Bosfauna is een verzamelnaam voor alle diersoorten die in meer of mindere mate voor hun bestaan afhankelijk zijn van bos. Nederland heeft relatief weinig bos (ruim 10% van het landoppervlak), maar het is het biotoop voor veel diersoorten.
Inleiding Veel diersoorten zijn essentieel voor het functioneren van bosecosystemen. De daar aanwezige flora en fauna zijn wederzijds van elkaar afhankelijk. Goed ontwikkelde bossen zijn complexe ecosystemen, niet alleen in het tropisch regenwoud maar ook in de gematigde zone. Door hun grote variatie aan milieus zijn ze van groot belang voor de bosfauna. Volgens sommige opvattingen zouden bossen ook in grote delen van Nederland de natuurlijke climaxvegetatie vormen, met stabiele en soortenrijke ecosystemen.O.a. V. Westhoff en H. Doing in: Van Goor (red). Ecologie en gebruik van bossen. Pudoc, Wageningen, 1983 In de loop der eeuwen zijn praktisch alle oorspronkelijke bossen in Nederland verdwenen. In de huidige, door de mens aangelegde bossen is de bosontwikkeling nog volop gaande.
Bossen herbergen veel afzonderlijke milieus die elk van groot belang zijn voor een breed scala aan diersoorten. Zo zijn in Nederland meer dan 2500 soorten geleedpotigen direct afhankelijk van bossen. Voor zweefvliegen gaat het om ruim 200 van de 330 Nederlandse soorten. Van zeventien soorten amfibieën is de vuursalamander vooral aan bos gebonden; van de zeven soorten reptielen is de hazelworm een bosbewoner. Van de 192 vogelsoorten die regelmatig in Nederland broeden zijn er 33 strikt aan bos gebonden. Verder is ook ongeveer een derde van de Nederlandse zoogdieren, 23 soorten, als aan bos gebonden te beschouwen. Naast deze strikt bosgebonden diersoorten zijn er ook soorten die zowel in bossen als in andere ecosystemen voorkomen. Diverse soorten maken gebruik van meerdere boshabitats, waardoor het van belang is dat bossen gevarieerd zijn.Janssen, P., & Benthem, M. van (2008). Bosbeheer en biodiversiteit. Utrecht, Uitgeverij MatrijsNetwerk Ecologische Monitoring (SOVON, Provincies & CBS). Broedvogeltrends. Website SOVON, geraadpleegd op 4 december 2019
De aan bos gebonden soorten kunnen onderscheiden worden naar de mate waarin zij invloed hebben op het bosecosysteem:
Soorten die gebonden zijn aan bos en grote invloed uitoefenen op de structuur en het functioneren van het bosecosysteem: bosvormende soorten; Soorten die weinig invloed op het bosecosysteem hebben maar wel geheel of deels gebruik maken van boshabitats: bosgebruikende soorten.
Bosvormende diersoorten Bosvormers zijn diersoorten die in staat zijn hun omgeving dermate te beïnvloeden dat zij de structuur, het functioneren en/of de soortensamenstelling van het bos veranderen. Deze diersoorten worden ook wel sleutelsoorten of biobouwers genoemd. Wanneer deze soorten verdwijnen betekent dit dat er voor veel andere soorten ook geen geschikt leefgebied meer aanwezig is. Hierdoor kunnen de biodiversiteit en het functioneren van het bossysteem sterk afnemen.
Grote vrijlevende herbivoren Grote vrijlevende herbivoren drukken hun eigen unieke stempel op het bos. Elk van deze diersoorten biedt levensmogelijkheden aan gemeenschappen van gespecialiseerde flora en fauna. Het kan hierbij gaan om soorten die afhankelijk zijn van mest, kadavers, betreding, afgegraasd terrein of opengewoelde grond. In Nederland waren bever, wild zwijn, ree, damhert, edelhert, eland, tarpan, oeros en wisent oorspronkelijk inheems.Clason, A.T., 1986. Knagers, wroeters en grazers van vroeger en nu. Huid en haar, vol 5 (1986) nr. 4/5 p. 134-140Welke soorten passen bij natuurlijke begrazing? Nature Today, 16 februari 2020. Gearchiveerd op 30 januari 2023. Daarnaast komen enkele exotische grazers voor, zoals moeflon, schaap en geit. Bever, wisent en eland stierven in Nederland uit en de oeros en tarpan zijn zelfs wereldwijd verdwenen.Wisent. Website Zoogdiervereniging, geraadpleegd 11 april 2020. Gearchiveerd op 12 april 2020.Lardinois, R., 2002 Tarpan & konik. Website Nieuwe Wildernis, geraadpleegd 11 april 2020
Om toch hun sleutelrol in het systeem terug te brengen worden vaak runderen en paarden uitgezet die genetisch dicht bij de oeros of de tarpan staan. Daarnaast is de bever na een succesvol herintroductieprogramma weer aanwezig en leeft de wisent weer in drie omheinde natuurterreinen in Nederland.Bever. Website Zoogdiervereniging, geraadpleegd op 4 december 2019. Gearchiveerd op 18 december 2019.Wisent. Website Zoogdiervereniging, geraadpleegd op 4 december 2019. Gearchiveerd op 18 december 2019.
Grote herbivoren zijn op basis van hun graasgedrag onder te verdelen in snoeiers, grazers, variabele eters en paardachtigen. Snoeiers eten voornamelijk de jonge uitlopers en knoppen van bomen en struiken, waardoor ze alleen in hoge dichtheden een bepalende invloed hebben op de bosverjonging. Elanden en reeën zijn hier voorbeelden van. Grazers zijn op grassen gespecialiseerde herkauwers, zoals runderen (waaronder wisent) en schapen. Variabele eters gedragen zich wisselend als snoeier en grazer. Bijvoorbeeld herten eten in het voorjaar jonge scheuten en grassen en in de winter naast gras vooral houtige gewassen. Ook zijn ze in staat om bomen te schillen waardoor deze afsterven. Tot slot zijn er nog de paardachtigen, die door de aanwezigheid van tanden aan de bovenkaak in staat zijn om de vegetatie bij de grond af te vreten.
Wilde zwijnen en bevers vallen buiten deze onderverdeling. Wilde zwijnen woelen de grond om op zoek naar voedsel, waardoor pioniervegetaties en bosverjonging een kans krijgen. Bevers zijn in staat om complete bomen om te knagen. Zij kunnen een grote invloed uitoefenen op het bossysteem door beekjes af te dammen, waardoor kleine stuwmeren ontstaan waarin talloze moerasplanten kunnen groeien.En het zwijn ploegde voort. Website ARK, geraadpleegd op 4 december 2019. Gearchiveerd op 16 maart 2020.25 jaar ARK: Bever. Website ARK, 2014, geraadpleegd op 4 december 2019. Gearchiveerd op 12 april 2020.
Verder zijn er nog enkele kleinere wilde herbivoren die lokaal en bij een hoge dichtheid een grote invloed kunnen uitoefenen op de bosontwikkeling. Hieronder vallen het wild konijn en diverse soorten muizen zoals de bosmuis en de rosse woelmuis.
Carnivoren De aantallen, de ruimtelijke verspreiding en de invloed die grote en kleine vrijlevende herbivoren uitoefenen op het bossysteem worden mede gereguleerd door carnivoren. De belangrijkste inheemse carnivoren waren oorspronkelijk wolf, lynx en bruine beer. Deze soorten zijn in het verleden uitgestorven in Nederland, maar sinds 2018 is de wolf als vaste bewoner teruggekeerd.In Nederland. Website Wolven in Nederland, geraadpleegd op 5 december 2019. Gearchiveerd op 19 december 2019. Daarnaast komen in de Nederlandse bossen andere roofdieren voor die invloed hebben op de aantallen kleine herbivoren. Dit zijn de wilde kat, die sinds 2014 weer terug is,ARK jaarverslag 2014. Website ARK, geraadpleegd op 5 december 2019. Gearchiveerd op 12 april 2020. de vos, marterachtigen zoals de boommarter en roofvogels en uilen.
De aanwezigheid van grote roofdieren kan volgens de theorie van de 'ecologie van de angst' het complete bosbeeld veranderen. Volgens deze theorie zullen grazers zelden in het centrale gedeelte van een wolventerritorium komen. Als ze er wel zijn, zullen ze meer tijd besteden aan observeren dan aan eten. Door dit fenomeen krijgt bosverjonging hier een betere kans, terwijl het landschap aan de rand van een wolventerritorium juist een meer open karakter krijgt. Ook hebben bodembroedende bosvogels zoals houtsnip en nachtzwaluw betere overlevingskansen in de kern van een wolventerritorium, omdat kleinere carnivoren zoals de vos deze kerngebieden eveneens mijden.Laundré, J. W., Hernández, L., & Ripple, W. J. (2010). The Landscape of Fear: ecological implications of being afraid. Oswego, Department of Biological Sciences. Gearchiveerd op 26 april 2023.
De mens Ook de mens kan beschouwd worden als bosvormer. Door het uitvoeren van beheermaatregelen is de mens in staat om de ontwikkeling van het bossysteem te sturen in de gewenste richting. Door bosbouwkundige en natuurtechnische maatregelen uit te voeren, kan hij bepaalde soortgroepen bevoordelen ten opzichte van andere. Met die maatregelen beïnvloedt hij terreineigenschappen zoals: nat-droog, licht-donker, voedselrijk-voedselarm, structuurrijk-structuurarm, waardoor hij de soortensamenstelling en de algehele biodiversiteit in een bosgebied kan bijsturen. Naarmate hij voor een meer heterogene gebiedsinrichting kiest, kan het bos een grotere diversiteit aan specifieke habitats herbergen, waardoor de biodiversiteit kan toenemen.
Overige diersoorten die invloed hebben op het bos Ook andere diersoorten die in en rond bossen voorkomen, kunnen een zekere invloed hebben op het bosecosysteem. Het bos is voor zijn voortbestaan afhankelijk van een breed scala aan aangepaste diersoorten die het systeem draaiende houden. Indien het systeem incompleet of verstoord is kan dit verschillende problemen met zich meebrengen. Deze variëren van insectenplagen - bij gebrek aan (habitats voor) natuurlijke vijanden - tot verminderende bosgroei bij gebrek aan voldoende bodemfauna. Andere belangrijke processen zijn bestuiving (door diverse insecten) en zaadverspreiding (door vogels, zoogdieren).Ouden, J. den, B. Muys, F. Mohren & K. Verheyen (2010). Bosecologie en bosbeheer. Leuven, Uitgeverij Acco
Bosgebruikende diersoorten Soorten van boomkronen Boomkronen vormen een belangrijk habitat in het bosecosysteem. Hier worden bladeren, bloesem en vruchten geproduceerd, waardoor er veel energierijk voedsel voorhanden is. Afhankelijk van de boomsoort kunnen er vele honderden soorten insecten voorkomen. De eik is in Nederland de bosboom met de meeste soortspecifieke insecten, namelijk 423 soorten. Enkele voorbeelden hiervan zijn kleine wintervlinder, grote wintervlinder, tweestreepvoorjaarsuil, kleine voorjaarsuil, plakker en de beruchte eikenprocessierups.Hellingman, S. (2018). Ook in 2018 plaatselijk massale kaalvraat van eikenbomen. Nature Today, 13 mei 2018, geraadpleegd op 8 december 2019. Gearchiveerd op 17 april 2020. Behalve bladetende insecten zijn bestuivers zoals hommel- en wilde bijensoorten ruim vertegenwoordigd in de kroonlaag, wanneer deze in bloei staat en de hoofdboomsoort van het bos niet uit windbestuivers bestaat. Enkele voorbeelden van boomsoorten die bekend staan om hun bijenrijkdom zijn robinia, wilg en linde. In goede bladluizenjaren kunnen ook naaldbossen rijk zijn aan bijen. De bladluizen scheiden honingdauw af die door de bijen in de honing wordt verwerkt. Deze honing wordt vaak als boshoning verkocht.Moraal, L. (1984). De ene boom is de andere niet. Website Wageningen University & Research, geraadpleegd op 12 december 2019. Gearchiveerd op 12 april 2020.Go Wild! Top 10 drachtbomen voor bijen. Website Tuinenstruinen, 2018, geraadpleegd op 10 december 2019. Gearchiveerd op 12 april 2020.Boshoning NL. Website De Honingwinkel, 2018, geraadpleegd op 10 december 2019