De Accademia di San Luca of de Accademia di belle arti di Roma is een vereniging van kunstenaars die werd opgericht in 1577 en actief werd onder Federico Zuccaro, haar eerste directeur, in 1593. Ze kreeg haar naam naar de heilige Lucas van wie werd aangenomen dat hij een portret van de Heilige Maagd schilderde.Accademia Nazionale di San Luca op de website van de Accademia. Gearchiveerd op 17 november 2021. De instelling is vandaag nog steeds actief.
thumb|Padovanino (1588-1649), Vanitas. Geschiedenis thumb|Giovan Domenico Cherubini, portret van Sofia Clerk, 1801 De Accademia di San Luca ontstond uit de antieke Università delle Arti della Pittura te Rome door een aantal evenementen in de vijftiende en zestiende eeuw. De eerste bekende statuten van de Universitas picturae [ac] miniaturae stammen uit 1478 en worden nog steeds bewaard in het archief van de academie. Ze bevatten een miniatuur die de heilige Lucas afbeeldt terwijl hij de statuten ontvangt van vier leden van de universiteit.
In 1577 werd de Universitas omgevormd tot de Accademia delle Arti della Pittura, della Scultura e del Disegno op initiatief van paus Gregorius XIII door de schilder Girolamo Muziano. De feitelijke transformatie vroeg heel wat tijd, onder meer door het overbrengen van de zetel van de gesloopte kerk van San Luca naar de Santa Martina die in 1588 werd toegewezen aan de academie door paus Sixtus V. In 1593 volgde dan een “symbolische” stichting van de academie door Federico Zuccaro.. Die presenteerde samen met Giovanni de Vecchi, Tommaso Laureti, Scipione Pulzone en waarschijnlijk Nicolò da Pesaro (il Trombetta) en Jacopo Rocchett de belangrijkste doelstellingen van de nieuwe vereniging aan de leden van de “Congregazione delli Pittori di Roma”.The History of the Accademia di San Luca, c. 1590–1635: Documents from the Archivio di Stato di Roma. Gearchiveerd op 30 oktober 2021. De academie werd gehuisvest in het speciaal voor haar gebouwde Palazzo Zuccari.
Het was pas in 1607 dat de eerste statuten werden goedgekeurd van de “academie van schilders en beeldhouwers”. In 1634, onder de leiding van Pietro da Cortona, werden de architecten tot de academie toegelaten met dezelfde rechten als de schilders en beeldhouwers. De statuten werden in de loop der eeuwen regelmatig aangepast, de laatste dateren van 2005. De naam werd in 1872 gewijzigd in Accademia reale … en in 1948 in Accademia nazionale ….
Tijdens de achttiende eeuw bereikte het prestige van de academie zijn hoogtepunt en wilden verscheidene Italiaanse en buitenlandse academies bij die van Rome aansluiten. Dankzij de rol die de academie speelde in het onderwijs van het tekenen en door het organiseren van concours bleef de academie lange tijd een belangrijke referentie voor de schone kunsten. Na de sluiting van de tekenscholen in 1873 begon ze stilaan de faam te verliezen die ze gedurende drie eeuwen had kunnen aanhouden.
thumb|School van Guido Reni, Het huwelijk van Bacchus en Ariane, na 1640.
Structuur De academie is ingedeeld in de klassen schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur, die gelijk vertegenwoordigd zijn in de groepen van Italiaanse en buitenlandse academici.
Er zijn negentig Italiaanse academici en dertig buitenlandse. Daarnaast zijn er nog de klassen van de Cultori en Benemeriti (verdienstelijken) .
De zesendertig Academici Cultori worden gekozen uit de kunst- en architectuurwetenschappers, zowel binnenlandse als buitenlandse, die zich bijzonder onderscheiden hebben in de studie van de kunst of architectuur. De vierentwintig Benemeriti worden gekozen uit mensen van alle nationaliteiten, die zich uitzonderlijk hebben ingezet voor de kunsten of met betrekking tot de Academie. De leiding van de Academie komt wordt beurtelings toegewezen aan een lid van een van de drie vertegenwoordigde kunsten. Tot de nieuwe statuten van 1812 werd hij Principe genoemd. De laatste die die titel droeg was Antonio Canova. Daarna werd de titel gewijzigd in Presidente.
thumb|Lavinia Fontana, Zelfportret aan het spinet, ca. 1577. Zetel De Accademia Nazionale di San Luca is gevestigd in het Palazzo Carpegna, dat vroeger eigendom was van de familie Carpegna, grenzend aan de Trevifontein. Het palazzo werd herbouwd door Francesco Borromini tussen 1643 en 1650. Na de Carpegna’s kwam het palazzo in 1731 terecht in de handen van de markies Emilio Orsini die het palazzo verder liet afwerken door de architect Francesco Ferrari. Na Orsini kwam het in het bezit van de families Patrizi Naro en Colligola Monthioni en vanaf het midden van de negentiende eeuw tot 1882 huisvestte het de familie van Luigi Pianciani, de eerste burgemeester van Rome na de eenwording van Italië. Ondanks de verbouwingen in de 18e en 19e eeuw zijn de resultaten van de tussenkomsten van Borromini en Ferrari hier en daar bewaard gebleven.
Tussen 1933 en 1934 werd het palazzo onder de directie van Gustavo Giovannoni en Arnaldo Foschini grondig aangepast om het geschikt te maken als zetel van de Academie van San Luca. De nieuwe zetel van de Academie werd ingehuldigd op 24 april 1934. Op het gelijkvloers zijn de zalen ingericht waarin men tentoonstellingen kan organiseren en ruimtes voor het bewaren van de collecties van tekeningen en boeken. Op de eerste verdieping zijn de kantoren voor de beheerders en het secretariaat gevestigd, een conferentieruimte en de raadzaal. Op de tweede verdieping vindt men de Biblioteca Romana Sarti, het historisch archief en de kantoren van de administratie. Het laatste verdiep herbergt de Galleria dell'Accademia, het museum van de Accademia en de gepantserde ruimtes waar de niet tentoongestelde schilderijen worden bewaard.
thumb|Lucas schildert de Maagd (detail) Embleem In 1705 werd het embleem, dat nog steeds gebruikt wordt, aangenomen door de academie. Het is een gelijkzijdige driehoek gevormd door het penseel voor de schilderkunst, de beitel voor de beeldhouwkunst en de passer voor de architectuur. Het embleem wordt bekroond door een cartouche waarin een twee woorden (aequa potestas) uit de Epistula ad Pisones van Horatius voorkomen. (Pictoribus atque poetis quidlibet audendi semper fuit aequa potestas vertaling: aan schilders en dichters is altijd de meest mogelijke vrijheid toegekend in het kiezen van hun onderwerp). Vanaf 1934 werd dit wapen geflankeerd door een nieuw wapen, dat de heilige Lucas voorstelt die de Maagd schildert.
Het schilderij van Lucas die de Heilige Maagd schildert, dat aan de basis lag van de naam van de Accademia en wordt nu nog steeds bewaard in het museum van de Accademia. Het werd lange tijd toegeschreven aan Rafaël. Het werk werd in 1593 door Zuccaro aan de Accademia geschonken zoals in 1604 werd beschreven in ‘L’Origine e progresso dell’Accademia di San Luca a Roma’ door Zuccaro in samenwerking met Romano Alberti. Rafaël werd evenwel niet genoemd als de originele schilder door Zuccaro, het eerste spoor van die toewijzing is een brief van Lelio Arrigoni, een artistiek agent van de hertog van Mantua, in een brief aan de hertog. Arrigoni specifieerde zelfs dat het werk door Rafaël was geschonken aan de voorloper van de Accademia, de schildersgilde van Sint Lucas. Nog een vroegere vermelding kwam onlangs aan het licht in notities van de Spaanse schilder Pablo de Céspedes uit 1570-1577.Hiroko Takahashi, Giorgio Vasari’s St Luke Painting the Virgin: a reconsideration of its possible sources.
Giovanni Baglione schrijft in zijn ‘Le vite de’ pittori, scultori, et architetti: dal pontificato di Gregorio XIII del 1572 in fino a’ tempi di Papa Urbano Ottavo nel 1642’ dat Zuccaro opdracht gaf aan Scipione Pulzone de Lucas van Rafaël te restaureren en er zich nadien behoorlijk boos over maakte dat Pulzone het werk gesigneerd had. Baglione vertelt ook dat een kopie van het werk gemaakt werd door Antiveduto Gramatica in 1623, om het werk van Rafaël dat als altaarstuk geplaatst was in de kleine kerk van San Luca sull'Esquilino, de eerste zetel van de universiteit, te vervangen en het originele werk van Rafaël te verkopen. De kopie werd gemaakt in opdracht van de Accademia om het origineel in de kerk te vervangen en zo te behoeden voor verdere schade en het in betere voorwaarden te bewaren. De kopie werd later overgebracht naar de kerk van de Santi Luca e Martina op het Forum Romanum. Het origineel wordt nu bewaard in de collectie van de Accademia in het palazzo Carpegna.
Op basis van de stijlkenmerken en compositie wordt het werk vandaag niet langer toegeschreven aan Rafaël, maar gaat men ervan uit dat het door Zuccaro zelf geschilderd werd.
thumb|Michele Arcangelo Migliarini, Athamas en de Furiën (1801). Collectie De collectie van de Accademia bestaat uit een groot aantal werken van historisch en artistiek belang, uit de periode tussen de 15e en de 20e eeuw. De collectie bevat meer dan duizend schilderijen, driehonderd sculpturen, vijfduizend vijfhonderd tekeningen en een groot aantal prenten en penningen. De verzameling is vrij heterogeen omdat er geen plan aan de verwerving van kunstwerken ten grondslag lag, maar dat ze vooral tot stand kwam door schenkingen van academici en particuliere verzamelaars.
Verder werd ieder nieuw lid van de vereniging geacht om bij zijn toetreding een kunstwerk en een portret af te staan. De zeer bezienswaardige eeuwenoude kunstverzameling die zo is ontstaan omvat onder meer ruim 500 portretten.
thumb| Adrien Manglard, Zeezicht, (Frankrijk, 1740-50). Principe Hierbij een lijst van de bijzonderste Principe van de Academie Federico Zuccaro, primo principe 1593 Tommaso Laureti, 1595 Giovanni De Vecchi, 1596 Cesare Nebbia, 1597 Durante Alberti, 1598 Flaminio Vacca, 1599 Cavalier d'Arpino, 1600, 1616, 1629 Girolamo Massei, 1603 Pietro Bernini, 1605, 1606 Paolo Guidotti, 1607, 1620 Gaspare Celio, 1609 Cherubino Alberti, 1611-1613 Ottavio Leoni, 1614-1615, 1627 Giovanni Baglione, 1617-1619 Gian Lorenzo Bernini, 1621, 1630 Agostino Ciampelli, 1623 Antiveduto Gramatica, 1624 Simon Vouet, 1624-1627 Baldassare Croce, 1628 Domenichino, 1629 Giovanni Lanfranco, 1631, 1632 Francesco Mochi, 1633 Pietro da Cortona, 1634-1636 Alessandro Turchi, 1637, 1638 Giovanni Francesco Romanelli, 1639 Alessandro Algardi, 1640 Girolamo Rainaldi, 1641-1643 Niccolò Menghini, 1645-1647 Giovanni Battista Soria, 1648-1650 Luigi Gentile da Bruxelles, 1651-1653 Pietro Martire Neri, 1654 Bernardino Gagliardi, 1655-1658 Nicolas Poussin, 1657 Raffaello Vanni, 1658-1660 Gaspare Morone, 1661 Pier Francesco Mola, 1662, 1663 Carlo Maratta, 1664-1665, 1699, 1706-1713 Giovanni Francesco Grimaldi 1666 Melchiorre Cafà, 1667 Orfeo Boselli, 1667 Pietro del Pò Giacinto Brandi 1669, 1684 Domenico Guidi, 1670, 1675 Giovanni Maria Morandi, 1671, 1680, 1685 Charles Errard, 1672, 1678 Carlo Rainaldi, 1673 Giovan Battista Gaulli, 1674 Carlo Cesi, 1675 Charles Le Brun, 1676-1677 Lazzaro Baldi, 1679 Mattia de Rossi, 1681, 1693 Luigi Garzi, 1682 Giovan Battista Contini, 1683, 1719 Filippo Lauri, 1686 Carlo Fontana, 1686, 1694 Ludovico Gimignani, 1688 Carlo Buratti, 1697 Giovan Battista Boncori, 1698 Charles-François Poerson, 1714, 1718 Benedetto Luti, 1720 Giuseppe Bartolomeo Chiari, 1723-1725 Antonio Valeri, 1726 Camillo Rusconi, 1727, 1728 Sebastiano Conca, 1729, 1739 Girolamo Teodoldi, 1734, 1742 Agostino Masucci, 1736-1738 Jean-François de Troy, 1744 Giovanni Battista Maini, 1746, 1747 Tommaso de Marchis, 1748 Francesco Mancini 1679-1758, 1750-1751 Filippo della Valle, 1752, 1760-1761 Ferdinando Fuga, 1753-1754 Giovanni Paolo Pannini, 1755 Pietro Bracci, 1756 Clemente Orlandi, 1757 Placido Costanzi, 1758 Mauro Fontana, 1762 Francisco Preciado de la Vega, 1764-1766, 1777-1778 Andrea Bergondi, 1767, 1779-1780 Anton Raphael Mengs, 1771-1772 Carlo Marchionni, 1773 Ferdinando Raggi, 1781 Anton von Maron, 1784 Agostino Penna, 1787-1789 Antonio Asprucci, 1790 Tommaso Conca, 1793