In de wielersport worden er veel termen gebruikt die nergens anders worden gebruikt of die een heel andere betekenis hebben. Een aantal begrippen komt uit het Frans of Italiaans. Sommige uitdrukkingen zijn inmiddels overgenomen in andere sectoren.
à bloc (Frans): voluit tot het maximale, met volle inzet, rijden. aan de boom schudden: hard doorrijden om tegenstanders in de kopgroep te lossen. aan de rekker hangen: achter in een groep fietsen en op het punt staan gelost te worden. aan het elastiek hangen: gelost worden en telkens weer terugkomen. Ook wel accordeon spelen genoemd. achterwielrenner (ook: wieltjeszuiger): wielrenner die steeds achter een ander aanrijdt en niet op kop gaat. Uitspraak van Eddy Merckx over Joop Zoetemelk. afloper of leegloper: fietsband die langzaam leegloopt. Als Jan Janssen de Tour kan winnen, kan mijn schoonmoeder het ook. (Kees Pellenaars) (met) de benen (laten) spreken: (meestal negatieve) kritiek beantwoorden met een overwinning. berggeit: wielrenner die goed kan klimmen. Vgl. klimgeit. bezemwagen: laatste volgauto van een wedstrijd. bidon: drinkbus of drinkfles die je aan het frame van een racefiets kunt bevestigen bidon collé (Frans) of plakbidon: een wielrenner die een bidon aanpakt vanuit de ploegleidersauto maar de bidon langer dan nodig vasthoudt en zich door de auto laat meevoeren. binnenband: inspuiting in de ader. bitumineuze voegvullingsmassa (Renaat Schotte): opvulling van de voeg tussen betonplaten. Met name in België zijn er wegen die van betonplaten gemaakt zijn. Als deze opvulling ontbreekt, kan een wiel erin blijven vaststeken. Deze voeg wordt ook wel Belgische spleet genoemd (door Roxane Knetemann). bolletjestrui: trui met rode stippen die in de Ronde van Frankrijk aan de leider in het bergklassement (de bergkoning) wordt gegeven; in het Frans: "maillot à pois" ("erwtjestrui"). In de Ronde van Spanje heeft de trui blauwe bolletjes. De leider zelf wordt ook "de bolletjestrui" genoemd, net zoals de leider in het algemeen klassement ("de gele trui") of in het puntenklassement ("de groene trui"). bonken: zie hongerklop (uit het Engels: the bonk, bonking), plotseling blokkeren doordat het lichaam de energievoorraad heeft opgebruikt. (eerst) het bord van een ander leegeten (Gerrie Knetemann): in een kopgroep wil een renner minder inspanning leveren dan de andere renner(s), zodat hij aan het eind meer energie overheeft. bordjessprint: tijdens een training sprinten wie het eerst bij een plaatsnaambord is. boterham met pindakaas: "Je rijdt de Tour niet op een boterham met pindakaas", dat wil zeggen niet zonder verboden middelen, opmerking toegeschreven aan Gerrie Knetemann. buiten tijd: een renner die niet binnen de tijdslimiet (bepaald percentage van de tijd van de winnaar) de finish bereikt, krijgt in de uitslag OTL (over time limit) achter zijn naam. de bus: groep renners die niet mee kan in de bergetappes en gezamenlijk in een rustiger tempo naar de finish fietst. De chauffeur van de bus is doorgaans een ervaren renner die het tempo zodanig regelt dat de groep nog binnen de toegelaten tijd aan de finish komt. Een onervaren wielrenner die niet buiten tijd wil aankomen kan een buskaartje kopen door in de buurt van de chauffeur te blijven. Als een bus buiten tijd aankomt, worden de renners soms toch in koers gehouden, omdat de organisatie niet in een keer tientallen renners wil verliezen. chaperon (Frans voor begeleider): iemand die vanuit de organisatie de winnaar bij de finish opvangt en zorgt dat deze op tijd bij het podium is en die bij de renner blijft tot deze bij de dopingcontrole is. chasse-patate (Frans): een of meer renners die ondanks een zware inspanning niet de voorste renner(s) weten te bereiken en langzaam maar zeker worden bijgehaald door de groep waaruit ze zijn ontsnapt. Bijvoorbeeld een groepje renners dat uit het peloton ontsnapt om naar een kopgroep te rijden, maar halfweg blijft hangen. Ze slagen er kilometers lang niet in de kopgroep te bereiken, maar ze zijn ook te ver voorop om zich nog te laten inhalen door het peloton. Zoals taal- en sportkenner Mark Uytterhoeven ooit opmerkte: "je voelt je redelijk onnozel, 'en chasse patate'." d'r op en d'r over: een renner of groep inhalen, en vervolgens direct voorbij rijden. het dak van de ronde: het hoogste punt van een rittenkoers. Wie als eerste deze bergtop passeert, krijgt in de Tour de Souvenir Henri Desgrange en in de Giro de Cima Coppi. In de Giro Donne heet deze de Cima Alfonsina Strada. demarrage (Frans) / demarreren: snel wegsprinten uit het peloton of een kopgroep, om te proberen een voorsprong te nemen. derde bal: Een blessure die begint met een puistje in de bilnaad dat door druk en wrijving uitgroeit tot een ontsteking ter grootte van een ei. de deur dichtdoen: (bij een sprint) van de eigen lijn afwijken en daardoor de tegenstander de pas afsnijden. DNF / did not finish (Engels): een renner die vroegtijdig uit koers stapt en niet de finish bereikt, krijgt in de uitslag DNF achter zijn naam. dokkeren: over kasseien rijden. domestique: Frans voor knecht (zie aldaar) de dood of de gladiolen: (in de laatste fase van een wedstrijd) zo hard mogelijk fietsen en maar kijken wat het resultaat is: de bloemen of helemaal niks. Door de wind boren: met wind pal op kop voor het peloton proberen te blijven. doorkachelen (Gerrie Knetemann): met het verstand op nul hard blijven doorfietsen. La Doyenne (Frans): ouderdomsdeken, bijnaam van Luik-Bastenaken-Luik. de dubbel pakken: de winnaar van een etappe die tegelijk de leiderstrui verovert. Met dubbel wordt ook soms een combinatie van vergelijkbare koersen bedoeld, bijvoorbeeld als een renner zowel de Ronde van Vlaanderen als Parijs-Roubaix wint. een ekimovje doen: een beslissende demarrage in de laatste kilometer(s), genoemd naar Vjatsjeslav Jekimov. elkaar bij de keel vasthouden (Maarten Ducrot): Wanneer klassementsrenners elkaar geen strobreed toegeven in de strijd om de koppositie. Daarmee wurgt de klassementsrenner ook zijn eigen kansen. Vaak wordt gedacht: 'Ik niet, dan mijn concurrent ook niet.' en danseuse (Frans): recht op de trappers bergop rijden en zwaaiende bewegingen maken met het lichaam. Vgl. op de trappers lopen. er een snok aan geven (Gerrie Knetemann): extra hard gaan rijden of een laatste krachtexplosie. er af gepierd worden (Maarten Ducrot): het tempo niet meer kunnen volgen. erbij liggen (Maarten Ducrot): deel uitmaken van een valpartij. ervanonder muizen: wegspringen, demarreren op een onopvallende manier. fringale (Frans): hongerklop (zie aldaar) een gat laten vallen: een of meer renners laten wegrijden, al dan niet met opzet. het gat dichten/dichtrijden: aansluiting krijgen met een voorligger. geen benen hebben: geen kracht in de benen hebben. (terug-) gegrepen / gepakt worden: de kopgroep wordt bijgehaald door het peloton. gekookt zijn (Maarten Ducrot): uitgeput door inspanning of warmte geparkeerd staan: nauwelijks nog bergop kunnen fietsen zodat men bijna stilstaat. "Hij gooit een muntje in de parkeermeter". gesneden brood: groeihormonen. gestrekt tempo: rijden met hoog tempo, net niet maximaal. getelefoneerd demarreren: demarage die de andere renners zagen aankomen. (goede) benen hebben: in goede vorm verkeren. Tegenovergestelde van geen benen hebben. Giro: Italiaans voor 'ronde'. Meestal wordt de Ronde van Italië (Giro d'Italia) bedoeld, hoewel ook andere Italiaanse wedstrijden giro in hun naam hebben, zoals de rondes van Toscane, Lombardije en Emilia. Het wordt ook in letterlijke zin gebruikt: ultimo giro is de laatste ronde. gregario: Italiaans voor knecht (zie aldaar) grinta (Italiaans): hardnekkigheid, verbetenheid (veel gebruikt door Michel Wuyts op de Vlaamse televisie). gruppetto (Italiaans): de bus (zie aldaar) gruppo compatto (Italiaans): de groep is weer compleet, de kopgroep is teruggepakt. guidon: fietsstuur, in uitdrukkingen als: onder in de guidon of de guidon vanonder pakken. Een wielrenner pakt het stuur aan de onderkant vast als hij wil sprinten of gestroomlijnder wil zijn bij een versnelling. harken: enorme inspanning leveren. Vgl. stoempen en op karakter fietsen. "Het is koers!": de wedstrijd is begonnen. Ook soms gebruikt als de finale is begonnen, een beslissende fase met veel aanvallen. het moet uit het eelt van zijn tenen komen (Mart Smeets): het kost hem grote inspanning. hij is gezien: hij is verslagen, op achterstand gereden. hij trapt de kinderkopjes uit de kasseistrook (Mart Smeets): zeer hard over een kasseistrook fietsen. hij zit in een zetel: hij zit in een zeer voordelige positie als de sprint begint. hij zit te harken (met zijn hol open) (Gerrie Knetemann): hij rijdt zwoegend. hongerklop: plotselinge uitputting door tekort aan koolhydraten, waardoor het lichaam ineens niet meer in staat is tot grote fysieke inspanning. iemands karretje in de poep rijden (Gerrie Knetemann): geheel tegen de tactiek van een tegenstander in koersen. in de boter trappen: erg soepel fietsen. in iemands wiel springen: achter een tegenstander aan gaan. in/uit de wind rijden een jasje uitdoen: een inspanning leveren, een stuk uit de reserves putten. jour-sans (Frans): als een renner zijn dag niet heeft, geen goede benen heeft. jus in de benen: genoeg energie om hard te fietsen. Tegenovergestelde van pap in de benen. kaderplaatje: plaatje dat bevestigd is aan het frame (kader) van de fiets met hetzelfde nummer als het rugnummer van de renner. Als de renner van fiets wisselt, is hij niet meer herkenbaar aan het kaderplaatje. op de kant zetten: een waaier trekken (zie aldaar) op karakter fietsen: het fietsen niet opgeven ondanks pijn (door kwetsuur). kever: een dosis testosteron. klasbak - goede, slimme wielrenner klepper: een renner waar zeel veel van verwacht wordt, renners met ervaring en talent. klimgeit: wielrenner die goed kan klimmen. Vgl. berggeit. knecht: renner die zijn eigen kansen opoffert voor een kopman. knikje: een korte steile heuvel of kort steil stuk van een beklimming. Door Roxane Knetemann vaak hupsje genoemd. Vgl. kuitenbijter of viezerikje. de koers hard maken: groepsgewijs een hoog tempo rijden, waardoor ontsnappingen worden bemoeilijkt. koersradio: radiosysteem waarmee de wedstrijdleiding (koersdirecteur) contact heeft met alle auto's en motoren in koers. Hier wordt doorgegeven wat de wedstrijdsituatie is, welke renners betrokken zijn bij een valpartij, wanneer auto's het peloton mogen inhalen om achter de kopgroep plaats te nemen, enz. Dit wordt internationaal ook wel radio tour genoemd, niet te verwarren met Radio Tour de France. een koffiemolentje draaien: met een zeer kleine versnelling rijden. KOM / QOM: King of (the) Mountain / Queen of (the) Mountain (Engels), begrip in de app Strava. De renner die een berg (of ander segment) als snelste ooit heeft afgelegd, krijgt de titel KOM (man) of QOM (vrouw). Diegene heeft een kommetje gepakt. koninginnenrit: allerzwaarste rit in een meerdaagse wielerwedstrijd. Ook de zwaarste klassieker krijgt de titel koningin: la Reine des Classiques, de bijnaam van Parijs-Roubaix. kopman / kopvrouw: beste renner van een ploeg, voor wie de andere ploeggenoten knechten. koppeltijdrit: tijdrit gereden door twee wielrenners die samen het parcours moeten afleggen van startplaats tot eindstreep. Bijvoorbeeld de Trofeo Baracchi. Een kopgroep van twee renners (meestal ploeggenoten) wordt soms figuurlijk een koppeltijdrit of Trofeo Baracchi genoemd. kuitenbijter: korte, maar steile helling. Vgl. muur. een kwak geven: tijdens de sprint bewust iemand opzij zetten door een bruusk manoeuvre. Lachend naar het rood: met gemak de leiderstrui pakken of behouden (in de Vuelta). lead-out: voorbereidend werk waarmee ploeggenoten hun beste sprinter in een zo goed mogelijke uitgangspositie proberen te brengen voor een massasprint. leegloper: fietsband die langzaam leegloopt.