Het draagaltaar van Stavelot (Frans: autel portatif de Stavelot) is een draagbaar altaar dat eeuwenlang werd bewaard in de schatkamer van de Abdij van Stavelot en zich thans bevindt in het Museum Kunst & Geschiedenis in Brussel. Het altaar werd omstreeks 1160 vervaardigd in een Maaslands atelier. Het wordt beschouwd als een meesterwerk van middeleeuwse edelsmeed- en emailkunst.

Geschiedenis Draagbare altaren waren populair in de 12e en 13e eeuw en werden onder andere gemaakt voor reizen naar het Heilige Land of andere bedevaarten, om onderweg misvieringen te kunnen houden. Het werd dan bedekt met een linnen doek.

Over het ontstaan van het draagaltaar van Stavelot is weinig met zekerheid bekend. Sommige kunsthistorici schrijven het toe aan Godfried van Hoei, vanwege de vermeende verwantschap met de twee Hoeise schrijnen, het Domitianusschrijn en het Mengoldusschrijn. Andere kunsthistorici, waaronder Renate Kroos, noemen deze toeschrijving ongefundeerd en voorbarig. De Duitse kunsthistoricus Otto von Falke (1862-1942), die in 1932 als eerste een uitgebreide analyse gaf van het kunstvoorwerp, bedacht de noodnaam "Meester van het draagaltaar van Stavelot" (Meister des Tragaltars von Stavelot) voor de maker.

Ook over de opdrachtgever kan niets met zekerheid worden gezegd. Geopperd is dat de zeer ondernemende en kunstlievende abt Wibald van Stavelot (1098-1158) de hand had in de totstandkoming van het draagaltaar. Omdat sommige kunsthistorici uitgaan van een datering van 1150-1160 en anderen van 1160-1170, is het opdrachtgeverschap van Wibald geenszins een vaststaand feit.

Beschrijving

Het altaar heeft een lengte van 27,5 cm, een breedte van 17 cm en een hoogte van 10 cm. Het gaat om een houten kist die bedekt is met koperen platen, die werden verguld, gedreven en geëmailleerd.

Aan de bovenzijde is centraal een bergkristal aangebracht in een loculus (rechthoekige opening), waaronder een stukje perkament als reliek rust. Op het perkament is het drievoudig Sanctus uit het ordinarium van de mis geschreven. De loculus is onderdeel van een vierpas waarin voorstellingen in champlevé-techniek zijn aangebracht. In de bovenste lob van de vierpas: een vrouw met een kruis en een miskelk, als personificatie van de kerk. In de onderste lob: een geblinddoekte vrouw met een lans, een stok met een spons en een (doornen)kroon, als personificatie van de synagoge (zie: Ecclesia en Synagoge). Links: Samson, die de poorten van Gaza wegdraagt. Rechts: Jona, die uit de bek van de walvis wordt gered. Rondom de loculus staan in bruinvernis de verklarende woorden, met de klok mee: Ecclesia * Ionas * Sinagoga * Sanson. Rondom de vierpas zijn diverse taferelen uit de Passie van Jezus en thema's uit het Oude Testament aangebracht. Al deze voorstellingen houden verband met het offer van Christus en het misoffer.

De onderkant van het altaar is versierd met bloemen en ranken in bruinvernis. Een Grieks kruis wordt omgeven door een randschrift tussen twee cirkels. Het Latijnse randschrift luidt: Reliqvie Sanctorvm (relieken van heiligen). Welke relieken dat in het verleden zijn geweest, is niet bekend.

Op de zijwanden zijn twaalf voorstellingen aangebracht met de dood van de twaalf apostelen. Bij elf van de twaalf apostelen was dat de martelaarsdood. De laatstgestorven apostel, Johannes, stierf een vreedzame dood. Op de vier hoeken, bovenop de poten van het altaar en verbonden met de bodemplaat, zitten in brons gegoten figuren van de vier schrijvende evangelisten: Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes.

Zie ook Reliekhouder van paus Alexander Remaclusretabel Pinksterretabel Kruistriptiek van Stavelot

Categorie:Altaar (religie) Categorie:Christelijke kunst Categorie:Edelsmeedkunst Categorie:Maaslandse kunst Categorie:12e-eeuwse beeldende kunst Categorie:Stavelot Categorie:Kunstwerk in het Jubelparkmuseum