thumb|150px|Georges Dumézil Georges Dumézil (Parijs, 4 maart 1898 - aldaar, 11 oktober 1986) was een Franse linguïst, mytholoog en godsdienstwetenschapper. Hij werkte als hoogleraar aan de Universiteit van Istanboel en de École pratique des hautes études. Het grootste deel van zijn leven deed hij onderzoek naar de Indo-Europese samenleving. Volgens Dumézil was Anatolië de bakermat van deze beschaving, die zich dan over een groot deel van Europa en Azië uitstrekte.Ook het Nederlands komt uit Turkije: Nemo kennislink. Gearchiveerd op 29 november 2022. Latere onderzoekers, zoals Marija Gimbutas, legden de Indo-Europese oorsprong echter in Zuid-Rusland.

Dumézil ontwikkelde een theorie, de Indo-Europese godentrias, die de maatschappij van de vroegste volkeren en hun godenverering uit probeerde te leggen. Hij kreeg hierdoor wereldfaam en zijn werk was van grote invloed op het gebied van vergelijkende mythologie en Indo-Europese studies.

Jeugd Georges Dumézil groeide op in Parijs, als zoon van Jean Anatole Dumézil en Marguerite Dutier. Zijn vader was generaal in het Franse leger. Van kinds af aan was hij dol op verhalen. Als achtjarige kon Georges al Duits lezen en droomde weg in de wereld van de Argonauten en Heracles.George Dumézil over zijn leven: Dumézil par lui même. Gearchiveerd op 21 mei 2023. Als twaalfjarige las hij over de heldendaden van Aeneas in de Franse vertaling, verdiepte zich in de Griekse en Germaanse mythologie en wist de hand te leggen op een Arabische woordenlijst. Al vroeg ontdekte hij in zichzelf een grote passie voor het doorgronden van de grammatica.

Hij kreeg zijn opleiding aan elitelycea in Parijs, waar hij binnen korte tijd het Oudgrieks en Latijn meester was. De taalkundige Michel Bréal was van grote invloed op hem. Hij gaf hem op vijftienjarige leeftijd een woordenboek Sanskriet en stimuleerde Dumézil om deze taal te gaan studeren. Bréals kleinzoon werd tevens op het Lycée Louis-le-Grand goed bevriend met Dumézil. Als leerling aan het Lycée Louis-le-Grand las hij de werken van de Franse comparatist Antoine Meillet. Die bracht hem in aanraking met de Iraanse talen en Indo-Europese linguïstiek, waarbij Dumézil meer geïnteresseerd was in mythologie dan in de linguïstiek zelf. In 1916 slaagde hij voor het toelatingsexamen van de École normale supérieure (ENS) en schreef hij zich in, maar kreeg een oproep om dienst te nemen in het lege. Hij werd in 1917 gemobiliseerd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht hij als artillerie-officier aan het front. Vanwege zijn inzet ontving hij het Croix de Guerre.Over Dumézil: Collège de France. Gearchiveerd op 24 mei 2022. Pas een jaar na de oorlog keerde hij terug naar het ENS.

Toen hij nog gelegerd was aan het front en een nacht de slaap niet kon vatten, stond hij op om nog wat gedachten op te schrijven, voor het geval dat hij de volgende dag zou sneuvelen.

Loopbaan

Begin carrière Na de oorlog gaf Georges Dumézil, in 1920, enkele maanden les in Beauvais. In 1921 doceerde hij Frans aan de Universiteit van Warschau en ging tegelijkertijd door met zijn onderzoek naar literatuur in het Sanskriet. Hij zag sterke gelijkenissen met het werk van de Romeinse dichter Ovidius en kwam tot de conclusie dat beide talen (Sanskriet en Latijn) geworteld waren in een gemeenschappelijke Indo-Europese erfenis.

In 1922 keerde hij terug naar Frankrijk om zijn onderzoek in de geschiedenis van religies en vergelijkende mythologie aan te vatten. In 1924 behaalde Georges Dumézil zijn PhD in vergelijkende godsdienstwetenschappen met het proefschrift Le festin d’immortalité (Het feest van de onsterfelijkheid). Hij beschreef hierin het gebruik van gewijde drank bij rituelen in de Indo-Iraanse, Germaanse en Slavische godsdienst.

Van 1925 tot 1931 werkte Dumézil als hoogleraar Godsdienstwetenschappen aan de Universiteit van Istanbul. Mustafa Kemal Atatürk had vernomen dat er in Frankrijk een strikte scheiding was (in het onderwijs) tussen kerk en staat : het z.g. laïcisme. Atatürk wilde dit systeem ook gebruiken om de macht van zijn moslimlandgenoten in te perken. Dumézil stichtte een faculteit, waar, als enige ter wereld, volledige vrijheid heerste om welke religie dan ook te bestuderen.Toespraak bij toetreding Dumézil Academie Francaise: Académie Française. Gearchiveerd op 6 december 2022. Op verzoek van de decaan van de Letterenfaculteit, nodigde Dumézil zijn leermeester en landgenoot Meillet uit om een gastcollege te komen geven aan de universiteit in Istanbul

Hij maakte zich het Armeens en het Ossetisch eigen en een aantal andere, niet-Indo-Europese talen die in de Kaukasus werden gesproken, zoals Oebychs, Circassisch en Abchazish. Zo was hij in staat om de Nart-sagen te bestuderen. Deze vertellingen zijn voor de Kaukasus even belangrijk als de Griekse mythologie voor het Westen. Tweeënnegentig verhalen over de Narts met paarden en tovenaars, waardoor de oude cultuur van volkeren, die bijna waren uitgestorven, bleef voortbestaan.Over de Kaukasus mythologie: Wegwijs-ardennen. Gearchiveerd op 14 juli 2023.

Hij zag parallellen tussen de Griekse en Indo-Iraanse geesteswereld. Zo hadden de Grieken afbeeldingen van personen, met het lichaam van een paard en het hoofd van een mens. De oude Indiërs verbeelden het wezen andersom: het lichaam van een mens, het hoofd van een paard of een ander dier. De Grieken noemde de figuur een centaur en de Indiërs een Gandharva. Hij schreef er een boek over, Le problème des centaures (1929), maar twijfelde achteraf, of hij wel op het goede spoor zat.

In 1930 publiceerde hij La préhistoire indo-iranienne des castes. Bestudering van teksten in het Avestisch, Perzisch, Grieks, Ossetisch en Arabisch leidde hem tot de conclusie dat er al in het Indo-Iraanse gebied een kastenstelsel bestond, ver voor de tijd dat dit systeem zich door migratie tot in Zuid-Azië verspreid had.

Van 1931 tot 1933 werkte Dumézil als lector Frans aan de Universiteit van Uppsala samen met Otto Höfler, die onderzoek had verricht naar Germaanse groepen krijgers, ook wel bekend als de Comitatus. Hij verdiepte zich in het Zweeds en in de Scandinavische mythologie.

Eind jaren dertig verdiepte Dumézil zich in de Germaanse godenverering. Hij borduurde verder op het werk van Jan de Vries, die onder meer het standaardwerk De Germaansche Oudheid op zijn naam had staan. Dumézil kwam tot de ontdekking dat de vroeg-Germaanse samenleving op dezelfde sociale leest was geschoeid als de vroege Indo-Iraanse maatschappij. Hij vatte zijn bevindingen samen in het boek Mythes et dieux des Germains (1939).

Dumézil keerde in 1933 naar Frankrijk terug en kreeg een aanstelling bij de EPHE. Van 1935 tot 1968 was hij hoofd van de faculteit Vergelijkende Godsdienstwetenschappen. Naast lessen te nemen bij Marcel Mauss, woonde hij tevens colleges bij van de sinoloog Marcel Granet, wiens methodiek van godsdienstonderzoek Dumézil sterk inspireerde. Hij leerde Chinees en kon daardoor de Chinese mythologie doorgronden. Zijn faam als onderzoeker was hem vooruitgesneld, want toen Dumézil een keer bij Granet thuis kwam, verklaarde deze: "Ik had u al tien jaar geleden verwacht!

In 1934 schreef hij het boek Ouranos-Varuna over gelijkenissen tussen de Griekse mythologie (de god Uranus) en de Vedische tijd (de godheid Varuna). In Flamen-Brahman vergelijkt hij de rol van de Romeinse priester Flamen met die van Brahma in het oude India.

Na zoveel jaren taalkundig onderzoek verlegde Dumézil zijn koers. Er was een denkrichting die hem meer aansprak. De socioloog Marcel Mauss was zijn voorbeeld, want hij had onderzoek gedaan naar de sociale werkelijkheid in de vroegste tijden. De organisatie van de (antieke) samenlevingen met de verschillende klassen en hiërarchie en hoe deze terug te zien was in de mythologie.

Na de Tweede Wereldoorlog Na de Tweede Wereldoorlog vervolgde Dumézil zijn vergelijkende studie naar Vedische, Romeinse en Noordse mythologie. De godenwereld in het Iraanse taalgebied en Griekenland speelden een minder belangrijke rol in zijn werk. Op de EPHE werkte hij nauw samen met Claude Lévi-Strauss en Mircea Eliade. Ze werden beschouwd als de meest invloedrijke cultureel antropologen aller tijden. In 1948 besloot het Collège de France tot de oprichting van een nieuwe studierichting: Indo-Europese geschiedenis.

Eind jaren veertig schreef Dumézil nog een boek over de Indo-Europese invloed op het oude Rome L'héritage indo-europeen a Rome. Maar zijn twijfel over de universele theorieën van Durkheim en Lévi-Strauss groeide. Zij betoogden namelijk dat de godenwereld er overal ter aarde in grote lijnen hetzelfde uitzag. Dumézil had echter een aantal talen en mythologie van inheemse volkeren in Noord- en Zuid-Amerika bestudeerd en geconstateerd dat de drie-goden-eenheid bij deze stammen helemaal niet voorkwam. In 1955 bracht doceerde Dumézil een aantal maanden aan de Universiteit van Lima en bestudeerde de taal en godenleer van het Quecha. In 1958 verscheen van zijn hand L'idéologie tripartie des indo-européens, dat beschouwd wordt als de beste introductie van de ideeënleer van Dumézil. In 1975 trad hij toe tot de Académie française, op voordracht van Lévi-Strauss, die hem als volgt omschreef:

Ook na zijn pensionering ging Dumézil verder met zijn talenstudie. Hij zou meer dan 40 talen leren en was belangrijk voor het vastleggen van het Oebychs, waarvan geen geschriften bestonden, uit de mond van de laatste moedertaalsprekers. Op 7 oktober 1992 overleed de laatste moedertaalspreker, Tevfik Esenç.

Dankzij de inspanningen van Dumézil is er een hernieuwde belangstelling voor Indo-Europese studies, met name in de Verenigde Staten.Op latere leeftijd werd Dumezil een bekende persoonlijkheid in het openbare debat.

Dumézil stierf op de 11 oktober 1986 aan een hersenbloeding. Gedurende zijn leven schreef hij meer dan vijfenzeventig boeken en honderden wetenschappelijke artikelen. Hij had bewust afgezien van het schrijven van zijn memoires, omdat hij van mening was dat zijn wetenschappelijk werk zijn erfenis vormde.

Indo-Europese studies In het vergelijkend onderzoek van mythologische en religieuze thema’s in de oude Indo-Europese beschavingen bekleedt George Dumézil een belangrijke plaats: hij zocht naar functionele invarianten die als structuurkenmerken optreden en oversteeg hiermee het 19de-eeuwse comparatisme dat vooral steunde op formele gegevens (overeenkomsten tussen eigennamen, tussen verhalen, …). Dumézil benadrukte in zijn onderzoek het belang van de sociale structuren en voegde op die manier een antropologische dimensie toe aan de Indo-Europese taalkunde.

Comparatieve methode In zijn naar eigen zeggen ‘experimentele’ methode, gevoed door zijn brede kennis van culturen, zette Dumézil een erg omvattend en tegelijk ook gedetailleerd project op. Hij detecteerde transformatieprocessen van ideologie naar mythen enerzijds, en van mythen naar literaire vormen anderzijds. Door de vergelijking van de verschillende transformatieprocessen probeerde Dumézil een geschiedenis op te bouwen en linken te leggen tussen de culturen. Hij probeerde dus niet de geschiedenis als basis te nemen, maar vanuit de gevonden concordanties een geschiedenis op te bouwen.

De vergelijkende feiten in Dumézils onderzoek hebben nooit betrekking op geïsoleerde elementen: het gaat om gehelen en reeksen, om structuren, functies/rollen en verbanden tussen handelingen/attributen. De mogelijke gelijkenissen tussen verschillende culturen mogen volgens Dumézil niet automatisch worden herleid tot dezelfde stam. Indo-Europese bewegingen of evoluties distantieerde zich vaak van elkaar in zowel tijd als plaats. Alhoewel hij zelf ook aan reconstructie deed, waarschuwde hij met dit feit voor veralgemeningen. Zo kunnen elementen gelijkenissen vertonen, maar het kan slechts gaan om een parallelle evolutie en geen gezamenlijke geschiedenis.