thumb|300px|Dante, Boccaccio, Petrarca, Guido Cavalcanti, Cino da Pistoia en Guittone d'Arezzo op een schilderij van Giorgio Vasari (1544). Italiaanse literatuur is literatuur geschreven in de Italiaanse taal, met name binnen het huidige Italië. Het kan ook verwijzen naar literatuur die is geschreven door Italianen in andere talen die in Italië worden gesproken, vaak talen die nauw verwant zijn aan het moderne Italiaans. In vergelijking met andere Romaanse talen maakte in Italië de literatuur in de volkstaal een late start en bleef de letterkunde in het Latijn langer dominant. Pas in de dertiende eeuw begon de literaire traditie in de Italiaanse taal, dat wil zeggen in het Toscaanse dialect van Florence, Pisa en Siena.

Ontstaan en grootste bloei De overgang van Latijn naar volkstaal begon in de 12e eeuw toen in verschillende delen van het schiereiland het Italiaans op literaire wijze werd gebruikt. Ritmo laurenziano (eind 12e eeuw) is het eerste nog bestaande literaire document uit deze vroege periode. De echte ontwikkeling van een literatuur in de Italiaanse taal, zowel geschreven als gesproken, begon echter pas in de 13e eeuw, een periode van heropleving in kunst en cultuur na de moeilijke eeuwen van vreemde overheersing. In deze eeuw bloeide in Umbrië de religieuze poëzie van Jacopone da Todi, die sterk werd geïnspireerd door de leringen van Franciscus van Assisi. Poëzie werd in de eerste plaats populair gemaakt door de Franse jongleurs. Toonaangevend zijn de komisch-satirische poëzie van Cecco Angiolieri, de ridderlijke literatuur (de chansons de gestes, afgeleid van het Frans), het didactisch en moralistisch proza waarin Brunetto Latini uitblonk, en een wijdverbreide liefdespoëzie.

De eerste literaire Italiaanse poëzie werd geïnspireerd door de Provençaalse liefdeslyriek en ontstond en bloeide rond 1220 aan het Siciliaanse hof van keizer Frederik II. De dichters van de Siciliaanse school (Guido delle Colonne, Pier della Vigna, Cielo Dalcamo) behandelden het thema van de liefde volgens het hoofse model. Zo ontstond een poëtische traditie waarin de volkstaal Italiaans steeds meer werd gezuiverd van dialectische overmaat. Later verspreidde deze trend zich naar Midden-Italië, vooral naar Toscane. Dichters als Chiaro Davanzati en Compiuta Donzella (de vroegste vrouwelijke dichter in de volkstaal) verrijkten daar de Siciliaanse lyriek door confrontatie met morele en politieke thema's die de idealen van het gemeenschappelijke leven weerspiegelden.

De hoogtepunten van de Italiaanse literatuur werden geschreven tussen de veertiende en zestiende eeuw, tijdens de Gouden en Zilveren periode. De mooiste werken uit deze periode hebben een enorme invloed uitgeoefend op de wereldliteratuur, en het valt te betwijfelen of dit ooit nog kan worden geëvenaard.

Gouden eeuw Het tijdperk van Dante Alighieri, Francesco Petrarca en Giovanni Boccaccio wordt vaak de 'Gouden Eeuw' van de Italiaanse literatuur genoemd. De belangrijkste literaire stroming van de tweede helft van de 13e eeuw was wat Dante de "dolce stil novo" (zoete nieuwe stijl) noemde. De dominante thema's van dichters als Guido Guinizelli en Guido Cavalcanti waren het geweten en het leven van de ziel. Nieuw aan deze stijl was niet alleen een meer spirituele, verheven opvatting van de vrouw, maar ook een dieper intellectueel en filosofisch onderzoek van de liefde als bron van morele deugd.

Het Trecento markeert niet alleen het begin van de Italiaanse renaissance, maar staat ook bekend als een tijd van verhoogde literaire activiteit, met schrijvers die in de volkstaal werken in plaats van het Latijn. Dante, Petrarca en Boccaccio zijn de belangrijkste schrijvers van deze periode. Dante schreef zijn beroemde La Divina Commedia (De Goddelijke Komedie), een representatie van het middeleeuwse wereldbeeld, en Petrarca schreef onder invloed van de Provençaalse troubadours prachtige verzen in lyrische stijl. Boccaccio is vooral bekend voor zijn Decamerone, een raamvertelling met honderd verhalen, een werk dat bepalend was voor de Italiaanse prozaliteratuur en dat vandaag tot de belangrijkste werken uit de wereldliteratuur wordt gerekend.

Dante De poëziecentra verschoven naar het noorden (Bologna, Florence). Guido Guinizelli ontwikkelde de dolce stil novo (zoete nieuwe stijl), die de lof zingt van een getransfigureerd liefdesideaal. De naam van deze stijl is voor de eerste keer gebruikt door een van haar vertegenwoordigers, Dante Alighieri (1265-1321) in een dialoog uit de Purgatorio (xxiv. 57). Dante wordt vaak de vader van de Italiaanse taal genoemd, omdat hij het aandurfde om in het Italiaans te schrijven, terwijl de meeste anderen voor hun werken liever Latijn gebruikten. Hij werd geboren in Florence, maar keerde na zijn verbanning nooit terug naar zijn geboortestad. Met zijn Goddelijke komedie is Dante een van de vermaardste Italiaanstalige dichters uit de wereldliteratuur.

Petrarca Francesco Petrarca (1304-1374), vaak de vader van het humanisme genoemd, is bekend om zijn herontdekking van de brieven van Cicero. Als schrijver was Petrarca vooral populair vanwege zijn poëzie. In de 16e eeuw werd het oeuvre van Petrarca gebruikt om een model voor de Italiaanse taal te creëren. Er werden ook werken van anderen gebruikt (Dante slechts in geringe mate - wat verrassend is), maar de werken van Petrarca waren behoorlijk belangrijk voor dit model. Francesco Petrarca was de echte grondlegger van het humanisme. Als zodanig schreef hij tal van Latijnse werken. Zijn Italiaanse gedichtencyclus Canzoniere wordt beschouwd als de belangrijkste poëziebundel in de Europese literatuur na de oudheid. De cyclus bestaat uit 317 sonnetten, 29 canzonas, 9 sestines, 7 ballades en 4 madrigalen.

Boccaccio Giovanni Boccaccio (1313-1375) schreef de Decamerone, een verzameling van 100 novellen, geconstrueerd als raamverhaal. De verhalen worden verteld door een groep mannen en vrouwen, die zich in 1348 hebben teruggetrokken in een villa in de buurt van Florence om te ontsnappen aan de pest. De stijl van Boccaccio neigt naar de imitatie van het Latijn, maar met hem nam Italiaans proza voor het eerst de vorm aan van doorwrochte, verfijnde vertelkunst. De ruwheid van de oudere fabliaux maakt bij hem plaats voor het zorgvuldige en gewetensvolle werk van een geest die gevoel heeft voor al wat mooi is, iemand die de klassieke auteurs heeft bestudeerd, en die ernaar streeft om ze zoveel mogelijk na te bootsen. Bovendien is Boccaccio in de Decamerone een scherp observator van menselijke karakters en passies. Daarin ligt zijn grootste vernieuwing.

Vijftiende eeuw: renaissancehumanisme De periode van grofweg 1460 tot 1560 of '70 wordt wel eens de 'zilveren eeuw' van de Italiaanse literatuur genoemd. We vinden daarin geen individuele auteur - met uitzondering van Machiavelli en Ariosto - van het formaat van de "Grote Drie", noch enig werk met de uitstraling van Dantes Commedia, Petrarca's Canzoniere of de Decamerone van Boccaccio.

Het grootste deel van de literaire activiteit van de vijftiende eeuw bestond uit het samenstellen en vertalen van Griekse en Latijnse teksten van de schrijvers uit de oudheid. Deze culturele passie voor de oudheid heeft de expansie van de Italiaanse taal aanzienlijk vertraagd. De auteurs en intellectuelen van die tijd probeerden voornamelijk de klassieke modellen te imiteren. Zo behield het Latijn tot ongeveer 1470 een hegemonische positie in de literatuur en leek het opnieuw de enige taal voor intellectuele communicatie te worden. Met uitzondering van Toscane, waar de erfenis van de "drie kronen" (Dante, Petrarca en Boccaccio) nog steeds in ere werd gehouden, verdween overal in Italië de volkstaal naar de achtergrond. Het zou tot de tweede helft van de 15e eeuw duren voordat het Italiaans terugkeerde binnen het renaissancehumanisme.

In de jaren 1450 werd het hof van de familie Este in Ferrara een cultureel centrum. Hier schreef Matteo Maria Boiardo (1441-1494) de gedichtenbundel "Canzoniere" en het epos "Orlando innamorato" (Roland verliefd). Een vervolg hierop werd geschreven door Ludovico Ariosto (1474-1533) en kreeg de titel "Orlando Furioso" (Razende Roeland), en dit oogstte internationaal succes.

Jacopo Sannazaro (1458-1530) schreef zijn Arcadia in een combinatie van proza en vers dat al heel vroeg werd vertaald en het referentiepunt werd voor latere pastorale poëzie in de nationale literatuur van Europa.

De humanist Pietro Bembo (1470-1547) ging resoluut in op de uitdaging naar het juiste taalgebruik (Questione della lingua). Hij stelde zich op het standpunt dat de taal van Petrarca en Boccaccio de beste literaire taal was, Castiglione gaf de voorkeur aan een overkoepelende spreektaal en Machiavelli aan Florentijns (Toscaans).

De Florentijnse Niccolò Machiavelli (1469-1527) is vooral bekend om zijn verhandeling "Il principe" (De vorst) uit 1532, waarin hij het ideaal van een absolutistische heerser presenteert. Hij creëerde ook historische (een geschiedenis van Florence) en literaire werken, zoals de komedie "La Mandragola" (De aluinwortel) uit ca. 1518.

De idealistische renaissancemens werd door Baldassare Castiglione (1478-1529) beschreven in Il libro del cortegiano (Het boek van de Hoveling, 1528). Hiervoor maakte hij gebruik van het populaire genre van de literaire dialoog.

Pietro Aretino (1492-1556) was berucht om zijn erotische literatuur (Sonetti Lussuriosi) en satires.

Matteo Bandello (1485-1561) publiceerde een uitgebreide collectie romans. In tegenstelling tot Boccaccio zit er geen raamvertelling meer in. Bandello's novellen waren internationaal zeer succesvol. Shakespeare gebruikte ze bijvoorbeeld als een literaire schatkamer die hij raadpleegde voor zijn drama's.

De schilder en architect Giorgio Vasari (1511-1574) schreef een belangrijke collectie kunstenaarsbiografieën.

Torquato Tasso (1544-1595) schreef het ridderepos "Rinaldo". Zijn belangrijkste werk is "La Gerusalemme liberata" (Jeruzalem verlost, 1580). Het epos werd zonder Tasso's toestemming gepubliceerd en hij bewerkte het verder tot "Gerusalemme Conquistata", Het veroverde Jeruzalem" (1593).

De intellectuelen van die tijd vonden ook hun weg naar de literatuurgeschiedenis. Giordano Bruno (1548-1600), normaal gesproken bekend als filosoof en wetenschapper, publiceerde in 1582 de komedie "Candelaio" (De kaarsenmaker). Galileo Galilei (1564–1642) publiceerde een groot deel van zijn wetenschappelijke werk niet in het Latijn, zoals in die tijd gebruikelijk was, maar in gepolijst Italiaans.

17e eeuw Kenmerkend voor het literaire streven in deze periode is "Argutia" (vindingrijkheid/scherpte). Er worden pogingen gedaan om teksten in barokke pracht en praal te verfraaien, waarbij metaforen de belangrijkste literaire kunstgreep zijn. Instructies zijn te vinden in Emanuele Tesauros (1592-1675) Cannocchiale Aristotelico ("Aristotelische telescoop"), dat in die tijd behoort tot de meest gelezen poëzie. De oudheid is niet langer de absolute norm, maar een model dat kan worden uitgebreid en verbeterd. Alessandro Tassoni (1565-1635) bedacht het heroïsch-komische epos met La secchia rapita (De gestolen emmer, 1615/1622), een parodie op het conventionele epos.

De belangrijkste figuur van het tijdperk is Giambattista Marino (1569-1625), die zowel grote bewondering als harde kritiek kreeg. Hij kreeg talrijke imitators in Italië, de zogenaamde "marinisten" (bijvoorbeeld Giovanni Francesco Loredano), en gaf ook zijn naam aan de marinistische beweging. Van zijn kant oefende het marinisme dan weer een grote invloed uit op de Duitse barokliteratuur (bijv. Von Hoffmannswaldau en Von Lohenstein). De discussie over de vraag of Marino ook in Spanje invloed heeft gehad, of dat andersom Spaanse auteurs hem hebben beïnvloed, is echter nog steeds aan de gang. Marino werkte voornamelijk in Parijs, waar hij poëzie en het grote epische gedicht "Adone" (Adonis) schreef.