alt=Houten pagode|200x200px|center alt=Stenen pagode|200x200px|center alt=Gorintō|200x200px|center Tō () is een Japanse pagode. (2010) Tou 塔, Japanese Architectural and Art Net Users System Pagoden worden tō (letterlijk: pagode, toren), soms buttō (, letterlijk: boeddhistische pagode), tōba (, letterlijk: pagode), sotōba () of tasōtō (, pagode met veel verdiepingen) genoemd. Sotōba is het van stūpa afgeleide Japanse woord voor "pagode". Tō betekent zowel pagode als toren, wat samenhangt met de smalle en hoge vorm van veel typen pagodes.Bij sommige transliteraties wordt geschreven: Tou voor Tō, Buttou voor Buttō, Touba voor Tōba.Buttō -

Oorspronkelijk is de stoepa of pagode afkomstig uit India. Een stoepa is een plaats voor het bewaren van de as van de Shaka (Boeddha, ), oorspronkelijk in een eenvoudige aarden heuvel. Tijdens de verspreiding van het boeddhisme in Centraal-Azië werd de terp kleiner, en bovenop voorzien van een pinakel (sōrin, ). Daarbij werd de stoepa hoger in verhouding tot de basis. Nadat het boeddhisme China bereikte, werd de invloed van de Chinese wachttoren gecombineerd met de Centraal-Aziatische stoepa om een hoge, gelaagde structuur met verdiepingen te vormen. Vanuit China verspreidde het zich naar Korea en daarvandaan naar Japan. De Japanse pagodes zijn historisch afgeleid van de Chinese pagode, die zelf weer afgeleid zijn van de Indiase stoepa. Met de introductie van esoterische boeddhistische sekten werd de tahōtō, een 2 etages tellende pagode, populair terwijl de pagode als berging voor de as of relikwieën van de Boeddha geleidelijk aan belang verloor. Terwijl nieuwe sekten en nieuwe doctrines zich verspreidden, werd de pagode verplaatst uit het centrale gedeelte van de tempel.

Net als de stoepa werden pagodes oorspronkelijk gebruikt als reliekschrijnen, maar in veel gevallen verloren ze deze functie. Pagoden zijn typisch boeddhistisch, en een belangrijk onderdeel van Japanse boeddhistische tempelcomplexen, maar omdat tot de scheidingswet van 1868Shinbutsu bunri is de scheiding van shintoïsme van het boeddhisme een Shinto-heiligdom (schrijn) normaal ook een boeddhistische tempel was en omgekeerd, zijn pagodes ook niet zeldzaam bij Shinto-heiligdommen. Het beroemde Itsukushima-schrijn heeft er bijvoorbeeld een.

Na de Meiji-restauratie betekende het woord tō, ooit uitsluitend in een religieuze context gebruikt, ook "toren" in de westerse zin, zoals in de Eiffeltoren (, Efferu-tō).

Sotōba is een algemene naam voor elk type houten of stenen, van miniatuur klein (zoals hyakumantō) tot grote pagode of stoepa. Een stoepa is oorspronkelijk de bergplaats voor relieken afkomstig van Boeddha of zaken die daarnaar verwijzen. Sotōba wordt vaak ingekort tot sotō, tōba of tō, wat ook weer als achtervoegsel bij de namen van verschillende typen pagodes wordt gebruikt. Voorbeeld: kasatōba, waarin kasa betekent: paraplu of dak. De naam sotōbaSotōba - wordt ook algemeen gebruikt, specifiek voor een houten grafgift in de vorm van een lange houten plank: itatōba of hiratōba. Veel van de pagodes zijn kuyōtō (), dat wil zeggen pagodes of monumenten ter nagedachtenis aan personen of gebeurtenissen, en kunnen voorzien zijn van Sanskriet karakters en/of reliëfs, andere zijn een onderdeel van een boeddhistische tempel of van een Shinto-heiligdom.

Van de vele vormen van de Japanse pagode zijn sommige gebouwd in hout en staan ze gezamenlijk bekend als mokutō (, letterlijk: houten pagode), maar de meeste zijn de uit steen gehouwen sekitō (, letterlijk: stenen pagode). Sommige typen Japanse pagodes zijn er zowel van steen als van hout.

Mokutō () is de algemene naam voor houten pagodes. Hiertoe behoren onder andere pagodes van het type sotōba (), tahōtō (), sōtō (), sanjū-no-tō (), gojū-no-tō (). Houten pagodes hebben een toegankelijk interieur en zijn grote gebouwen met twee etages, zoals de tahōtō (, letterlijk: Tahō-pagode) of een oneven aantal etages. Bestaande houten pagoden met meer dan twee etages hebben bijna altijd drie etages en worden daarom sanjū-no-tō (, letterlijk: drie etages tellende pagode) genoemd, of ze hebben vijf etages en worden gojū-no-tō genoemd (, letterlijk: vijf etages tellende pagode).

Stenen pagodes worden generiek sekitō () genoemd. Ze zijn massief en fungeren als een soort monument. Ze zijn bijna altijd klein, meestal ruim onder de 3 meter hoogte, en bieden in de regel geen toegankelijke ruimte. Als ze meer dan één etage of lagen hebben, worden pagoden tasōtō () of tajūtō () genoemd, wat letterlijk betekent: pagode met meerdere lagen. Een voorbeeld van een stenen pagode met meerdere etages is de gorintō (pagode van vijf delen), die als basisvorm wordt beschouwd voor veel andere pagodes.

De grootte en oppervlakte van een pagode wordt gemeten in ken, waarbij een ken het interval is tussen twee pijlers van een gebouw in traditionele stijl. Een tahōtō kan bijvoorbeeld 5×5 ken of 3×3 ken zijn. Het woord ken wordt beter begrepen als een indicatie van verhoudingen dan als een maateenheid.

Geschiedenis thumb|Japans oudste pagode met drie etages te Hokki-ji, Ikaruga, prefectuur Nara, gebouwd in 706 AD. De stoepa was oorspronkelijk een eenvoudige heuvel met de as van de Boeddha, die in de loop van de tijd uitgebreider werd, terwijl de pinakel of kruisbloem proportioneel groter werd. Na het bereiken van China ontmoette de stoepa de Chinese wachttoren en ontwikkelde deze zich tot de pagode met een oneven aantal verdiepingen. Het gebruik ervan verspreidde zich vervolgens naar Korea en vandaar naar Japan.

Na zijn aankomst in Japan in de 6e eeuw, samen met het boeddhisme, werd de pagode een van de middelpunten van de vroege Japanse garan. (2010) Garan , Japanese Architectural and Art Net Users System Shichidō garan (2010) Shichidou garan , Japanese Architectural and Art Net Users System, korter: garan is een Japanse boeddhistische term die de zeven zalen aangeeft die de ideale samenstelling van een boeddhistische tempel vormen. Dit samengestelde woord bestaat uit het woord shichidō (), wat letterlijk "zeven zalen" betekent, en garan (), wat "tempel" betekent. Naar welke zeven zalen de term verwijst, varieert, en er wordt ook op gewezen dat mogelijk een verkeerde interpretatie is van shitsudō (), wat een complete tempel betekent. In de praktijk betekent shichidō garan vaak eenvoudig een grote tempel met veel gebouwen. In Japan evolueerde de pagode in vorm, grootte en functie en verloor uiteindelijk zijn oorspronkelijke rol als reliekschrijn. Het werd ook heel frequent voorkomend, terwijl het op het Aziatische continent zeldzaam is.

Met het ontstaan van nieuwe sekten in latere eeuwen verloor de pagode aan belang en werd daardoor verbannen naar de marge van de garan. Tempels van de Jōdo-sekten hebben zelden een pagode. Tijdens de Kamakuraperiode arriveerde de Zen-sekte ( in Japan en hun tempels bevatten normaal gesproken geen pagode.

Pagodes waren oorspronkelijk reliekschrijnen en bevatten geen afbeeldingen van heiligen, maar in Japan bevatten ze vele. De vijf etages tellende pagode van Hōryū-ji bevat beelden van verschillende goden. Om het openen van een kamer op de begane grond mogelijk te maken en daardoor bruikbare ruimte te creëren, werd de centrale schacht van de pagode, die oorspronkelijk de grond bereikte, ingekort tot de bovenste etages, waar deze rustte op ondersteunende balken. In die kamer zijn beelden geplaatst van de belangrijkste erediensten van de tempel. Binnen Shingon-pagoden kunnen er schilderijen zijn van goden die Shingon Hasso () worden genoemd; op het plafond en op de centrale schacht kunnen decoraties en schilderijen zijn.

Evolutie van het ontwerp en structuur De rand van het dak van een pagode vormt een rechte lijn, waarbij elke volgende rand korter is dan de andere. Hoe meer verschil in lengte (een parameter in het Japans teigen (, geleidelijke verkleining) genoemd) tussen etages, hoe steviger en veiliger de pagode lijkt te zijn. Zowel teigen als de pinakel zijn groter in oudere pagodes, waardoor ze een gevoel van stevigheid krijgen. Omgekeerd zijn recente pagodes steiler en hebben ze kortere kruisknoppen, waardoor slankere silhouetten ontstaan.

Vanuit structureel oogpunt hadden oude pagoden een stenen basis (, shinso (2010) Shinso , Japanese Architectural and Art Net Users System) waarboven de hoofdzuil (, shinbashira (2010) Shinbashira , Japanese Architectural and Art Net Users System) is geplaatst. Eromheen zijn de steunpilaren van de eerste verdieping geplaatst, vervolgens de balken die de dakrand ondersteunen enzovoort. De andere etages zouden over de voltooide worden gebouwd en bovenop de hoofdpilaar zou eindelijk de pinakel worden ingevoegd. In latere tijdperken werden alle ondersteunende constructies in één keer opgetrokken en later waren het vaste delen met een meer cosmetische functie.

Vroege pagodes hadden een centrale pilaar die diep in de grond doordrong. Met de evolutie van architecturale technieken werd het eerst op een grondsteen op de grond gelegd, daarna werd het ingekort en op balken op de tweede verdieping gelegd om een kamer te openen.

De rol van pagodes was binnen de tempel geleidelijk afgenomen, terwijl ze werden functioneel vervangen door hoofdhallen (kondō) (2010) Kondō , Japanese Architectural and Art Net Users System. Oorspronkelijk waren ze het middelpunt van de Shingon en Tendai-garan, later werden ze naar de randen verplaatst en uiteindelijk verlaten, met name door de Zen-sekten, de laatste die in Japan verscheen.

Verlies van belang van de pagode binnen de garan thumb|Een reconstructie van de oorspronkelijke lay-out van Asuka-dera met een pagode in het midden Vanwege de relikwieën die ze bevatten, waren houten pagodes vroeger het middelpunt van de garan, de zeven gebouwen die onmisbaar werden geacht voor een tempel. Ze verloren geleidelijk aan belang en werden vervangen door de kondō (gouden zaal), vanwege de magische krachten die vermoedelijk in de afbeeldingen van het gebouw lagen.

Dit statusverlies was zo volledig dat Zen-scholen, die laat vanuit China in Japan aankwamen, normaal gesproken geen pagode in hun garan hebben. De lay-out van vier vroege tempels illustreert deze trend duidelijk: ze zijn in chronologische volgorde Asuka-dera, Shitennō-ji, Hōryū-ji en Yakushi-ji. In de eerste plaats bevond de pagode zich in het midden van de garan, omringd door drie kleine kondō (zie de reconstructie van de oorspronkelijke lay-out van de tempel). In de tweede staat een enkele kondō in het midden van de tempel en de pagode ligt ervoor. Bij Hōryū-ji staan ze naast elkaar. Yakushi-ji heeft een enkele, grote kondō in het midden met twee pagodes aan de zijkanten. Dezelfde evolutie is waar te nemen in boeddhistische tempels in China.

Asuka-dera (, ook bekend als Hōkō-ji, 法興寺) In de eerste was de pagode in het centrum van de garan, omringd door drie kleine kondō. Shitennō-ji (; ook Arahaka-ji, Nanba-ji, or Mitsu-ji). In de tweede bevindt zich een enkele kondō in het midden van de tempel en de pagode ligt ervoor. Hōryū-ji (). Bij Hōryū-ji staan de hoofdhal (kondō/hondō) en de pagode (tō) naast elkaar. Yakushi-ji ). Yakushi-ji heeft een enkele, grote kondō in het midden van twee pagodes aan de zijkanten.

+ Asuka-dera Shitenno-ji Horyu-ji Yakushi-ji   thumb|275px|A Somon (voorpoort); B Sanmon (grote poort); C Kairō (gang); D Tō (pagode); E Noord-Kondō (N-hoofdhal), F Oost-Kondō (O-hoofdhal), G West-Kondō (W-hoofdhal), H Kōdō (studiezaal), I Kyōzō (soetraberging), K Shōrō (klokkenstoel) thumb|275px|A Nakamon (hoofdpoort); B Kairō (gang); C Kondō/Hondō (hoofdhal); D Tō (pagode); E Kōdō (studiezaal); F Suzo (opslag van soetra's); G Shōrō (klokkenstoel) thumb|275px|ca. 700 Shimotsuke. A Nakamon (hoofdpoort); B Kairō (gang); C Kondō/Hondō (hoofdhal); D Tō (pagode); E Kōdō (studiezaal); F Shōrō (klokkenstoel); G Suzo (opslag van soetra's)