Leermos (Peltigera) is een schimmelgeslacht van ongeveer vijftig soorten bladvormige korstmossen uit de familie Peltigeraceae. Leermossoorten worden soms ook hondenkorstmossen genoemd.

De meeste leermossoorten hebben het blauwwier Nostoc als de dominante fytobiont, maar sommige hebben de groene alg Coccomyxa, in welk geval ze ook kleine galachtige gezwellen hebben die Nostoc bevatten. Vanwege hun vermogen om stikstof uit de atmosfeer te binden, zijn dergelijke korstmossen van invloed op de samenstelling en vorming van de bodem.

Beschrijving Leermossoorten zijn bladvormige korstmossen en hebben breed gelobde thalli. Hoewel de grootte van de thalli variabel en soortafhankelijk is, kunnen de thalli bij sommige soorten tot 30 cm in diameter groot worden. De kleur van het bovenoppervlak kan variëren van grijs, bruin of groenachtig. Lagere oppervlakken zijn meestal zonder cortex (in tegenstelling tot andere bladvormige korstmossen) en donzig, vaak met schimmeldraden die zijn samengegroeid tot een netwerk van aders. De voortplantingsstructuren isidiën, soralen of lobben kunnen bij sommige soorten aanwezig zijn. Alle soorten Peltigera associëren met de stikstofbindende cyanobacteriën Nostoc.

Ecologie De meeste soorten uit het geslacht groeien terricool maar kunnen in veel delen van de wereld ook lignicool, epifytisch of epilitisch voorkomen.

P. didactyla is een veel voorkomende pioniersoort op verstoorde bodems en voedselarme graslanden in West-Europa. Op Deception Island in de South Shetlands-archipel, werd P. didactyla op grote schaal gevonden op as van vulkaanuitbarstingen, die plaatsvonden in de late jaren 1960 en 1970.

Taxonomie In 1753 vermeldde Carl Linnaeus de soorten Lichen apthosus en Lichen caninus in Species plantarum, toen 'hij alle bekende korstmossen opnam in het geslacht Lichen. In 1787, beschreef Willdenow het geslacht Peltigera en beschreef hij P. aphthosa en P. canina opnieuw. De geslachtsnaam is afgeleid van het Latijnse pelta (klein schild) en verwijst naar het schildvormige thallus in deze soorten.

Fylogenie In een vergelijkende analyse van zowel morfologische en chemische kenmerken als sequenties van nucleair ribosomaal DNA van grote subeenheden, werd aangetoond dat het geslacht Peltigera monofyletisch is.

Verspreiding Leermossoorten hebben een groot verspreidingsgebied en zijn te vinden op alle continenten. Er zijn 34 Noord-Amerikaanse soorten, 30 Europese soorten, 25 soorten uit Zuid-Amerika en 16 soorten uit Nieuw-Zeeland. In Nederland zijn 14 soorten bekend, te weten: appelgroen leermos bleekgroen leermos duinleermos gebobbeld leermos grasgroen leermos grof leermosVerwant aan Peltigera praetextata, maar zonder isidieën en met vruchtlichamen. In het buitenland worden deze soort meestal niet apart van P. praetextata onderscheiden. groot leermos kaal leermos klein leermos ruig leermos soredieus leermos vertakt leermos zadelleermos zwart leermos

Gebruik Leermossoorten worden van oudsher gebruikt om wonden, urinewegaandoeningen, spruw, tuberculose en hondsdolheid te behandelen. P. apthosa werd gebruikt als middel tegen hoest en infantiele aften. P. furfuracea heeft een krachtige antioxiderende activiteit en een verminderend vermogen getoond. Evenzo is gemeld dat Peltigera-exemplaren uit Hawaï en IJsland een uitgesproken antioxiderende werking vertonen.

Voedselbron Hoewel in enkele rapporten wordt beschreven dat kariboes en rendieren zich voeden met de thalli van leermossen, worden ze in het algemeen niet algemeen gebruikt als voedselbron door zoogdieren. Een studie van de graasgewoonten van de landslakken Cantareus aspersa en Limax-soorten onthulde dat deze slakken de voorkeur geven aan Peltigera-soorten (zoals P. praetextata) die geen secundaire metabolieten hebben.

Bioactieve verbindingen Peltigera leucophlebia bevat de verbindingen tenuiorin en methyl-orsellinate, die remmend werken op het enzym 15-lipoxygenase. Tenuiorin komt ook voor in P. apthosa, P. malacea en P. neckeri. Er is een mengsel van methyl- en ethyl-orsellinaten geïdentificeerd uit P. aphthosa dat antibacteriële activiteit had tegen Gram-positieve en -negatieve bacteriën. De nieuwe niet-eiwit aminozuren solorinine en peltigerine zijn gedetecteerd in verschillende soorten Peltigera.

Soorten Volgens Index Fungorum telt het geslacht 54 soorten (peildatum februari 2024): Soortnaam Auteur(s) Publicatiejaar Peltigera aphthosa (grasgroen leermos) (L.) Willd. 1787 Peltigera aquatica Miadl. & Lendemer 2014 Peltigera britannica (Gyeln.) Holt.-Hartw. & Tønsberg 1983 Peltigera canina (groot leermos) (L.) Willd. 1787 Peltigera castanea Goward, Goffinet & Miadl. 2003 Peltigera chionophila Goward & Goffinet 2000 Peltigera collina (Ach.) Schrad. 1801 Peltigera degenii Gyeln. 1927 Peltigera didactyla (soredieus leermos) (With.) J.R. Laundon 1984 Peltigera dilacerata (Gyeln.) Gyeln. 1932 Peltigera dolichorhiza (Nyl.) Nyl. 1888 Peltigera elisabethae Gyeln. 1927 Peltigera extenuata (vertakt leermos) (Nyl. ex Vain.) Lojka 1886 Peltigera fibrilloides (Gyeln.) Vitik. 1998 Peltigera fimbriata Vitik., Sérus., Goffinet & Miadl. 2009 Peltigera gowardii Lendemer & O'Brian 2011 Peltigera granulosa Sérus., Goffinet, Miadl. & Vitik. 2009 Peltigera horizontalis (zadelleermos) (Huds.) Baumg. 1790 Peltigera hydrophila W.R. Buck, Miadl. & N. Magain 2020 Peltigera hydrothyria Miadl. & Lutzoni 2000 Peltigera hymenina (kaal leermos) (Ach.) Delise 1830 Peltigera isidiophora L.F. Han & S.Y. Guo 2015 Peltigera islandica T. Goward & S.S. Manoharan-Basil 2016 Peltigera koponenii Sérus., Goffinet, Miadl. & Vitik. 2009 Peltigera lactucifolia (bleekgroen leermos) (With.) J.R. Laundon 1984 Peltigera lairdii C.W. Dodge & E.D. Rudolph 1955 Peltigera latiloba Holt.-Hartw. 2005 Peltigera lepidophora (Vain.) Bitter 1904 Peltigera leptoderma Nyl. 1860 Peltigera leucophlebia (bleekgroen leermos) (Nyl.) Gyeln. 1926 Peltigera malacea (appelgroen leermos) (Ach.) Funck 1827 Peltigera membranacea (gebobbeld leermos) (Ach.) Nyl. 1887 Peltigera montis-wilhelmii Sérus., Goffinet, Miadl. & Vitik. 2009 Peltigera neckeri (zwart leermos) Hepp ex Müll. Arg. 1862 Peltigera neodegenii L.F. Han, S.Y. Guo & X.M. Xu 2018 Peltigera papuana Sérus., Goffinet, Miadl. & Vitik. 2009 Peltigera polydactylon (Neck.) Hoffm. 1789 Peltigera ponojensis (duinleermos) Gyeln. 1931 Peltigera praetextata (ruig leermos) (Flörke ex Sommerf.) Zopf 1909 Peltigera pulverulenta (Taylor) Nyl. 1860 Peltigera pusilla (Fr.) Körb. 1855 Peltigera rufescens (klein leermos) (Weiss) Humb. 1793 Peltigera scabrosa Th. Fr. 1860 Peltigera scabrosella Holt.-Hartw. 1988 Peltigera seneca Magain, Miadl. & Sérus. 2016 Peltigera serusiauxii Magain, Miadl., Goffinet & Ant. Simon 2020 Peltigera shennongjiana L.F. Han & S.Y. Guo 2019 Peltigera sorediifera (Nyl.) Vitik. 2008 Peltigera subhorizontalis Gyeln. 1932 Peltigera tartarea (Llano) Vitik. 2006 Peltigera tereziana Gyeln. 1928 Peltigera venosa (L.) Hoffm. 1789 Peltigera weberi Sérus., Goffinet, Miadl. & Vitik. 2009 Peltigera wulingensis L.F. Han & S.Y. Guo 2013

Synoniemen Antilyssa Haller ex M.Choisy (1929) Byrsalis Neck. ex Kremp. (1869) Chloropeltigera (Gyeln.) Gyeln. (1934) Chloropeltis Clem. (1909) Hydrothyria J.L.Russell (1856) Peltidea Ach. (1803) Peltideomyces E.A.Thomas (1939) Peltigera sect. Chloropeltigera Gyeln. (1932) Peltigeromyces E.A.Thomas ex Cif. & Tomas. (1953) Peltophora Clem. (1909) Placodion P.Browne ex Adans. (1763)

Categorie:Peltigeraceae Categorie:Schimmelgeslacht