoordig 38 verschillende families erkend. De levenswijze van hagedissen is zeer variabel en hangt veelal samen met de familie waartoe een soort behoort. Gekko's bijvoorbeeld zijn meestal 's nachts actief en leven in bomen, terwijl de echte hagedissen overdag actief zijn en op de bodem leven. Beide groepen kennen echter ook weer uitzonderingen, zoals dagactieve gekko's en klimmende echte hagedissen.
Enkele bekendere families van hagedissen zijn leguanen, varanen, anolissen, hazelwormen en skinken. Veel families van hagedissen zijn vrij onbekend en hebben nog geen Nederlandstalige naam.
Verspreiding en habitat thumb|400px|Het mondiale verspreidingsgebied van de hagedissen in het zwart, soorten in Canada zijn niet weergegeven.Cogger, H.G & Zweifel, R.G. (1998). Reptiles & Amphibians".
Hagedissen komen vrijwel wereldwijd voor, alleen in het noorden van Noord-Amerika en het uiterste noorden van Azië komen geen soorten voor. Hagedissen leven vooral in vochtige tropische en subtropische gebieden, maar er zijn ook soorten die leven in meer gematigde gebieden of zich hebben gespecialiseerd in droge, schrale omgevingen zoals bergstreken, steppen en zelfs woestijnen. In tegenstelling tot de krokodilachtigen, de schildpadden en de slangen is er geen enkele hagedis die permanent in zee leeft.
Het verspreidingsgebied hangt samen met de familie, agamen bijvoorbeeld komen in alle werelddelen voor, maar anolissen leven alleen in Zuid- en Midden-Amerika en dove varanen, slechts vertegenwoordigd door één soort, zijn uitsluitend te vinden op het eiland Borneo.
Hagedissen komen voor in zeer uiteenlopende habitats, zowel qua hoogte en vegetatietype als de bijbehorende (lucht)vochtigheid en temperatuur. Sommige hagedissen leiden een gravend bestaan onder de grond en andere leven op de bodem tussen rotsblokken of klimmen in bomen en struiken. Deze verschillende levenswijzen kunnen weer verder worden onderverdeeld; een voorbeeld zijn hagedissen die in bomen leven. Veel van deze soorten hebben een meer specifiek deel van de boom als habitat dat de microhabitat wordt genoemd. Zo zijn er soorten die meer in de lagere takken leven, soorten die liever tegen de stam van de boom kruipen en soorten die juist hoger in de kruin te vinden zijn.
In Nederland en België
In Nederland en België komen vier soorten hagedissen voor waarvan één pootloze soort; de hazelworm (Anguis fragilis). Deze glanzende, egaal bruin tot grijs gekleurde hagedis lijkt oppervlakkig op een slang maar blijft kleiner dan 50 cm, heeft in tegenstelling tot een slang oogleden en is veel stijver dan een slang. De duinhagedis of zandhagedis (Lacerta agilis) leeft op zandgronden als verstuivingen en duinen, mannetjes zijn in het voorjaar fel groen van kleur, de vrouwtjes zijn bruin. De muurhagedis (Podarcis muralis) leeft op steenhopen en muren, in Nederland alleen in Limburg. Ten slotte de levendbarende hagedis (Zootoca vivipara), die zich evenals de hazelworm heeft aangepast door de eitjes in het lichaam zich te laten ontwikkelen. Hierdoor profiteren de embryo's van de lichaamswarmte van de moeder en kan de hagedis zich toch voortplanten in meer gematigde streken. De omgevingstemperatuur is hier te laag voor de ontwikkeling van eitjes die op de bodem worden afgezet.André Van Hecke - De levendbarende hagedis (Lacerta vivipara) in het Natuurreservaat “Westmalse heyde” - Website (PDF). Gearchiveerd op 29 januari 2022.
Kenmerken thumb|De bergduivel (Moloch horridus) heeft een afwijkende bouw en is bezaaid met stekels.
Alle hagedissen hebben in principe een vergelijkbare bouw, maar de verschillende soorten kunnen sterk afwijken qua lengte, kleur en lichaamsvorm. De kleinste soorten worden slechts enkele centimeters lang, de grootste soorten bereiken een lengte van meer dan drie meter. De kleinste soorten zijn de kogelvingergekko's, de grootste soorten behoren tot de varanen. De voor zover bekend grootste en zwaarste hagedis is de komodovaraan (Varanus komodoensis), die een lengte van meer dan drie meter kan bereiken.
Ondanks de variatie in lengte en de grote vormenrijkdom binnen de hagedissen volgen ze over het algemeen ongeveer hetzelfde bouwplan. Opvallend zijn het langwerpige lichaam dat bestaat uit een lange romp en een lange staart, maar een relatief kleine en platte kop. De vier gebogen poten staan niet naar onderen maar zijwaarts gericht waardoor de buik over de grond sleept. De schedel is kenmerkend: de vorm en de plaatsing van de neusgaten, gehoororganen en ogen is onmiskenbaar en makkelijk te onderscheiden van krokodilachtigen en schildpadden. Met brughagedissen ligt het wat moeilijker. Ze lijken sprekend op hagedissen, maar zijn een zeer oude groep van reptielen. Ondanks de naam zijn ze niet direct verwant aan de hagedissen.
Door de afgeplatte lichaamsvorm en de dito kop kunnen hagedissen makkelijk onder en tussen stenen en andere objecten kruipen. Er zijn echter uitzonderingen, sommige gravende soorten hebben een rolrond lichaam en korte staart, de kameleons hebben juist een zijdelings afgeplat bladachtig lichaam en een oprolbare grijpstaart. Ze hebben daarnaast een grote brede kop en lijken qua bouw niet op de andere groepen van hagedissen.
Huid De huid van een hagedis is altijd bedekt met schubben, soorten uit een aantal groepen hebben daarnaast kleine benige insluitingen die osteodermen worden genoemd en voor extra versteviging zorgen. Veel hagedissen hebben een verbeende onderlaag, deze ontbreekt echter bij een aantal groepen zoals de gekko's. Osteodermen komen ook voor bij andere reptielen zoals de krokodilachtigen, voorbeelden van hagedissen met osteodermen zijn de korsthagedissen (Helodermatidae) en de knobbelhagedissen (Xenosauridae). Hagedissen met een dergelijk pantser zijn goed beschermd, maar hebben een stijvere huid die weinig beweeglijk is. Aan de flanken is vaak een ongeschubde huidplooi aanwezig zodat de huid kan uitrekken voor de ademhaling en de zwangerschap.
De huid bestaat uit twee lagen; van binnen naar buiten respectievelijk de dermis of lederhuid en de epidermis of opperhuid, dit is het aan de oppervlakte gelegen deel van de huid. De lederhuid bestaat uit bindweefsel, eventuele osteodermen liggen in de lederhuid. De opperhuid wordt verder onderverdeeld in drie zones. In de onderste laag, het stratum germinativum of kiemlaag, worden de schubben gevormd door mitose uit kubusvormige cellen. Hierboven bevindt zich een tussenlaag, waarin de schubben als het ware 'rijpen': ze worden compacter en harder. De bovenste laag ten slotte wordt het stratum corneum of hoornlaag genoemd en bestaat uit de volledig ontwikkelde schubben die gevormd zijn uit het harde bèta-keratine, een hoornachtige stof. Een schub is opgebouwd uit vele zeer dunne laagjes keratine, ook eventuele stekels en hoorns worden uit keratine opgebouwd. De schubben bieden bescherming en hebben een isolerende functie. Ze zijn bovendien waterafstotend en hebben geen poriën om te voorkomen dat de hagedis uitdroogt. Een nadeel is dat de hagedis niet kan zweten om af te koelen.
thumb|De huid van een hagedis bestaat uit gekleurde schubben. Afgebeeld is de schubbenhuid van een zandhagedis (Lacerta agilis), die behoort tot de familie echte hagedissen. Net als andere reptielen moeten hagedissen regelmatig vervellen, dit wordt ook wel ecdysis genoemd. De vervelling is een gevolg van de mitose van de kiemlaag, waardoor de cellen naar de tussenlaag worden verplaatst. De cellen van de tussenlaag verharden en groeien uit tot een nieuwe hoornlaag, waarna de oude huid loslaat. Alleen tijdens de mitose vindt wondgenezing plaats, vandaar dat hagedissen net als andere reptielen maar langzaam herstellen van verwondingen.
De vervellingsfrequentie hangt af van onder andere het levensstadium van een hagedis, vooral als ze nog klein moeten ze vanwege de snelle groei vaak vervellen, oudere hagedissen werpen hun huid minder vaak af. In tegenstelling tot slangen die in één keer vervellen en schildpadden en krokodillen, waarvan de schubben of hoornplaten een voor een loslaten, vervellen hagedissen in flarden. De oude huid scheurt steeds verder af tot deze geheel is verloren. De nieuwe huid oogt helderder van kleur, is gladder en is direct droog. Hagedissen hoeven niet na een vervelling de nieuwe huid te laten uitharden zoals bij geleedpotigen het geval is.
De huid kent verschillende aandoeningen en ziekten. Scherpe voorwerpen of klauwen en beten van concurrenten en vijanden veroorzaken langzaam genezende penetraties en rijtwonden, gram-negatieve bacteriën veroorzaken abcessen. Zweren worden vaak veroorzaakt door te vochtige of vervuilde omstandigheden. Bij dieren als zoogdieren zijn kleine infecties van de huid normaal. Dit komt door de aanwezigheid van een zeer groot aantal poriën en haarzakjes die gemakkelijk ontsteken maar snel genezen. Hagedissen hebben geen poriën en haarzakjes, een infectie van de huid is daarom altijd een potentieel gevaar voor het dier. Hagedissen kunnen een breed scala aan parasieten bij zich dragen die zich meestal manifesteren op de huid. Voorbeelden van dergelijke parasieten zijn schimmels, wormen, bacteriën, mijten en teken.
Huidskleur De kleur van de huid wordt veroorzaakt door melanine, een organisch pigment dat geproduceerd wordt door de melanocyten. Dit zijn cellen die gepositioneerd zijn in de onderste laag van de opperhuid. Ze transporteren de pigmenten door middel van dendrieten (tentakelachtige structuren) naar de keratocyten (de schubvormende cellen) tijdens de aanmaak van de nieuwe huid. In de bovenste laag van de lederhuid zijn de chromatoforen gelegen, dit zijn pigmenthoudende cellen die verschillende pigmenten bevatten. Xantoforen veroorzaken een gele kleur, erytroforen een rode en leukoforen en guanoforen een witte kleur. Iridoforen ten slotte zijn geen kleurpigmenten maar reflecteren of iriseren het licht, wat de olieachtige glans van veel reptielen veroorzaakt. Sommige hagedissen hebben in tegenstelling tot hun soortgenoten een geheel witte kleur. Deze exemplaren worden vaak albino genoemd maar hebben meestal, in tegenstelling tot 'echte' albino's, geen volledig gebrek aan melanine maar slechts een tekort.