miniatuur|Aardappeloogst in Kortgene (2011) miniatuur|Melkveehouderij in Friesland (2020) miniatuur|Varkensstal miniatuur|Glastuinbouw in Erica (2018) miniatuur|Bollenteelt in Ens (2014) Dit artikel behandelt de geschiedenis, organisatie en betekenis van landbouw in Nederland.
In 2020 werd van het totale Nederlandse grondgebied (41.543 km²) 54% gebruikt door de landbouw (2.236.317 hectare). In 2019 bedroeg het aandeel van de landbouw in de economie van Nederland (het bruto binnenlands product of bbp) 1,4%; in 1995 was dat nog 2,8%. Nederland had in 2018 met 1,4% een relatief grote landbouwsector vergeleken met zijn buurlanden en het EU-gemiddelde van 1,1%. Nederland is na de VS de belangrijkste exporteur van agrarische producten. In 2019 werd voor 94,5 miljard euro geëxporteerd. Bloemen en planten vormen het belangrijkste deel van de landbouwuitvoer, gevolgd door vlees en zuivel.Exportrecord voor Nederlandse landbouw: vooral veel bloemen en vlees, NOS, 17 januari 2020. Gearchiveerd op 3 augustus 2023.
Ontwikkeling en organisatie Aantal bedrijven en ruimtegebruik Het Burgerlijk Wetboek Deel 7: bijzondere overeenkomsten bepaalt in artikel 312: 'Onder landbouw wordt verstaan, steeds voor zover bedrijfsmatig uitgeoefend: akkerbouw; weidebouw; veehouderij; pluimveehouderij; tuinbouw, daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen; de teelt van griendhout en riet; elke andere tak van bodemcultuur, met uitzondering van de bosbouw.' Sinds het midden van de 20e eeuw is door schaalvergroting en mechanisatie het aantal landbouwbedrijven afgenomen en zijn de bedrijven in grootte toegenomen. Van de 410.000 landbouwbedrijven in 1950 waren er in 2016 nog 55.000 over, terwijl het gemiddelde boerenbedrijf in oppervlakte groeide van ongeveer 5,7 hectare in 1950 naar 32,4 hectare in 2016. Tussen 2010 en 2012 nam de totale "landbouwgrond" oftewel het "agrarisch terrein" van 2.264.376 hectare af tot 2.252.233; in 2020 was dat 2.236.317 hectare in de CBS-statistiek bodemgebruik. De term "agrarisch terrein" is inclusief erven, tuinen en andere oppervlakten en heeft daarmee een ruimere definitie dan de veelgebruikte vakterm "areaal cultuurgrond", die zich in de Landbouwtelling (een gezamenlijke enquête van het CBS en het landbouwministerie) beperkt tot grasland en voedergewassen, akkerbouw, opengrondstuinbouw ("tuinbouw open grond") en glastuinbouw ("tuinbouw onder glas") en zo anno 2020 uitkwam op 1.814.500 hectare. (166 pagina's). De term "erf" slaat op de grond waarop alle gebouwen van een boerderij staan, waaronder stallen voor het vee, bedrijfswoningen van boeren en eventuele werknemers, machinebergruimtes, mestsilo's, kuilplaatsen en voedersilo's; deze oppervlakte valt dus buiten het begrip "areaal cultuurgrond". Volgens het CBS en Wageningen University & Research was anno 2020 '53,9% van het totaal areaal cultuurgrond in gebruik als grasland (blijvend, tijdelijk en natuurlijk grasland), 11,4% voor groenvoedergewassen, 29,0% voor akkerbouwland, 5,1% voor opengrondstuinbouw en 0,6% voor glastuinbouw.'
Agrarische beroepsbevolking Nederlandse beroepsbevolking naar sector (%) 1807 1849 1899 1930 1960 2000Landbouw (incl. visserij) 43,1 40,3 34,1 20,6 10,7 3,3Industrie 26,2 31,0 32,6 35,5 41,2 21,6Diensten 30,8 28,7 33,3 43,9 48,1 75,1 Terwijl de Nederlandse bevolking tussen 1807 en 2000 groeide van 2 naar 16 miljoen mensen, slonk het percentage van de beroepsbevolking dat werkzaam was in de landbouwsector van 43,1% naar 3,3%, omdat er door de mechanisatie steeds minder landarbeiders nodig waren. De arbeid verschoof eerst naar de industriële sector en daarna steeds meer naar de dienstensector; zo evolueerde Nederland van een overwegend agrarische samenleving naar een verzorgingsstaat. In 1998 waren er in de Nederlandse landbouw en visserij samen afgerond 291.000 banen, in 2018 waren dat er 250.000. Van deze kwart miljoen banen in 2018 werden er 115.000 vervuld door werknemers en 135.000 vervuld door zelfstandigen; met 54% waren landbouw en visserij de sectoren met de meeste zelfstandigen. 168.000 banen (67,2% ofwel twee derde) werd vervuld door mannen, de overige 82.000 (32,8%) door vrouwen. Het aantal mensen werkzaam in de landbouw is gedurende de jaren 1980–2004 sterk afgenomen: van 265.467 in 1980 tot 98.900 in 2004.
Organisatie Werkgevers en werknemers in de landbouw worden vaak agrariërs, boeren of landbouwers genoemd; in de verschillende sectoren wordt ook wel gesproken van akkerbouwers, tuinders en veeboeren. Er zijn verscheidene opleidingen om agrariër te worden. De agrarische opleidingscentra (AOC's) verzorgen de agrarische beroepsopleidingen. Het Wageningen University & Research centre in Wageningen verzorgt wetenschappelijke opleidingen en leidt niet direct op tot het beroep van boer alhoewel sommige afgestudeerden een eigen boerenbedrijf hebben. Tevens staat in Dronten de CAH Vilentum Hogeschool. Landbouwers in Nederland hebben zich in een aantal belangenorganisaties verenigd, zoals de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO Nederland), de Farmers Defence Force, Agractie, Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK), Netwerk Grondig, de Nederlandse Zuivel Organisatie, Glastuinbouw Nederland, de Nederlandse Akkerbouw Vakbond, de Nederlandse Melkveehouders Vakbond en de Nederlandse Vakbond Varkenshouders.
De landbouw valt anno 2020 onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en wordt onder meer bijgestuurd door de agentschappen de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). In 2017 is het agrarisch onderwijs van het Ministerie van LNV overgeheveld naar het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Sinds 2022 is er ook een Minister voor Natuur en Stikstof om de stikstofcrisis, die in 2019 acuut werd en waarbij de landbouw een grote rol speelt, het hoofd te bieden.
Geschiedenis
Prehistorie en oudheid (tot 500)
Middeleeuwen (500–1500)
In de Gallo-Romeinse periode was de landbouw in de Nederlanden georganiseerd in kouters. In de vroege middeleeuwen werden de meeste landbouwgronden in het latere Nederland georganiseerd volgens het hofstelsel rondom een vroonhof van de landeigenaar. Daaromheen lagen de boerderijen (mansi) van de horige boeren (laten). Het drieslagstelsel was een algemeen gebruikte landbouwmethode. Tijdens de Grote Ontginning van de 10e tot en met de 13e eeuw is het landschap in wat later het Groene Hart of ook wel de Hollands-Utrechtse laagvlakte zou worden genoemd grotendeels gevormd ten behoeve van de landbouw en het grondpatroon ervan is sindsdien weinig veranderd. Keuterboeren, dagloners, pachter, herendiensten (Oost-Nederland tot eind 18e eeuw). Een belangrijke rol speelden kloosters en abdijen, zowel bij ontginningen als bij inpolderingen.
Vroegmoderne tijd (1500–1795)
De organisatie van de landbouw kende grote regionale verschillen. Op de veenweidegebieden was melkveehouderij van groot belang, inclusief de vervaardiging op lokale schaal van zuivelproducten. Op de zeekleigebieden domineerde de akkerbouw. De Republiek der Nederlanden kende echter een groot importoverschot van granen, met name tarwe en rogge.[https://www.dbnl.org/tekst/lint011gesc01_01/lint011gesc01_01_0005.php Techniek in Nederland in de 19e eeuw, deel I, p. 53 Op de zandgronden vond men overwegend het gemengd bedrijf, waarbij de landbouw in dienst stond van de veeteelt. Aangezien er geen kunstmest bestond, werd de potstalmethode hier toegepast waarbij schapen op de woeste gronden graasden en hun mest, samen met heideplaggen, in de potstal werd verzameld. De hoeveelheid mest was de beperkende factor voor de grootte van het landbouwareaal. Een belangrijke vernieuwing was de introductie van de aardappel in de loop van de 17e eeuw. De Nederlanden waren zelfvoorzienend voor wat betreft dit product.
In de 2e helft van de 18e eeuw ontstond in het buitenland, met name in Engeland en Frankrijk, een beweging die in gang gezet werd door verlichte delen van de adel en de burgerij en die een meer wetenschappelijke benadering van de met de landbouw samenhangende vraagstukken nastreefde. Inzet hierbij vormde de verhoging van de productie per hectare, de introductie van nieuwe gewassen zoals de suikerbiet en van industriegewassen als vlas, meekrap en tabak. Daarnaast richtte men de aandacht op mogelijkheden tot mechanisatie, teneinde arbeid te besparen. Voor kleine boeren leidde dit alles tot te grote risico's terwijl ook de deskundigheid vaak ontbrak. Ook in Nederland bestond in Patriottische kringen wel belangstelling voor een meer wetenschappelijke benadering van economische activiteiten, maar aan de landbouw ging dit streven goeddeels voorbij.
Industriële revolutie (1800–1900) thumb|De aardappeleters (1885) van Vincent van Gogh toont een arme boerenfamilie aan tafel voor een eenvoudige maaltijd.
Achtergronden
Na 1850 stegen de prijzen voor dierlijke producten zoals boter en vlees veel sneller dan de prijzen van plantaardige producten. Door deze prijsstijging van dierlijke producten gingen agrarische bedrijven zich steeds meer toeleggen op dierlijke productie. Dierlijke productie werd in plaats van een aanvulling op de plantaardige productie de hoofdtak van deze agrarische bedrijven, terwijl de plantaardig productie werd gebruikt voor het maken van veevoer. De dierlijke productie kon mede zulke grote vormen aannemen doordat er goedkoop plantaardige producten konden worden geïmporteerd die als diervoeder gebruikt konden worden. Zo was Nederland vlak voor de Eerste Wereldoorlog een van de grootste maïsimporteurs van Europa.
Tegen het einde van de 19e eeuw daalden de prijzen van de plantaardige producten aanzienlijk. Dit kwam door de toenemende transportmogelijkheden en de ontginning van grote landbouwoppervlakten zoals in de Verenigde Staten en Canada. Mede hierdoor nam, naast de verwetenschappelijking van de landbouw, de noodzaak toe om de boeren te doen samenwerken. Over de hele linie kreeg de landbouw met veel organisatorische veranderingen te maken waarvoor de kiem soms eerder die eeuw was gelegd. Behalve de landbouwindustrie ontstonden er landbouwcoöperaties en kregen het onderwijs en onderzoek een sterke impuls.
Wederopbouw (1945–1960) Door het verslechteren van de economische omstandigheden in de jaren 1920, de verminderde exportmogelijkheden en stijgende prijzen van de grondstoffen voor het veevoer, die veelal geïmporteerd moesten worden, probeerden bedrijven de productiviteit per arbeidskracht te verhogen om zo nog steeds een voldoende inkomen te genereren.
Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog maakte Nederland de hongerwinter mee. Er was schaarste aan voedsel, en dit leidde tot een nationaal trauma. Bovendien lag het voedselconsumptieniveau in Nederland al sinds het begin van de 20e eeuw op ongeveer hetzelfde niveau. Daarom werd Sicco Mansholt, minister van Landbouw sinds 1945, gevraagd de voedselvoorziening op orde te brengen. Hierbij werd gebruik gemaakt van de hulp uit Amerika in de vorm van Marshallhulp en voorlichting. Naar Amerikaans voorbeeld werden er maatregelen doorgevoerd om de voedselproductie te verhogen. De voedsel- en vleesproductie werd daarbij geïndustrialiseerd. Door ruilverkaveling en specialisatie ontstonden er bedrijven die efficiënter voedsel en veevoer konden produceren. Ook in de melkveehouderij werd sterk gemechaniseerd en geautomatiseerd.NTR, VPRO Andere Tijden, Boeren op z'n Amerikaans. Uitgezonden 2 okt 2014. . Gearchiveerd op 4 augustus 2016. thumb|Legbatterij in Haaren (1969)