Het Proto-Indo-Europese thuisland is het hypothetische thuisland of de Urheimat waar het Proto-Indo-Europees (PIE) zou zijn ontstaan. Sinds de ontdekking van het Sanskriet door westerse wetenschappers is de zoektocht naar dit thuisland, lange tijd beschouwd als de heilige graal van de Indo-Europese taalwetenschap, (1964): Die Sprache, Volume 10, p. 25 vaak beïnvloed door nationalistische tendensen.

Een doorbraak was de Koerganhypothese van Marija Gimbutas. Deze hypothese veronderstelt dat er in het laagland rond de Zwarte Zee en Zuidoost-Europa van het vijfde tot het derde millennium v.Chr. een vroege proto-Indo-Europese cultuur bestond, die het thuisland vormde van de proto-Indo-Europese talen sprekende culturen. De moderne archeogenetica heeft dit in grote lijnen bevestigd, en het thuisland kan nu met enige zekerheid in verband worden gebracht met de Kaukasus-Beneden-Wolgagradiënt in Zuid-Rusland.

Historische theorievorming Filologie De toespraak van William Jones in 1786 voor de Royal Asiatic Society of Bengal wordt veelal gezien als het begin van de historische taalkunde: (1786): 'The Third Anniversary Discourse delivered 2 February 1786. By the President [on the Hindus]' Het Sanskriet, hoe antiek het ook mag zijn, is van een wonderbaarlijke structuur: volmaakter dan het Grieks, overvloediger dan het Latijn, en verfijnder dan allebei die talen. Maar het vertoont met beide een sterkere verwantschap, in zowel de stammen van werkwoorden als in grammaticale vormen, dan mogelijkerwijs toevallig kan zijn ontstaan. Zo sterk is deze verwantschap dat geen filoloog ze alle drie kan bestuderen zonder te geloven dat ze zijn ontstaan uit een gemeenschappelijke bron.; (2001): Wetenschapsfilosofie voor geesteswetenschappen, Amsterdam University Press, p. 172-173

Bij een selecte groep, onder wie Voltaire en Johann Gottfried Herder, ontstond in Europa zelfs een Indomanie. Friedrich Schlegel zag India als de bakermat van de beschaving en Sanskriet als de moedertaal, een vroege vorm van de out-of-India-theorie. (1808): Über die Sprache und die Weisheit der Indier, Mohr und Zimmer Dit was wellicht mede ingegeven door zijn weerstand tegen de Bijbelse chronologie, waarin het Hebreeuws de moedertaal was waaruit alle andere talen volgden: een Bijbelse monogenese. In 1806 situeerde Johann Christoph Adelung het paradijs in Kasjmir en Tibet ten oosten van het Hof van Eden als het land van de nakomelingen van Kaïn. Hier zou de oudste taal vandaan komen, wat zou blijken uit de monosyllabische talen die er nog gesproken worden. (1806): Mithridates oder allgemeine Sprachenkunde mit dem Vater Unser als Sprachprobe in beynahe fünfhundert Sprachen und Mundarten, p. 8, 14 Adelung wist niet goed wat de verbanden tussen de verschillende talen waren, maar Thomas Young introduceerde in 1813 in een bespreking van het werk van Adelung het begrip Indoeuropean en situeerde de oorsprong ten zuidwesten van Kasjmir. (1813): 'Review of Mithridates, oder Allgemeine Sprachenkunde vol I-III:1 1806-1812' in The Quarterly Review X, p. 255

Vanaf deze periode lieten steeds meer taalkundigen het idee los dat er gezocht moest worden naar een Bijbelse monogenetische oorsprong. Franz Wüllner gaf aan dat er wellicht een verband was tussen alle talen, maar dat het vergeefse moeite was om de oertaal samen te stellen. (1838): Über die Verwandtschaft des Indogermanischen, Semitischen und Tibetanischen, nebst einer Einleitung über den Ursprung der Sprache, Theissing, p. 44

Het Proto-Indo-Europees werd toenemend als aparte taalfamilie gezien, zodat de zoektocht naar het Proto-Indo-Europees thuisland los kon worden gezien van de zoektocht naar de wieg van de mensheid. Het werd ook duidelijk dat Sanskriet niet de moedertaal was, iets wat Jones zelf al dacht en Franz Bopp en August Wilhelm von Schlegel concludeerden. (1816): Über das Conjugationssystem der Sanskritsprache in Vergleichung mit jenem der griechischen, lateinischen, persischen und germanischen Sprache, Andreäsche Buchhandlung (1842): Essais littéraires et historiques Ook de aanwezigheid van de Dravidische talen in het zuiden van India werd wel gezien als aanwijzing dat het Sanskriet niet de eerste taal was in India, maar later gearriveerd moest zijn. Mede door koloniaal racisme werd de Indomanie al snel gevolgd door een Indofobie. Niet iedereen geloofde echter in een thuisland buiten India. Zo schreef Mountstuart Elphinstone in 1841 dat er geen aanwijzingen waren van migratie in de Wet van Manu en de Veda's. (1841): History of India, Murray

Halverwege de negentiende eeuw werd India in het Westen echter niet meer als plausibele kandidaat gezien. Azië werd wel als zodanig gezien op basis van historische migraties, de ex oriente lux. In 1851 week Robert Gordon Latham hiervan af toen hij Europa het thuisland noemde op basis van de grotere taalvariëteit, zoals ook genencentra een grotere genetische variatie en soortenrijkdom kennen. (1851): The Germania of Tacitus, with ethnological dissertations and notes, Taylor, Walton, and Maberly, p. cxli-cxlii In 1862 kwam Latham uit op Litouwen. (1862): Elements of Comparative Philology, Walton and Maberly, p. 611 Jean d'Omalius d'Halloy zou volgens Daniel Garrison Brinton al sinds 1839 de Europese hypothese hebben gepropageerd. (1848): 'Observations sur la Distribution ancienne des peuples de la race blanche' in Bulletins de l'Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, tome XV (1890): Races and Peoples. Lectures on the science of ethnography, Hodges

De biologische benadering van Latham was voor de meeste taalkundigen echter onbekend terrein en vooralsnog bleef de Aziatische hypothese de meest waarschijnlijk geachte variant, waarbij Bactrië de voorkeur had. Ernest Renan stelde in 1858 dat de Bijbel de oorsprong in Centraal-Azië situeerde en kwam in combinatie met de Indo-Iraanse literaire traditie uit op Pamir. (1858): De l'origine du langage, Michel Levy

Deze a priori-aannames van een Aziatisch thuisland overheersten tot Adolphe Pictet in 1859 de linguïstische paleontologie introduceerde om de Urheimat te lokaliseren. Ook hij kwam daarbij tot de conclusie dat Bactrië het thuisland was. (1859-1863): Les origines indo-européennes ou les Aryas primitifs. Essai de paléontologie linguistique, Sandoz et Fischbacher Al snel werden echter cognaten in de Indo-Europese talen – woorden voor dieren en planten en ook woorden die zouden wijzen op een landbouwsamenleving dan wel een pastorale samenleving – gebruikt om het thuisland in de richting van Europa te verschuiven. Zo werd er decennialang gediscussieerd over het 'zalmargument' en over het 'beukenargument'. Dit laatste luidde als volgt: aangezien zowel de Europese tak als de Indo-Iraanse tak van de Indo-Europese taalfamilie cognaten van ‘beuk’ kent, moet er al in het Proto-Indo-Europees een woord hebben bestaan – gereconstrueerd als *bʰāg(ó) – waar al die cognaten van afstammen en kwam de referent van dat woord, de beuk, dus voor in het Proto-Indo-Europese thuisland. Daaruit valt weer af te leiden dat dit thuisland zich ten westen van de Zwarte Zee bevond, want ten oosten daarvan werd de beuk destijds niet aangetroffen.

Fedor Ivanovič Knauèr kwam in 1912 op basis van Sanskriet rasa en Oudperzisch raha, dat stromend water betekent, uit bij de Wolga. (1912): 'Der russische Nationalname und die indogermanische Urheimat' in Indogermanische Forschungen, Volume 31, p. 67—88

Dat het paard bekend was bij de Indo-Europeanen kreeg veel gewicht in de zoektocht naar een thuisland, al was het volgens Fraser de vraag of dit het wilde paard of de gedomesticeerde variant was.

Brinton stelde in 1890 een nieuwe aanpak voor, geïnspireerd door het idee van evolutie. Het flecterende Proto-Indo-Europees zou gevormd zijn door het mengen van niet-flecterende agglutinatieve talen. Dit zouden mogelijk Berbers en Baskisch zijn geweest.

Archibald Sayce zou vele malen van mening veranderen over de locatie van het thuisland en concludeerde in 1927 uit de kleitabletten uit het archief van Bogazköy in het oude Hattusa dat de Hettieten naast de eerste PIE-sprekers moesten hebben geleefd, waarmee de oorsprong in Klein-Azië (Anatolië) zou liggen. (1927): 'The Aryan Problem—fifty years later' in Antiquity, Volume 1, Issue 2, p. 204-215

De linguïstische paleontologie kreeg gezien de uiteenlopende conclusies steeds meer kritiek. In 1926 stelde John Fraser: [...] we find, in fact, that different investigators, equally competent, using the same method, and, roughly, the same material, have come to conclusions that differ wildly. (1926): 'Linguistic Evidence and Archaeological and Ethnological Facts' in Proceedings of the British Academy, Volume 12, p. 257–272

Daarnaast kan deze methode op zijn best een samengesteld beeld geven van deze samenleving en niet de verschillende fases bepalen. Het was ook niet meer dan een aanname dat het een homogeen volk betrof en dat er een enkel thuisland was.

Rassentheorie De rassentheorie kreeg aanvankelijk de nodige kritiek in Duitsland, maar voor de völkische Bewegung paste een Europees thuisland goed in de opkomende nationalistische geschiedschrijving.

Anders Retzius introduceerde in 1842 de schedelindex, waarbij hij onderscheid maakte tussen lang- en kortschedelige (ofwel dolichocefale en brachycefale) rassen. (1843): Om Formen af Nordboernes Cranier, P.A. Norstedt De kortschedelige Finnen en Basken zouden autochtone Europeanen zijn, afstammelingen van het Turanische ras. Arische invallers zouden de Turaniërs overweldigd hebben en de Zweden zouden de meest zuivere nakomelingen van de invallende blonde Aziaten zijn.

Lazarus Geiger zag in 1878 Duitsland als het thuisland, verbond taal aan ras en stelde dat Indo-Europeanen blonde haren en blauwe ogen hadden. (1878): Zur Entwicklungsgeschichte der Menschheit, Berlag Het idee van een Arisch ras kreeg daarna ruime navolging.

Theodor Pösche kreeg weinig steun voor zijn voorstel voor de Pripjatmoerassen (Rokytno) tussen Wit-Rusland en Oekraïne, maar zijn gebruik van antropologie kreeg wel navolging. (1878): Die Arier. Ein Beitrag zur historischen Anthropologie, Costenoble, p. 68 Het leek volgens Pösche een natuurwet dat langschedelige blonde mensen domineerden. Pösche kwam uit bij Rokytno vanwege de vermeende oorsprong van albinisme, dat hij verwarde met blondheid, en zag het Litouws als de oertaal. Bactrië was het niet, omdat migratie naar warmte en licht zou gaan en niet andersom.

De zoektocht naar het thuisland van het Proto-Indo-Europees thuisland werd doorweven met het wetenschappelijk racisme en er werden aan de hand van craniometrie en de schedelindex uitspraken gedaan over gesproken taal. Volgens Taylor was de koppeling tussen taal en ras vooral aan Max Müller te wijten, al wilde ook Taylor enig verband tussen taal en ras niet geheel uitsluiten. Müller kwam later terug op zijn eerdere uitspraken: I have declared again and again that if I say Aryas, I mean neither blood nor bones, nor hair nor skull; I mean simply those who speak an Aryan language. [...] To me an ethnologist who speaks of an Aryan race, Aryan blood, Aryan eyes and hair, is as great a sinner as a linguist who speaks of a dolichocephalic dictionary or a brachycephalic grammar. (1888): Biographies of Words and the Home of the Aryas, Longmans, Green

Ook Sayce zag niets in de verbinding tussen taal en ras. In een reactie op Hyde Clarke stelde Sayce: In short, society implies language, race does not (1876): 'On Language and Race' in The Journal of the Anthropological Institute of Great Britain and Ireland, Volume V