thumb|Een nieuw standbeeld, gemaakt door Nicola Hicks, werd in 1985 neergezet in Battersea Park. De Brown Dog-affaire (bruinehondaffaire) was een politieke discussie over vivisectie die van 1903 tot 1910 in Engeland woedde. De affaire ging over de infiltratie door Zweedse feministen van medische hoorcolleges op de onderzoeksuniversiteit University of London, georganiseerde gevechten tussen geneeskundestudenten en de politie, politiebescherming voor het standbeeld van een hond, een smaadzaak in het gerechtsgebouw in Londen en de benoeming van een parlementaire onderzoekscommissie om het gebruik van dieren voor experimenten te onderzoeken. De affaire werd een geruchtmakende zaak die het land verdeelde.
De discussie werd in februari 1903 aangezwengeld door beschuldigingen dat William Bayliss van de sectie fysiologie van de University College London voor een groep van 60 geneeskundestudenten een illegale vivisectie had uitgevoerd op een bruine terriër. Volgens Bayliss en zijn team was de hond voldoende verdoofd. Volgens de Zweedse activisten was de hond bij bewustzijn en had de hond zich verzet. De procedure werd veroordeeld als wreed en onwettig door de National Anti-Vivisection Society (Britse nationale vereniging tegen vivisectie). Bayliss, wiens onderzoek bij honden tot de ontdekking van hormonen had geleid, was verontwaardigd door de aanval op zijn reputatie. Hij startte een smaadzaak en won.
Tegenstanders van vivisecties gaven de opdracht voor het maken van een bronzen beeld van een hond als gedenkteken dat in 1906 onthuld werd op het recreatieterrein Latchmere Recreation Ground in de stadswijk Battersea. Geneeskundestudenten waren geërgerd door het provocerende gedenkplaatje waarop stond “Mannen en vrouwen van Engeland, hoe lang zullen deze dingen doorgaan?” Dit leidde tot veelvuldig vandalisme van het gedenkteken waardoor het beeld 24 uur per dag door de politie moest worden beschermd tegen de zogenaamde ‘hondentegenstanders’. Op 10 december 1907 liepen honderden geneeskundestudenten door het centrum van Londen en hielden beeltenissen van de bruine hond op stokken omhoog. Zij raakten slaags met suffragettes, vakbondsleden en driehonderd politieagenten, een van de vele confrontaties die bekend zijn als de Brown Dog-rellen.
In maart 1910 had de gemeenteraad van Battersea genoeg van de discussie en stuurde vier gemeentewerkers vergezeld door 120 politieagenten naar het gedenkteken om het midden in de nacht te verwijderen. Nadat het gedenkteken was verwijderd, werd het naar verluidt omgesmolten door een gemeentesmid, ondanks dat een petitie voor het behoud van het gedenkteken 20.000 keer was getekend. Een nieuw standbeeld van een bruine hond dat in opdracht van tegenstanders van vivisectie was gemaakt, werd in 1985 in Battersea Park neergezet.
Achtergrond Cruelty to Animals Act 1876 (Wet tegen dierenmishandeling) thumb|100px|Claude Bernard (1813-1878) Tijdens de regeerperiode van Koningin Victoria (1837 – 1901) bestond er in Engeland in zowel het Lagerhuis als het Hogerhuis een behoorlijke weerstand tegen vivisectie. Koningin Victoria was zelf een fervent tegenstandster van vivisectie. De term vivisectie verwijst naar het ontleden van levende dieren met en zonder verdoving waar vaak geneeskundestudenten bij aanwezig zijn. In 1878 waren er minder dan 300 experimenten op dieren in het Verenigd Koninkrijk, een aantal dat in 1903 was toegenomen tot 19.084 toen er een vivisectie werd uitgevoerd op de bruine hond (volgens de inscriptie op het tweede standbeeld voor de bruine hond) en tot vijf miljoen in 1970.
In de negentiende eeuw werden fysiologen vanwege hun werk vaak bekritiseerd. De bekende Franse fysioloog Claude Bernard schijnt de afkeer van zijn critici, onder wie zijn vrouw, te hebben gedeeld, door te verwijzen naar “de wetenschap van het leven” als een “imposante en schitterend verlichte hal die alleen bereikt kan worden via een lange en afschuwelijke keuken". In 1875 richtte de Ierse feministe Frances Power Cobbe de National Anti-Vivisection Society (NAVS) op in London en in 1898 de British Union for the Abolition of Vivisection (BUAV). De eerste antivivisectievereniging streefde naar beperking van vivisectie en de tweede naar de afschaffing daarvan. thumb|100px|Frances Power Cobbe (1822-1904) De weerstand was voor de Britse regering reden om in juli 1875 de eerste parlementaire onderzoekscommissie in te stellen om advies uit te brengen over de “praktijk van het onderwerpen van levende dieren aan experimenten voor wetenschappelijke doeleinden”. Nadat de onderzoekscommissie had vernomen dat onderzoekers verdoving niet regelmatig gebruikten – een onderzoeker, Emmanuel Klein, had de onderzoekscommissie verteld dat hij zich “totaal niet bekommerde om het leed van de dieren” – adviseerde de onderzoekscommissie een aantal maatregelen, waaronder een verbod op experimenten met honden, katten, paarden, ezels en muildieren. De General Medical Council en het medisch tijdschrift British Medical Journal maakten daar bezwaar tegen en daarom werd in plaats daarvan aanvullende bescherming ingevoerd. Het resultaat was de Cruelty to Animals Act 1876 (Wet tegen dierenmishandeling uit 1876), die door de NAVS werd bekritiseerd als “schandelijk maar goed benoemd”.
In de wet was bepaald dat onderzoekers niet konden worden vervolgd voor mishandeling, maar dat het dier verdoofd moest zijn, tenzij de verdoving het doel van het experiment hinderde. Elk dier kon slechts een keer gebruikt worden, hoewel verschillende procedures die als onderdeel van hetzelfde experiment werden beschouwd waren toegestaan. Het dier moest na het einde van het onderzoek worden gedood, tenzij dit het doel van het experiment zou frustreren. Vervolgingen konden alleen plaatsvinden met goedkeuring van de minister van Binnenlandse Zaken. Ten tijde van de Brown Dog-affaire was dit Aretas Akers-Douglas die weinig begrip had voor het doel van de tegenstanders van vivisectie.
Ernest Starling en William Bayliss thumb|100px|Ernest Starling (1866-1927) In het begin van de twintigste eeuw voerden Ernest Starling, professor in de fysiologie aan de University College London, en zijn zwager William Bayliss vivisectie op honden uit om te bepalen of het zenuwstelsel de afscheiding van alvleeskliersappen reguleert, zoals was verondersteld door Ivan Pavlov. Bayliss had sinds 1890 een vergunning om vivisecties uit te voeren en gaf sinds 1900 les in fysiologie. Volgens de biograaf van Starling, John Henderson, waren Starling en Bayliss “dwangmatige experimentatoren”, en was het laboratorium van Starling het drukste laboratorium in Londen. thumb|100px|William Bayliss (1860-1924) De mannen wisten dat de alvleesklier spijsverteringsenzymen produceerde als reactie op het zuurgehalte in de twaalfvingerige darm en de nuchtere darm omdat de voedselbrij vanuit de maag daarin terechtkwam. Door het doorsnijden van de zenuwen in de twaalfvingerige darm en de nuchtere darm van verdoofde honden, waarbij de bloedvaten intact werden gelaten, en door daarna zuur in de twaalfvingerige darm en de nuchtere darm in te brengen, ontdekten zij dat het proces niet tot stand wordt gebracht door het zenuwstelsel maar door een nieuw type chemische reactie. Zij noemden de chemische boodschapper secretine, omdat het door het darmslijmvlies wordt afgescheiden en in de bloedbaan terechtkomt waardoor de alvleesklier door de bloedsomloop wordt gestimuleerd. In 1905 verzon Starling de term hormone – afkomstig van het Griekse hormao ὁρµάω dat 'ik wek op' of 'ik prikkel' betekent – om chemicaliën zoals secretine te omschrijven die in staat zijn om in extreem kleine hoeveelheden andere organen vanaf een afstand te stimuleren.
Bayliss en Starling hadden vivisectie op verdoofde honden ook gebruikt om in 1899 peristaltiek te ontdekken. Zij ontdekten ook verschillende andere belangrijke fysiologische verschijnselen en beginselen. Vele daarvan waren gebaseerd op hun eigen experimentele werk met betrekking tot vivisectie op dieren.
Lizzy Lind af Hageby en Leisa Schartau thumb|100px|Lizzy Lind af Hageby (1878-1963) De colleges van Starling en Bayliss waren in het geheim bijgewoond door twee Zweedse feministen en tegenstandsters van vivisectie, Lizzy Lind af Hageby en Leisa Schartau. De vrouwen kenden elkaar al sinds hun jeugd en kwamen uit voorname families. Lind af Hageby had onderwijs gevolgd op het Cheltenham Ladies' College en was de kleindochter van een kamerheer van de koning van Zweden.
In 1900 bezochten de vrouwen het Pasteur-instituut in Parijs, een centrum van experimenten met dieren. Zij waren geschokt door de kamers vol met gekooide dieren die door de onderzoekers werden besmet met ziektes. Toen zij thuiskwamen, richtten zij de Zweedse vereniging tegen vivisectie op en, om medische kennis te verwerven ter ondersteuning van hun campagne, schreven zij zich in 1902 in bij de London School of Medicine for Women, een universiteit waar geen vivisecties werden uitgevoerd en die een uitwisselingsprogramma met andere universiteiten had. Zij waren aanwezig bij honderd hoorcolleges en demonstraties op de Britse universiteiten King's College en University College in Londen, waaronder vijftig experimenten met levende dieren. Twintig van die experimenten waren, zoals schrijver Peter Mason die in zijn boek The Brown Dog Affair noemt, “volledige vivisecties”. Hun dagboek dat eerst Eye-Witnesses (Ooggetuigen) heette, werd later gepubliceerd onder de naam The Shambles of Science: Extracts from the Diary of Two Students of Physiology (1903); shambles is een naam voor een slachthuis. De vrouwen waren aanwezig toen vivisectie op de bruine hond werd uitgevoerd en schreven er een hoofdstuk over dat als titel "Fun” (Vermaak) had, verwijzend naar het gelach dat zij naar eigen zeggen tijdens de procedure hadden gehoord in de collegezaal.
De bruine hond Vivisectie op de hond thumb|Deze reconstructie werd aan de rechtbank getoond met William Bayliss die achter een hond op een operatieplank staat met rechts van hem, Ernest Starling, Henry Dale en Charles Scuttle, de laborant.
Volgens Starling was de bruine hond “een kleine bruine bastaard verwant aan een terriër van ongeveer 6 à 7 kilo met kort nogal ruw haar”. In december 1902 werd hij voor het eerst voor een vivisectie gebruikt door Starling die zijn buik opensneed en de alvleesklierbuis afbond. De daaropvolgende twee maanden leefde hij in een kooi totdat Starling en Bayliss hem op 2 februari 1903 weer gebruikten voor twee behandelingen, de dag waarop de Zweedse vrouwen aanwezig waren.
Volgens de getuigenverklaringen die Starling en anderen in de rechtbank aflegden, sneed Starling de hond, buiten de collegezaal voordat de studenten arriveerden, weer open om de resultaten van de eerdere operatie te onderzoeken. Dat duurde ongeveer 45 minuten waarna hij de wond afklemde met een tang en de hond aan Bayliss gaf. Bayliss maakte een nieuwe opening in de nek van de hond om de tongzenuwen van de speekselklieren bloot te leggen waar hij elektroden aan bevestigde. Het doel was om de zenuwen met elektriciteit te stimuleren om te demonstreren dat speekseldruk niet afhankelijk was van de bloeddruk. Vervolgens werd de hond naar de collegezaal gedragen, uitgestrekt op zijn rug op een operatieplank met zijn poten vastgebonden aan de plank, zijn hoofd vastgeklemd en zijn bek gemuilkorfd.