thumb|Opgraving tijdens de Centraal-Aziatische Expedities thumb|Bajanzag in de Gobiwoestijn thumb|Roy Chapman Andrews te paard in Mongolië thumb|De vondst van dinosauriëreieren thumb|Skeletten van Protoceratops in het American Museum of Natural History thumb|Schedel van Andrewsarchus in het American Museum of Natural History thumb|Schedel van van Baluchitherium in het American Museum of Natural History
De Centraal-Aziatische Expedities waren een serie wetenschappelijke expedities van het American Museum of Natural History in New York naar Mongolië en China. Tussen 1921 en 1930 werd door een team onderzoek verricht in de Gobiwoestijn, waarbij een groot aantal objecten voor het museum werd verzameld en meerdere belangrijke paleontologische vondsten werden gedaan, zoals dat van de eerste dinosauriëreieren en inzichten over de evolutie van de zoogdieren. Central Asiatic Expeditions (1921-1930). American Museum of Natural History Research Library
Aanleiding en opzet Henry Fairfield Osborn, de directeur van het American Museum of Natural History, was overtuigd dat de mens oorspronkelijk uit Centraal-Azië afkomstig is, de zogenoemde Out of Asia-theorie. Dinosauriërs - de laatste ontdekkingen uit het Mesozoïcum. H Gee. Librero (2003). Om bewijzen te vinden zond hij de Centraal-Aziatische expedities uit. De Amerikaans ontdekkingsreiziger Roy Chapman Andrews leidde de expedities. Happy Birthday, Roy Chapman Andrews! American Museum of Natural History (2014). Andrews had al deelgenomen aan twee eerdere wetenschappelijke expedities in Mongolië en China. De First Asiatic Zoological Expedition (1916-1917) had een voornamelijk zoölogisch oogpunt en beperkte zich tot de Chinese provincies Fukien en Yunnan in het zuidwesten van China langs de grenzen met Birma en Tibet. Ook de Second Asiatic Zoological Expedition (1919) naar Mongolië richtte zich op zoölogie, waarbij met name een collectie dierenhuiden en -schedels werd verkregen.
Zijn ervaringen met deze twee expedities vormden voor Andrews de opmaat voor zijn plannen een grootschaligere expeditie op te zetten. Hij realiseerde zich dat een expeditie van meerdere jaren nodig was om de Gobiwoestijn grondig te kunnen onderzoeken en Andrews streefde naar de grootste landexpeditie die ooit vanuit de Verenigde Staten werd uitgezonden. Osborn was enthousiast over de plannen van Andrews, maar had zorgen om de financiële haalbaarheid. Andrews had echter een plan om sponsors in te schakelen. De plannen voor de grootschalige expeditie vielen in de Roaring Twenties, toen er in de Verenigde Staten sprake was van economische groei met hogere inkomens en meer uitgaven aan luxeproducten. Er was een grote publieke belangstelling voor aansprekende paleontologische vondsten, competitie tussen natuurhistorische musea in de grote Amerikaanse steden en tussen personen uit de hogere sociale klassen. Under a Lucky Star - A Lifetime of Adventure. RC Andrews. Met de hulp van meer dan zeshonderd individuen en instellingen werd meer dan een half miljoen Amerikaanse dollar verkregen voor de expedities. Onder meer J. P. Morgan en John D. Rockefeller investeerden. Nadat het American Museum of Natural History en Andrews voldoende sponsoring hadden weten in te schakelen, werd het plan in 1921 realiteit.
De grootschalige expeditie werd aanvankelijk de Third Asiatic Expedition genoemd, maar later werd de naam veranderd naar Central Asiatic Expeditions. Andrews superviseerde alle activiteiten. Walter Willis Granger was tweede man en hoofdpaleontoloog van de expedities. De goed georganiseerde wetenschappelijke staf werd ondersteund door chauffeurs en andere assistenten, in totaal een team van meer dan veertig man. Er werd gebruikgemaakt van gemotoriseerde voertuigen en karavanen van kamelen voor vervoer van goederen zoals benzine. Hoewel de zoektocht naar menselijke fossielen de aanleiding van de expedities was, werden in de praktijk vrijwel alle facetten van wetenschappelijk woestijnonderzoek uitgevoerd.
De expedities 1922 De Centraal-Aziatische expedities bestonden uit vijf seizoenen van onderzoek. In februari 1921 vertrok de expeditie per schip naar China. Toen de voorbereidingen waren afgerond, ging op 21 april 1922 de eerste expeditie op weg. In 1922 reisde de expeditie van het American Museum of Natural History van Kalgan nabij Beijing naar Urga en vervolgens in zuidwestelijke richting naar Tsagan Nor in de Altai-regio om daarna terug te keren naar Kalgan. Tijdens deze expeditie werden duizenden huiden en schedels van zoogdieren verzameld, werd een globaal idee van de geologie van de regio verkregen en werden twaalf geologische formaties met fossielen van gewervelden gevonden. Studies of the natural history of the Mongolian People's Republic and adjacent areas, made by the American Museum of Natural History. MC McKenna. The Mongolia Society Newsletter (1962). Er werden enkele fossielen van dinosauriërs uit het Vroeg-Krijt gevonden in de Oshih-formatie tijdens de expeditie van 1922, te weten tanden van de sauropode Asiatosaurus en een skelet van Psittacosaurus. The Mongolian Age of Mammals (Mongolia the New World, Part IV). WK Gregory. The Scientific Monthly (1927). In de Hsanda Gol-formatie uit het Oligoceen werd onder meer een zeer complete schedel van de hoornloze neushoorn Paraceratherium, het grootst bekende landzoogdier, gevonden. Baluchitherium grangeri, a giant hornless rhinoceros from Mongolia. HF Osborn & CP Berkey. American Museum Novitates (1923). Vanwege de naderende winter wilde de expeditie in september 1922 de Gobiwoestijn verlaten, maar raakte verdwaald. Per toeval werd zo bij Bajanzag, een bekken met roodoranje zandsteen, de schedel van de gehoornde dinosauriër Protoceratops gevonden. Protoceratops andrewsi, a pre-ceratopsian dinosaur from Mongolia. W Granger & WK Gregory. American Museum Novitates (1923).
1923 In 1923 richtte het onderzoek zich met name op fossiele vondsten in Binnen-Mongolië en de oostelijke Altai-regio van Buiten-Mongolië. Discoveries during the Season of 1923 by the Third Asiatic Expedition in Mongolia. HF Osborn. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America (1924). Het team bestond tijdens deze expeditie naast Andrews en Granger uit onder meer geoloog en topograaf Frederick E. Morris en de veldassistenten Peter C. Kaisen, George Olsen en Albert F. Johnson, die veel ervaring hadden opgedaan tijdens opgravingen in Montana en Wyoming.
De expeditie keerde in juli 1923 terug naar de locatie waar tijdens de expeditie van het voorgaande jaar het holotype van Protoceratops was gevonden. Verder onderzoek op deze locatie leidde tot de opmerkelijkste vondsten van het jaar. In de afzettingen van de Djadochtaformatie uit het Campanien werd een grote rijkdom aan fossielen van dinosauriërs gevonden. Protoceratops was de dominante vorm met fossielen van exemplaren van alle leeftijden, van jongen in het ei tot volgroeide volwassenen. Er werd 72 schedels en twaalf min of meer complete skeletten gevonden van deze dinosauriër tijdens de expeditie van 1923. Johnsen vond bij Bajanzag de eerste fossiele dinosauriëreieren. Verder werden fossielen gevonden van Pinacosaurus en de saurischiërs Velociraptor, Saurornithoides en Oviraptor. Three new Theropoda, Protoceratops zone, central Mongolia. HF Osborn, PC Kaisen & G Olsen. American Museum Novitates (1924). Ook werd in de Djadochtaformatie een schedel met onderkaken van een zoogdier gevonden, behorend tot Djadochtatherium uit de Multituberculata. A Mesozoic mammal skull from Mongolia. GG Simpson. American Museum Novitates (1925). Het was het eerste Mesozoïsche zoogdier uit Azië dat werd beschreven en de gevonden schedel was pas de tweede gevonden Mesozoïsche zoogdierschedel. Een andere vindplaats van fossielen van dinosauriërs uit het Krijt die in 1923 werd onderzocht, waren de Iren Dabasu Beds met fossiele vondsten van iguanodonten en ornithomimiden.
Verder leverde de expeditie van 1923 ook belangrijke fossielen van zoogdieren uit het Paleogeen op. In de Irdin Mahna-formatie uit het Midden-Eoceen werden vooral fossielen van brontotheriërs gevonden, maar ook de schedel van het grote carnivore hoefdier Andrewsarchus Andrewsarchus, giant mesonychid of Mongolia. HF Osborn. American Museum Novitates (1924). en twee kiezen van Eudinoceras. De twee kiezen, de eerste in juni gevonden door Andrews en de tweede in september door Osborn bij een bezoek aan de expeditie, werden als zeer belangrijk beschouwd omdat ze gelijkenis vertoonden met de kiezen van Uintatherium en zo op een overeenkomst in fauna wezen tussen Mongolië en Noord-Amerika, meer bepaald de Uinta-formatie, tijdens het Midden-Eoceen. Eudinoceras, Upper Eocene amblypod of Mongolia. HF Osborn. American Museum Novitates (1924). Onderzoek naar de Houldjin Beds van de Hsanda Gol-formatie leverden fossielen van zoogdieren uit het Vroeg-Oligoceen op en in het uiterst westelijke deel van de formatie werden de beste vondsten gedaan. In de Gashato-formatie werden fossielen gevonden van zoogdieren uit het Paleoceen. Additions to the fauna of the Gashato Formation of Mongolia. WD Matthew, W Granger & GG Simpson. American Museum Novitates (1929).
1925 In 1924 keerde het team terug naar de Verenigde Staten om de vondsten te onderzoeken, vervolgexpedities te plannen en financiering te regelen. Andrews stak veel energie in de promotie en fondsenwerving van de expedities, onder meer door voordrachten, sponsoring en zelfs veiling van een van de gevonden dinosauriëreieren. In 1925 ging de expeditie in noordwestelijke richting tot aan Orok Nor. Er werd onder meer gezocht naar fossielen bij Bajanzag en in de Kholobolchi-formatie uit het Eoceen. Coryphodonts of Mongolia, Eudinoceras mongoliensis Osborn, E. kholobolchiensis sp. nov. HF Osborn & W Granger. American Museum Novitates (1931). Tot de belangrijkste vondsten behoorden die van zoogdieren in de Djadochtaformatie. Na de gevonden zoogdierschedel van 1923, ging het team op zoek naar verdere fossielen van zoogdieren. Bij Shabarakh Usu werden zes nieuwe schedels en tevens enkele kaken gevonden van Deltatheridiidae en Zalambdalestes. Cretaceous mammal skulls from Mongolia. WK Gregory & GG Simpson. American Museum Novitates (1926). Further notes on Mongolian Cretaceous mammals. GG Simpson. American Museum Novitates (1928). De Mongoolse zoogdierfossielen werden als zeer belangrijk beschouwd, niet alleen omdat met afstand de compleetste fossielen van Mesozoïsche zoogdieren waren die tot dan toe waren gevonden, maar met name omdat ze aantoonden dat evolutie van de zoogdieren in het Laat-Krijt al ver gevorderd was en oostelijk Azië een belangrijke rol speelde in de ontwikkeling van de zoogdieren. Affinities of the Mongolian Cretaceous insectivores. GG Simpson. American Museum Novitates (1928).
1926-1929 De expedities van 1926 en 1927 werden geannuleerd vanwege de Chinese Burgeroorlog. De expeditie van 1928 vond volledig plaats in Binnen-Mongolië. Door onenigheid met de Chinese autoriteiten ging de expeditie van 1929 niet door.
1930