Het Mantsjoerije-incident (Japans: 満州事件, Manshū jihen), wordt door de meeste mensen geïnterpreteerd als de militaire actie die ondernomen werd door het Japanse Kanto-leger in de nacht van 18 september 1931. Het begrip omvat echter veel meer dan dit alleen. Het Mantsjoerije-incident staat symbool voor de gehele politiek die Japan heeft doorgevoerd in Mantsjoerije, vanaf het ontwikkelen van het Kanto-pachtgebied tot en met het oprichten van de onafhankelijke staat Mantsjoekwo. Het Mantsjoerije-incident is een cruciale factor in de ontwikkeling van militarisme en imperialisme in Japan.
Achtergrond Ontwikkelingen in China In 1911 heerste er in het Chinese keizerrijk de Xinhai-revolutie, onder leiding van Sun Yat-sen. De revolutie was ontstaan door de ontevredenheid over de corruptie en onmacht van de Qing-dynastie en het imperialisme van de grootmachten. De Chinese provincies riepen allemaal hun onafhankelijkheid uit en ze kwamen een voor één, Mantsjoerije inbegrepen, los van de centrale autoriteiten. In begin 1912 werd de staatsvorm van China omgevormd tot republiek. Pu Yi, de laatste keizer van de Qing-dynastie, werd afgezet en Yuan Shikai werd president van de Republiek China.
In 1916 overleed Yuan Shikai en het tijdperk van de krijgsheren (warlords) was aangebroken. Verschillende krijgsheren gingen allemaal onafhankelijk over Chinese gebieden regeren. De nationale regering bleef bestaan, beheerst door telkens andere militaire groepen, maar ze had slechts nominaal gezag. In Mantsjoerije liet Zhang Zuolin, een van deze krijgsheren, zijn macht gelden. Het gebied was Chinees in naam, maar de Chinese soevereiniteit reikte er niet.
Economische crisis in Japan Na de Eerste Wereldoorlog was Japan, vanwege het feit dat het nauwelijks schade had opgelopen, op industrieel en economisch vlak zo geëvolueerd dat het vernielde Europa er geen voorsprong meer op had. Bijna alle grondstoffen die de Japanse industrie nodig had moesten echter ingevoerd worden. Naast het probleem van een gebrek aan natuurlijke grondstoffen, had Japan ook te kampen met het probleem van bevolkingsgroei. Invoer van voedsel was nu noodzakelijk geworden, maar vanwege de hoge invoertarieven kon de regering de bevolking niet geven wat ze nodig had. De Japanse regering trachtte emigratie naar de Verenigde Staten te stimuleren, maar de Amerikaanse bevolking trad hiertegen op. In Amerika vreesde men werk te verliezen aan goedkope buitenlandse arbeidskrachten.
Japanners in Mantsjoerije Aan het einde van de 19de eeuw hadden tsaristisch Rusland en Japan op Mantsjoerije hun stempel gedrukt. Beide landen hadden nieuwe commerciële bedrijven opgericht, concessies verkregen voor de mijnbouw en spoorwegen aangelegd. Uiteindelijk kreeg Rusland van China een pacht over het Kanto-gebied in Zuid-Mantsjoerije (南満, Minami Manshū). In 1905 kwam de Russisch-Japanse Oorlog ten einde, in het voordeel van Japan. Deze oorlog was ontstaan uit onder andere een belangenconflict tussen beide landen over Mantsjoerije en Korea. Dankzij het Verdrag van Portsmouth verwierf Japan van Rusland op 5 september 1905 het Kanto-pachtgebied met daarin onder andere Dalian en Port Arthur. Een ander belang dat Japan in Mantsjoerije overhield was de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg (南満州鉄道株式会社, Minami Manshū Tetsudō Kabushiki Kaisha; afgekort 満鉄, Mantetsu). Buiten het Kanto-pachtgebied werd Mantsjoerije beschouwd als Chinees grondgebied.
Om toezicht te houden over de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg en andere commerciële belangen in Mantsjoerije richtte Japan in 1906 het Kanto-garnizoen op. In 1919 werd het Kanto-garnizoen omgedoopt tot het Kanto-leger. Ze bezette het volledige pachtgebied. Dit leger bestond onder andere uit extremistische officieren die goed genoeg wisten dat hun oversten plannen hadden om het Japanse grondgebied in Azië uit te breiden met behulp van militair geweld. Ze waren bereid om in Mantsjoerije deze maatregelen te nemen. De pacht zou maar bestaan tot 1923, maar na de Eerste Wereldoorlog verzekerde Japan zichzelf een verlenging van de pacht van het Kanto-gebied dankzij de Eenentwintig Eisen aan China. Hun aandeel in de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg bleef bestaan. In ruil voor militaire steun van het Kanto-leger, erkende Zhang Zuolin (de krijgsheer die op dat moment over Mantsjoerije regeerde) de Japanse privileges in Mantsjoerije.
Voor de Japanners die er niet in slaagden hun ambities thuis te vervullen, was Mantsjoerije een nieuw begin waar ze konden proberen hun droom van rijkdom te verwezenlijken. Japanse handelaars begonnen naar Mantsjoerije te trekken in de hoop er snel rijk te kunnen worden. Avonturiers volgden en sommigen hiervan werden lid van roversbendes.
Als gevolg van het Japanse immigrantenprobleem in Californië, was de relatie tussen Japan en de Verenigde Staten verslechterd, waardoor de Japanse minister van Buitenlandse Zaken Komura Jutaro de emigratie naar Mantsjoerije wilde stimuleren. In een poging het bevolkingsprobleem op te lossen, stelde Komura een twintigjarenplan op om één miljoen emigranten naar Mantsjoerije te sturen. Het aantal Japanse inwoners van Mantsjoerije steeg van 68.000 in 1909 naar 219.000 in 1930. De uiteindelijke emigratie bestond voornamelijk uit werknemers van de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg en hun families. Dan waren er nog ongeveer duizend boeren. De rest bestond uit avonturiers, gewetenloze kooplieden en andere sociaal ongewensten.
Spanningen lopen op In 1925 werd Chiang Kai-shek, leider van de nationalistische partij Kwomintang, president van de Republiek China. Onder invloed van deze nationalistische partij, of met de idee om zijn eigen onafhankelijke koers te varen, begon Zhang Zuolin zijn rug te keren naar de Japanse militairen, en begon hij meer en meer te geloven in de eenmaking van China. Het Kanto-leger begon nerveus te worden en wilde zijn positie in Mantsjoerije verzekeren. Op 4 juni 1928 werd er door een kleine groep Japanse militairen een bomaanslag gepleegd op zijn trein, onder leiding van kolonel Daisaku Komoto (河本大作). Zhang Zuolin was zwaargewond, en de krijgsheer overleed enkele dagen later aan zijn verwondingen. Dit incident draagt de naam Manshū bō jūdai jiken (満州某重大事件). Zhang Zuolin werd echter opgevolgd door zijn zoon Zhang Xueliang. De moord op Zhang Zuolin was niet goedgekeurd door het Tanaka-kabinet, maar premier Tanaka Giichi (田中義一) faalde erin de daders te straffen. Hij kon evenmin discipline herstellen in het leger. Deze onmacht zorgde ervoor dat Keizer Hirohito hem in gebreke stelde, wat Tanaka tot aftreden dwong.
Er volgde, voor het Kanto-leger, een “crisis” in Mantsjoerije: Chinezen begonnen hun eigen spoorweg te bouwen, parallel met die van de Japanners. Zhang Xueliang, de Japanners nog slechter gezind dan zijn vader, begon economische druk uit te oefenen op de Japanse kolonisten. Zhang Xueliang ijverde ook voor de eenmaking van China en liet duidelijk blijken een anti-Japanse politiek te willen voeren. Het grote tij van Chinees nationalisme, onder invloed van Chiang Kai-shek en zijn nationalistische partij, was aan de grenzen van Mantsjoerije gekomen. In 1930, onder druk van de Chinese regering, erkende Zhang Xueliang officieel de autoriteit van nationalistisch China.
Japanse militairen, met steun van de kolonisten in Mantsjoerije, poogden de Japanse politici te overtuigen van het belang van een dominante positie in Mantsjoerije. De ontwikkeling van Mantsjoerije zou de enige oplossing zijn voor de Japanse grondstoffen- en populatieproblemen. De ontwikkeling van de landbouw en het oplossen van het immigratieprobleem zouden kunnen helpen om de catastrofale economische situatie in Japan te verlichten. Het Kanto-leger deed hun best om de Japanse civiele regering te overtuigen van het bestaan van deze problemen. Een brief van luitenant-kolonel Ishiwara Kanji (石原莞爾) had onder meer deze inhoud:
Ondanks dit argument was de Japanse civiele regering echter geen voorstander van een militaire overname van Chinees grondgebied. Zelfs als Mantsjoerije en Mongolië geen deel uitmaakten van China, gaf dit Japan nog geen recht om hen te annexeren. Zou er in de harde tijden die Japan doormaakte, geld kunnen vrijgemaakt worden voor de ontwikkeling van Mantsjoerije? Ishiwara had geen concrete antwoorden, en de civiele regering bleef onovertuigd.
De Mantsjoerije Jeugd Liga, een groep van jonge Japanse kolonisten steunde het Kanto-leger en wilden eveneens een einde brengen aan de diplomatie van het kabinet-Wakatsuki van Wakatsuki Reijiro (若槻礼次郎), waarvan Shidehara Kijuro (幣原喜重郎) minister van Buitenlandse Zaken was. Deze was het niet eens met de plannen van de Japanse militairen. Shidehara wenste zo weinig mogelijk inmenging in de noordelijke provincies van China. Zijn voorzichtige politiek werd op internationaal vlak wel gewaardeerd, maar de Japanse militairen ergerden zich er vreselijk aan. De Mantsjoerije Jeugd Liga zond een groep naar Japan om de crisis van de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg bekend te maken. De Japanse bevolking reageerde echter koel, er waren al genoeg problemen in Japan zelf.
De dramatische economische situatie in Japan, en de groeiende crisis in Mantsjoerije (het begon er meer en meer naar uit te zien dat Japan zich zou moeten terugtrekken, omwille van het politieke beleid van de Japanse regering en het opkomende Chinese nationalisme), zorgden voor de aanleiding tot een “omwentelingsbeweging” (革新運動, kakushin undō) in het leger en de rechtse stroming. In Japan zelf leidde dit tot het “Maart Incident” waarin militairen en rechtse burgeractivisten onder leiding van luitenant-kolonel Hashimoto Kingoro (橋本五郎) trachtten generaal Ugaki Kazushige (宇垣一成) tot staatshoofd uit te roepen.
Ondertussen was in Mantsjoerije een groep van Kanto-legerofficieren, onder leiding van luitenant-kolonel Ishiwara Kanji (石原莞爾) en kolonel Itagaki Seishiro (板垣征四郎), druk bezig voorbereidingen te treffen om de Mantsjoerije-crisis met militair geweld op te lossen. Het Japanse militaire hoofdkwartier in Tokio had hier geen toestemming voor verleend. Ishiwara was de theoreticus achter het complot, Itagaki was de praktische uitvoerder.
In 1931 waren beiden partijen, China en Japan, klaar voor de confrontatie. Nationalistisch China vond dat het tijd was om Mantsjoerije definitief terug te nemen. Japan wilde zijn belangen in Mantsjoerije veiligstellen door het definitief van China te scheiden.
"Het Mantsjoerije-incident" Het Mukden-incident thumb|320px|Plaats van de aanslag Al op 25 juli 1931 waren de voorbereidingen van een militaire overname duidelijk zichtbaar aan het worden. Itagaki had van Port Arthur twee houwitsers gekregen. Deze werden dezelfde dag nog in Mukden (het huidige Shenyang) in positie gezet en gericht op een Chinees vliegveld. Op 12 september werd door de politie van Mukden een verslag opgemaakt over de grote hoeveelheden munitie die de Japanners aan het opslaan waren.
Geruchten over het complot waren in midden augustus uitgelekt naar minister van Buitenlandse Zaken Shidehara, die de minister van Oorlog Minami Jiro (南次郎) hierover informeerde. Deze gaf bevel aan majoor-generaal Tatekawa Yoshitsugu (義次立川) naar Mantsjoerije te gaan en het plan tegen te houden. In plaats van orders op te volgen, meldde Tatekawa het Kanto-leger dat hun plannen uitgelekt waren. Toen hij in Mantsjoerije aankwam, enkele uren voor het incident, werd hij ontvangen door Itagaki. Tatekawa liet zich vollopen in een Japans restaurant en viel in slaap. Zijn excuus voor het falen van zijn missie was echter: “Ik was niet op tijd gearriveerd.” Er waren nog andere officieren, zoals Tatekawa, die of samengezworen hadden, of wisten wat er gaande was maar deden alsof ze het niet wisten. Zo kan het Mantsjoerije-incident geïnterpreteerd worden als een directe aanval van het leger op de regering van Japan.