De Marmerkloof (Russisch: Мраморное ущелье; Mramornoje oesjtsjelje) is een kloof op een hoogte van 1800 tot 2150 meter in de bergketen Kodar in het district Kalar in het noorden van de Russische kraj Transbaikal. Bij deze kloof lag het Goelaggevangenenkamp Borski ITL (Борский ИТЛ) of Borlag (Борлаг). Het bestuur had de naam Jermakovskoje. Formeel werd er naar lood gezocht, maar in de praktijk naar uranium.

De naam Marmerkloof werd in de jaren 1990 gegeven vanwege de vele tinten marmer die er zijn aangetroffen. Er worden toeristische tochten naar de Marmerkloof georganiseerd.

Geografie De plek ligt enkele kilometers ten zuiden van de rivier de Sredni Sakoekan en iets ten noordoosten van de Pik BAM. De kloof is alleen in de zomer te voet bereikbaar vanuit de plaats Novaja Tsjara of per helikopter vanaf de luchthaven Tsjara.

De kloof wordt aan beide zijden begrensd door hoge rotswanden en heeft aan de ingang een breedte van ongeveer 400 meter. Door de ligging boven de boomgrens groeit er vooral mos en alleen een beetje gras in de zomers. Ter hoogte van de vroegere mijngangen groeit helemaal geen vegetatie.

In de kloof ligt een voormalig gevangenenkamp op een hoogte van 1820 meter (ongeveer 200 meter boven de boomgrens en 1100 meter boven Tsjara). Het bijbehorende werkkamp lag op 2040 meter. Boven beide kampen lagen 15 tot 20 mijngangen (hun exacte aantal is onbekend) op een hoogte van 2170 tot 2250 meter, doorlopend tot een hoogte van 2600 tot 2800 meter. De meeste mijngangen liggen aan zuidkant van de kloof. In de oostelijke en westelijke uitlopers van de kloof liggen nog een aantal mijngangen, maar of deze voor exploratie of winning gebruikt zijn is niet bekend.

Klimaat De kloof ligt in een gebied met een streng landklimaat met een gemiddelde jaartemperatuur van -5 tot -7 °C (-12 °C in de hogere bergdalen). In de zomernachten daalt de temperatuur ook vaak nog tot onder het vriespunt. De winter duurt er gemiddeld 10 maanden, waarbij de temperatuur kan dalen tot -50 °C. In de jaren van het kamp lagen deze een stuk lager dan tegenwoordig. Koude bergwinden teisteren de kloof het jaar door. Een groot deel van het jaar is de kloof bedekt door een dichte mist, die soms optrekt tot 20 tot 30 meter boven de grond. In de zomer valt in een korte tijd vaak veel regen.

Geschiedenis Aanleiding Vanaf 1946 vlogen Russische vliegtuigen met geigertellers over de gebergten in de Transbaikal op zoek naar uranium voor het atoomprogramma van de Sovjet-Unie, waarvan men op dat moment zeer weinig afzettingen van enige omvang kende. De nood was hoog want men wilde zo snel mogelijk een bom hebben om een antwoord te hebben op een mogelijke Amerikaanse aanval, die na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki steeds groter werd geacht en inderdaad in diverse Amerikaanse oorlogsplannen werd besproken onder codenamen zoals Broiler (1947), Halfmoon (1948) en Offtackle (1949). Niet minder dan 300 geologische expedities werden tegelijkertijd uitgezet in de hele Sovjet-Unie om uranium in winbare hoeveelheden te vinden. In de gebergten van de Transbaikal bevindt zich veel graniet en destijds werd dit als enige gesteente in verband gebracht met uranium. De piloten die de vliegtuigen bestuurden kregen het uitdrukkelijke bevel niet meer dan 50 meter boven de bergen te vliegen om de kans op een vondst zo groot mogelijk te maken. In augustus 1948 sloegen de geigertellers uit op een anomalie op een hoogte van bijna 3000 meter in de Kodar.

Vooronderzoek Reeds een maand later werden de eerste Goelaggevangenen en geologen naar deze zeer afgelegen plek gebracht. De gevangenen werden aan het werk gezet om een zeer provisorische weg vanaf Tsjara aan te leggen naar de kloof (met een houten brug over de rivier Sredni Sakoekan), terwijl een groep geologen onder leiding van Fjodor Tisjtsjenko onderzoek deed naar het erts. In oktober werd een eerste ertsmonster vanaf het 35 kilometer verderop gelegen Tsjara naar Moskou gevlogen voor onderzoek door het onderzoeksteam van Lavrenti Beria. De resultaten waren volgens Beria veelbelovend: het leek erop dat het om de rijkste aders van de Sovjet-Unie ging, vergelijkbaar met die in de uraniummijnen in Tsjecho-Slowakije en de Duitse regio Saksen (30-50% uraniniet). In november en december werd een geologische basis gebouwd bij de kloof en tegelijkertijd werd verder onderzoek verricht. Omdat er grote haast bij was werd er al in januari 1949 een gedetailleerd rapport van 400 pagina's bij Stalin gedeponeerd hoe de openstelling van de ertslagen moest worden aangepakt tot en met het aantal benodigde laarzen en jassen voor de gevangenen die het erts moesten gaan delven. Het was de eerste uraniumafzetting van het land die werd opengesteld.

Bevoorrading Vanwege de gevoelde urgentie werd gekozen werd voor bevoorrading vanaf verschillende richtingen: vanuit het zuiden over de rivier de Vitim via Romanovka (in Boerjatië) naar de stad Tsjita, waar door zijn ligging de Trans-Siberische Spoorlijn snel voorraden en materiaal konden worden aangevoerd. vanuit het noorden via de Noordelijke Zeeroute, de Lena en de Vitim. per vliegtuig via de in 1947 geopende luchthaven Tsjara, die hiervoor werd uitgebouwd.

Aan de Vitim was eerder het dorp Neljaty gesticht, dat gekozen werd als de meest geschikte bevoorradingsbasis over rivier en land. Het kampbestuur nam hier een aantal gebouwen in gebruik die eerder tot 1941 door een expeditie van de BAM waren gebruikt. Bevel werd gegeven tot de aanleg van een 300 kilometer lange weg vanaf Neljaty naar het dorp Sinelga bij Tsjara en vanaf Sinelga naar de ertsafzetting. De belangrijkste bevoorradingsroute was in eerste instantie die vanaf Tsjita. Bij Tsjita en Romanovka werden bevoorradingsbases aangelegd. De totale afstand over de winterweg tussen Tsjita en Sinelga bedroeg bijna 1000 kilometer en kon door vrachtwagens in drie dagen worden afgelegd.

In de valleien van de Sredni Sakoekan werden een aantal onderkampen gesticht voor het uitvoeren van ondersteunende werkzaamheden.

Na de ontdekking van uranium aan de rivier de Sjoelban werd tevens een winterweg aangelegd vanaf het zuidelijker gelegen Mogotsja via Toepik naar Tsjara om de plaats in de lange winter beter te kunnen bevoorraden. Het idee was toen nog om deze weg in de toekomst uit te bouwen tot een volwaardige weg. Deze weg was met 670 kilometer een stuk korter, wat de bevoorrading versnelde.

Aanleg Om een en ander te realiseren werden in 1949 ongeveer 1700 gevangenen, 1000 man burgerpersoneel, 700 Mongoolse paarden en 150 vrachtwagens met voorraden naar het gebied gebracht. De Gorlag van de Dalstroj liet de gevangenen op 24 januari 1949 beginnen met de bouw een aantal houten bewakingsbarakken, het verder met de hand uitbouwen van de (winter)weg zodat er vrachtwagens overheen konden rijden (daarvoor moesten gevangenen alles naar boven dragen) en een begin maken met het delven van het erts met pikhouwelen. Voor het vrachtvervoer werden 250 nieuwe ZIS-151-vrachtwagens geleverd; 150 door de MVD en 100 door het leger. Nadat de eerste voorraden geleverd waren werden in februari en maart 1949 de meeste gevangenen overgebracht per vrachtwagens.

De ongeveer 50 kilometer lange weg naar het kamp bleek door de vele haaks erop stromende bergbeken en steile klim het gebergte in (middels haarspeldbochten) buitengewoon lastig om aan te leggen en was door de zware weersomstandigheden aan constant onderhoud onderhevig. De vrachtwagens werden voorzien van sneeuwkettingen om de klim toch te kunnen maken. Middels een provisorische lift (lier) werden de materialen over het steilste stuk het kamp ingesleept in de winter. Voor de aanleg van de weg, kampen en mijnen waren tienduizenden kuubs hout nodig, waarvoor onder andere grote stukken bos in de omringende valleien werden weggekapt. Dit leidde er ook toe dat er al snel erosie optrad en de weg door de rivieren nog sneller werd beschadigd door krachtige overstromingen. Na de sluiting van het kamp werd de weg dan ook al snel weer overgenomen door de natuur.

De mijn was na 4 maanden werk in het voorjaar gereed voor productie. In de zomer kwamen ook een elektrisch onderstation en een ertsveredelingsinstallatie aan de Sredni Sakoekan gereed. Eerst was stroom opgewekt met een dieselgenerator, vervolgens werd na het hoogwater in juni een miniwaterkrachtcentrale in de Sredni Sakoekan gebouwd. De ertsveredelingsinstallatie bevond zich aan de ingang naar de kloof. Later werden ook ertsveredelende fabrieken bij de andere kampen gesticht. Bij de Sredni Sakoekan werd een elektrisch onderstation gebouwd om stroom naar de mijnen te brengen via hoogspanningskabels.

Kampen

Kampstructuur Het kampbestuur zetelde eerst in Tsjita, maar werkte vanaf 1950 vanuit het speciaal voor dit project aangelegde dorp Sinelga beneden in de vallei ten zuidwesten van de Tsjarazanden. Het kampbestuur van Jemarkovskoje had een militaire structuur. De aansturing vond plaats vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken, maar feitelijk had het leger het voor het zeggen. De eerste kampbestuurder was de gevreesde luitenant-kolonel S.F. Maltsev, die het recht had om over alles in het kamp besluiten te nemen. Zijn besluit was wet. Hij kon zijn personeel vrijelijk degraderen of straffen opleggen en wist zo directe uitvoering van zijn bevelen te bewerkstelligen bij bewakers, burgerpersoneel en gevangenen.

Onder het kampbestuur vielen tien kampafdelingen (lagpoenkty):

Gora ("berg") in de Marmerkloof: De meeste ertswinning vond plaats in de Marmerkloof. De gevangenen in de Marmerkloof sliepen in een kamp van 150 bij 150 meter naast de houten barakken van de bewakers en het burgerpersoneel (geologen, bergbeklimmers, voormannen en medisch personeel). Eerst in tenten, later in 4 houten barakken, waarin 500 tot 600 gevangenen moesten verblijven en waarin de temperatuur in de winter tot onder het vriespunt kon liggen. Alleen doordat er vaak meer dan 100 mensen in een barak moesten verblijven konden de gevangenen door elkaars lichaamswarmte er enigszins overleven. De zwakkeren overleden echter alsnog door bevriezing of ziekte door de vochtige omstandigheden. Het kamp was omheind met hoogspanningshekken en een extra prikkeldraadversperring en op de vier hoeken stonden wachttorens. Ook stonden de hele nacht schijnwerpers op het kamp gericht. Overdag werd het stroom van de hekken omgeleid naar de werkplaatsen bij de mijnen om stroom te besparen. Door de hele kloof lagen kilometers versperringen met prikkeldraad om de gevangenen te leiden naar de werkzaamheden. Bij de ingang van de kloof was een dubbele toegangsversperring met 6 wachttorens en een controlepost opgericht om de gevangenen binnen te houden. Deze werd waarschijnlijk pas in de tweede helft van 1950 gebouwd, nadat er in de jaren ervoor al 44 gevangenen waren ontsnapt. Het burgerpersoneel en de bewaking woonde en werkte vanuit een kamp ernaast bestaande uit 4 dozijn gebouwen, waaronder een bakkerij, wasserette, banja, houtzagerij, garagewerkplaats, woongebouwen en opslagplaatsen. Het burgerpersoneel sliep aanvankelijk net als de gevangenen in tenten, die naar de bouw vorderde werden vervangen door houten barakken. De meeste houten gebouwen verrezen pas in 1950, toen de mijnbouw was opgestart.