Jan Julius Schreuder (Hamburg, 12 februari 1704 - Batavia, 17 januari 1769) was van 1740 tot 1749 directeur van de VOC handelspost Suratte en van 1756 tot 1761 de 30e gouverneur van Ceylon.

Biografie Schreuder was de zoon van Jacob Schreuder en Geertruida Kennemers en was geboren in Hamburg. Hij werd uitgezonden door de VOC voor de VOC-kamer Amsterdam en arriveerde in 1727 als soldaat op het schip de Prattenburg in Indië. Hij verbleef tot 1740 in Batavia waar hij een opzienbarende carrière maakte. Overgegaan in civiele dienst werd hij in 1733 pakhuisboekhouder. In oktober 1734 werd hij benoemd tot onderkoopman. 24 juni 1736 werd hij factuurhouder op het Negotie Comptoir als koopman. 25 april 1738 negotie-boekhouder. Een jaar later werd hij benoemd tot tweede opperkoopman van het Kasteel Batavia, in eerste instantie op proef, daarna vast. 28 december 1739 werd hij eerste opperkoopman en kapitein van de pennisten (klerken en schrijvers).

Directeur van Suratte miniatuur|Het handelsgebied rond Suratte in 1747 Op 23 mei 1740 werd Schreuder aangesteld als directeur van de VOC handelsvestiging Suratte in Noordwest-India, als vervanger van Pieter Laurens Phoonsen. Deze was door zijn eigen politieke raad beschuldigd van verduistering en gevangen gezet. Met hulp van Indiërs was hij ontsnapt en naar de Britten in Bombay gevlucht, waar hij een paar jaar later overleed. Schreuder deed op verzoek van Batavia uitgebreid onderzoek naar deze zaak. De handelsvestiging was aan het begin van de zeventiende eeuw gesticht in deze havenplaats, enkele kilometers landinwaarts aan de Tapti rivier gelegen, om producten uit het achterland te verhandelen: indigo voor de Europese markt en manufacturen voor de specerijenhandel in de Molukken. De VOC profiteerde aanvankelijk van de groeiende handel vanuit deze stad met de Perzische en Ottomaanse rijken aan de overkant van de Arabische Zee, maar door onrust in zowel de afzetgebieden als het achterland, door het wegvallen van het centraal gezag van het verkruimelende Mogolrijk, en goedkopere alternatieven voor de handelsproducten uit Bengalen en West-Indië, nam de handel sterk af. Ook de VOC handelsvestiging werd verliesgevend, waarop in 1740 de Heren XVII de Hoge Regering in Batavia ter overweging gaven de handelsvestiging Suratte te sluiten. Schreuder was het hier niet mee eens, en met diverse maatregelen wist hij de factorij weer succesvol te maken. De export, voor meer dan de helft bestaand uit edelmetaal verdiend met de verkoop van specerijen, benaderde rond 1750 de beste perioden uit de 17de eeuw.

Schreuder had inmiddels al twee echtgenotes overleefd. Eerst Johanna de la Fontaine, en daarna Maria Lammens, waarmee hij op 14 mei 1737 in Batavia trouwde en die 26 januari 1738 in het kraambed op haar 28e stierf. Zij had op weg naar Batavia samen met haar zus een dagboek bijgehouden dat in 1996 is uitgegeven. In Suratte trouwde Schreuder voor de derde keer, met de aan de Kaap de Goede Hoop geboren Bastiana Theodora de le Boucq. Ook zij was al twee keer weduwe. In mei 1743 stierf ook zij,Bastiana Theodora's rouwbord hing in 2011 in het grafmonument van Hendrik van Reede tot Drakenstein op de Nederlandse begraafplaats van Suratte. (zie Bauke van der Pol, De VOC in India, Walburg Pers) nog geen 35 jaar oud, een week na de geboorte van een dochter, Susanna Engelberta. miniatuur|Suratte aan de rivier, die steeds verder dicht slibde. Handelswaar moest in kleine boten tussen de zeeschepen en de stad vervoerd worden. Schreuder was een groot voorstander van het toestaan van particuliere handel in Azië omdat hij zag dat het succes van de Britten in Bombay vooral daaraan te danken was. De Britse Oost-Indische Compagnie was in tegenstelling tot de VOC nooit verder gekomen dan handel tussen Azië en Europa, zodat op de inter-Aziatische markt ruimte lag voor particulier initiatief. De ambitie, ijver en concurrerend vermogen van de Britse 'country traders' kwamen uiteindelijk ook de Britse compagnie ten goede. Ook gaven Indiase handelaren aan hen als zakenpartners de voorkeur. De liberale maatregelen van gouverneur-generaal Van Imhoff in 1743 vond Schreuder niet ver genoeg gaan. Deze maakte bij vrijhandel door VOC-medewerkers een uitzondering voor de meest winstgevende producten; specerijen en Japans koper. Alle gezaghebbers van de voornaamste handelsposten moesten van de Raad van Indië hun 'consideratiën' geven over hoe de nieuwe maatregelen het meeste profijt voor de Compagnie zouden kunnen opleveren, 'een ijder met relatie tot het zijne'. Schreuder schreef in 1746 zijn 'Consideratiën over den opengestelden vrijen vaart en handel, hoedanig die in Souratta zal konnen gereguleert worden, met eenige aanmerkingen over het gepermitteerde goed der schepelingen.Het hoger personeel kreeg scheepsruimte op de VOC schepen van en naar Batavia. Door den Directeur overgegeven aan den Raad van Politie te Souratte', waarin hij schrijft: 'De vrije handel is zekerlijk de natuurlijkste van alle manieren waar na hedendaags de koophandel gedreven word', maar tegelijkertijd de contradictie ziet in het verzoek van de Raad, en vaststelt dat om de vrijhandel zodanig te reguleren dat de Compagnie er zoveel mogelijk profijt van heeft, zonder diezelfde vrijhandel te schaden, men veel kennis nodig heeft van zowel de handel in het algemeen, de handel van de Compagnie en de handel van de Compagnie in Souratte. Zijn Consideratiën zijn een pleidooi voor de handel, niet alleen als 'core business' van de VOC, maar als voornaamste bron van welvaart van een land.

Schreuder had diverse aanvaringen met de Britten die, verontrust door Van Imhoffs maatregelen, de Nederlanders actief begonnen te dwarsbomen en aan te sporen naar hen te deserteren. Ook beschikten ze over een aanzienlijke militaire macht, waarmee ze in 1747 succesvol intervenieerden in de strijd om de opvolging van Surattes overleden heerser. Indiase troepen bleken niet opgewassen te zijn tegen Europese tegenstanders en de Britten konden hun protegé, Mia Achund, aan de macht helpen ten koste van die van de VOC, Safdar Kahn. Tijdens de strijd was een groot deel van de stad in puin gelegd. Door Batavia werd Schreuder aanbevolen 'de gangen der Engelschen wel met de uyterste voor- en omsigtigheyd gade te slaan, maar egter hare onderneemingen meer te tragten onder de hand als in't openbaar te verijdelen, en ook bij hun brieven en geschriften teegen haar zich van geen scherpe uytdrukkings te bedienen'. Na Schreuders vertrek uit Suratte, op 29 augustus 1749, na herhaaldelijk om aflossing gevraagd te hebben, zou het Nederlandse aandeel in de handel in de regio alleen maar minder worden.

Terug in Batavia Terug in Batavia trouwde Schreuder voor de vierde keer, met Clara de la Haye. In december 1751 werd een zoon, Cornelis Valentijn, geboren. In 1752 werd hij benoemd tot president van het college van huwelijks- en kleine gerechtszaken en tot curator van het seminarium. Ook kwam hij in de directie van de 'Bank-courant', een in juni opgerichte spaar- en leenbank (naar voorbeeld van de wisselbanken in Nederland) ten behoeve van particuliere handel door de inwoners van Batavia. Op 30 oktober 1753 werd hij ontvanger-generaal, verantwoordelijk voor het administreren van alle financiën van de Raad van Indië. Op 30 mei 1755 werd hij benoemd tot extra-ordinair lid van de raad en ging deelnemen aan de vergaderingen. Hij woonde toen riant in een huis met een grote tuin, 'geleegen beoosten Batavia tusschen de Groote Revier ende Jacatraase Heere Wegh'.

Gouverneur van Ceylon miniatuur|Gezicht op Colombo in 1755 Op 18 juni 1756 volgde hij Joan Gideon Loten op als gouverneur van Ceylon. Op grond van zijn prestatie in Suratte werd veel van hem verwacht, maar zijn politiek verschilde niet veel met die van zijn voorgangers. De bevolking van Ceylon werd bij Schreuders aantreden al jaren lang geteisterd door droogte waardoor een tekort aan rijst en andere producten ontstond. Ook leed de bevolking onder de onderdrukking door inlandse hoofden en de diverse belastingen van de VOC, onder andere op arecanoten en kokosnoten die een belangrijke inkomstenbron waren. Schreuder werd aangezet door de Hoge Regering om de inkomsten te vergroten. Daar kaneel een van de belangrijkste producten was, en Ceylon vanwege het monopolie op dit product vooral in de jaren 1750 voor de VOC uiterst winstgevend was, ging Schreuder, meer dan in het verleden, het in cultuur brengen van land waar kaneel in het wild groeide tegen. Hogere boetes werden gesteld op het vernietigen van kaneelbomen door boeren die niet tot de chalia kaste behoorden, met hun exclusieve kaneelschilprivilege, en daarom de voorkeur gaven aan de voor hen rendabelere kokospalmen, die arak en betelnoten leverden. Schreuders ijver in de kaneelproductie werd veel geprezen door de Raad van Indië, maar zijn voorstel om de kaneelverbouw vrij te geven en aantrekkelijker te maken door de boeren er een vaste prijs voor te betalen werd afgewezen. miniatuur|18e eeuwse illustratie van producten uit Ceylon: kaneel, arecanoten en olifanten. De klachten van de bevolking in de Compagniesgebieden werden na de onlusten in de kaneellanden bij Matara in 1757 onderzocht door Abraham Samlant, hoofdadministrateur van Colombo. In 1758 werden daarop maatregelen getroffen ter voorkoming van de vele wanpraktijken van de inheemse bestuurders.

In november 1758 vertrok Schreuders zoon Cornelis Valentijn naar Nederland voor een opleiding. Hij zou hem nooit meer terugzien. De jaren daarna stierven twee kinderen vlak na de geboorte, en in maart 1760 stierf Susanna Engelberta, 16 jaar oud. Haar grafsteen is nog te zien in de Wolvendaalkerk in Colombo.

Schreuder verhoogde ook de belastingdruk op de plattelandsbevolking. Deze maatregelen en vooral ook de onmogelijkheid voor de lokale bevolking om rijst te verbouwen, waar een tekort aan was, leidde tot hardnekkige onlusten die langer duurden dan in het verleden. Het lijkt erop dat Schreuder de aard van de problemen en de ernst van de onlusten niet heeft onderkend. Een superioriteitsgevoel tegenover niet-Europeanen lijkt ten grondslag te liggen aan zijn onderschatting van de militaire capaciteiten van zijn tegenstanders. Van het nieuwe Europese militaire overwicht was Schreuder in Suratte zelf getuige geweest. Ook was die recent gebleken in de Carnatische oorlogen in Zuid-India, waar de Franse en Britse troepen echter vooral bestonden uit in Europa getrainde soldaten van de Franse en Britse staat, terwijl de VOC het met de eigen troepen moest doen. miniatuur|Matara rond 1740