Claudine Alexandrine Sophie Guérin de Tencin (Grenoble, 27 april 1682 – Parijs, 4 december 1749), barones van Saint-Martin de l’isle de Ré, was een schrijfster die in de 18e eeuw een beroemde literaire salon organiseerde. Zij was de moeder van Jean d’Alembert.
Na tweeëntwintig jaar gedwongen in een klooster te hebben gezeten, verhuisde zij in 1711 naar Parijs waar ze dankzij haar band met kardinaal Dubois toegang kreeg tot de hoogste kringen. Zes jaar later opende zij een van de meest vooraanstaande literaire salons van die tijd, La Ménagerie. Hoewel in de salon in eerste instantie voornamelijk gesproken werd over politiek en geldzaken, met speculanten van de bank van John Law, werd het vanaf 1733 een centrum van het literaire leven in Parijs. De meest prominente schrijvers van die tijd bezochten de salon, in het bijzonder Fontenelle, Marivaux, de priester Prévost, Charles Pinot Duclos en later ook Marmontel, Helvétius, Marie-Thérèse Geoffrin en Montesquieu.
De Tencin publiceerde ook zelf een aantal succesvolle romans, waaronder Les Mémoires du comte de Comminge in 1735, Le Siège de Calais, nouvelle historique in 1739, en Les Malheurs de l’amour in 1747.
Biografie Van het publieke leven van Claudine-Alexandrine Guérin de Tencin, barones van Saint-Martin de l’Isle de Ré, is veel bekend dankzij zes belangrijke biografieën die over haar zijn geschreven.
Alexandrine werd geboren in Grenoble in een familie uit de kleine ambtsadel. Haar vader, Antoine Guérin (1641-1705), heer van Tencin, was eerst raadsman aan het hoogste gerechtshof van Dauphiné en werd daarna de eerste voorzitter van het gerechtshof van Chambéry tijdens de Franse bezetting van de Savoie. Haar moeder was Louise de Buffévent.
De oudvader van de familie, Pierre Guérin, geboren in een boerenfamilie in de buurt van Gap, in Ceillac, was een eenvoudige marskramer. In 1520, toen hij dertig jaar oud was, vestigde hij zich in Romans (nu Romans-sur-Isère) in het zuidoosten van Frankrijk, in de provincie die destijds Dauphiné heette. Omdat hij handig was met zijn handen en wat geld had gespaard, kocht hij een klein winkeltje waar hij eerst kruideniersproducten verkocht en later juwelen. thumb|left|Het kasteel La Tour (afgebroken in de 19e eeuw) Dankzij de rijkdom die hij had vergaard, kon hij een stuk grond kopen bij Monteux en de helft van het bedrijf overnemen dat de tol inde op de weg en het water tussen Valence en Mirmande. Zo was hij in staat om de universitaire opleiding van zijn twee kinderen, Pierre en Antoine, te bekostigen. Deze laatste werd doctor in de rechten, kocht vervolgens het ambt van gerechtsambtenaar in Romans, en trouwde later met Françoise de Garagnol, een jong meisje van goede komaf.
Tijdens de godsdienstoorlogen die de regio teisterden, lukte het hem – dankzij zijn wijsheid en gematigdheid – om de stad Romans uit de handen van de protestanten te houden. Om die reden verhief koning Henri III hem, als gematigde en koningsgezinde katholiek, op 3 oktober 1585 tot de adelstand, wat op 21 maart 1586 officieel bevestigd werd door het hoogste gerechtshof. Op die manier werd de zoon van een rijk geworden marskramer een edelman, hoewel de oudere adel hem minachtte.
Zijn zoon, Henri-Antoine Guérin, redde in 1597 Romans een tweede keer door middel van een heroïsche actie en voorkwam daarmee dat de hertog van Savoie de stad met de hulp van verraders zou inlijven. Hij kreeg zeven kinderen, waaronder François, die het ambt van raadsheer aan het hoogste gerechtshof van Grenoble aankocht en daarmee tot de adelstand verheven werd. Dankzij zijn echtgenote, Justine du Faure, werd hij eigenaar van een klein en onbelangrijk stuk grond dat Tencin (Grésivaudan) heette en grensde aan de Isère, wat onderdeel uitmaakte van het landgoed van Monteynard. François veranderde zijn patroniem door zich naar dit stuk land te vernoemen. Vlak voor zijn dood in 1672 kocht hij, om een goede indruk te maken, een oud en vervallen Saraceens kasteeltje aan de rand van de wijngaarden op zijn landgoed, dat simpelweg le château de La Tour (‘het kasteel van de Toren’) werd genoemd.
De oudste zoon van François Guérin, Antoine, werd raadsheer aan het hoogste gerechtshof van Grenoble en vervolgens de voorzitter van het gerechtshof van Chambéry ten tijde van de Franse bezetting van de Savoie. Hij trouwde met Louise de Buffévent en kreeg met haar twee zoons, waaronder de kardinaal De Tencin, en drie dochters, waaronder Alexandrine. Een van de twee andere dochters, Marie-Angélique, was de moeder van Antoine de Feriol de Pont-de-Veyle en van Charles-Augustin de Ferriol d’Argental.
Een amazone in een mannenwereld
Als de tweede van vijf kinderen werd Alexandrine – zoals toen gebruikelijk was – al jong, op achtjarige leeftijd, ondergebracht in het dichtbijgelegen en koninklijke klooster van Montfleury, een van de rijke abdijen waar de regels van Sint Dominicus waren versoepeld. Het kloosterleven stond haar echter tegen en het is louter onder dwang dat zij besloot om haar geloften af te leggen op 25 november 1698. De dag erna tekende ze echter al officieel protest aan bij de notaris met de hulp van haar biechtvader, waarvan Charles Pinot Duclos beweerde dat hij ‘een naïef instrument was dat zij inzette om haar doel te bereiken’. Gedurende de jaren die volgden, zou ze dat protest vele malen herhalen om te voorkomen dat het nietig zou worden verklaard.
Waar of niet, de beschuldiging van Duclos toonde duidelijk het lef en de wilskracht waar De Tencin al jong over beschikte en die zij inzette om zich met alle mogelijke middelen te verzetten tegen zowel het ouderlijk gezag als de gewoontes uit die tijd.
Haar volharding zou lonen, maar ‘Zuster Augustine’ moest wachten tot haar vader stierf (1705) en de weerstand en hypocrisie van haar moeder overwinnen om Montfleury in 1708 te kunnen verlaten. Na een kuur in Aix-les-Bains, in de buurt van Chambéry en Grenoble, om haar zwakke gezondheid te verbeteren, vond ze een jaar later onderdak in … het klooster van Sainte-Claire in Annonay, waar Madame de Simiane, een van haar tantes, woonde. Het ene klooster verlaten voor het andere kan vreemd lijken, en dat was het ook voor haar tijdgenoten. Er werd geroddeld dat zij daar een ideale schuilplek had gevonden om te bevallen van een tweeling die in Aix zou zijn verwekt door Arthur Dillon, luitenant-generaal van de maarschalk Médavy. Het staat echter vast dat dit pure kwaadsprekerij was, want uit het onderzoek van het officialaat, die de pauselijke brief zou uitspreken die zij uiteindelijk op 2 december 1711 bemachtigde, bleek dat zij onschuldig was. Op 5 november 1712 werd zij van haar geloften ontheven, daar men oordeelde dat haar inderdaad geweld was aangedaan bij haar intrede in het klooster. Dit oordeel werd in 1730 gepubliceerd, maar haar vijanden bleven haar de ‘Kloosteroverste De Tencin’ noemen.
Alexandrine wachtte de terugkeer naar het gewone leven niet af en vertrok eind 1711 al naar Parijs samen met haar chaperonne Madame de Vivarais. Ze verbleef enige tijd in het klooster van de Dames de Saint-Chaumont, en vervolgens, omwille van haar gezondheid, in het klooster van de Dominicaines de la Croix. Toen zij eenmaal ontheven was van haar geloften, ging zij uiteindelijk bij haar zus wonen, de gravin Marie-Angélique de Ferriol d’Argental, die ook al de beroemde jongedame Aïssé onderdak bood. In de jaren daarna wist zij daar de gasten van de salon van haar zus voor zich te winnen dankzij haar levendige geest, de humor in haar gevatte antwoorden en haar verbazingwekkend aanpassingsvermogen gezien haar beperkte levenservaring. Het lukte haar bovendien om de verloren tijd in te halen, of dat nou was tijdens de feesten van de regent (Philippe van Orléans) op het Château de la Source in Orléans of elders … In april 1717 – zij was toen twee maanden zwanger – tekende zij een huurovereenkomst voor het leven met de nonnen van het klooster van La Conception voor een appartement aan de rue Saint-Honoré. Het appartement bevond zich boven het klooster zelf en tegenover de ‘Sot Dôme’ van het klooster van l’Assomption (vandaag de dag de Poolse kerk van Parijs), oftewel op een paar honderd meter afstand van het herenhuis van Madame Geoffrin. Op 24 juni betrok zij het appartement en in augustus tekende ze vervolgens een overeenkomst voor de rest van het huis tegen hogere betaling. Zo kon zij, na haar bevalling, haar eigen salon openen die tot 1733 voornamelijk zou gaan over politiek.
Vanaf dat moment lijkt haar motto te zijn om mannen op hun eigen terrein uit te dagen, misschien louter om zich te wreken voor de 22 jaar die zij gedwongen in het klooster had doorgebracht. thumb|Madame de Tencin door Victor Cassien (19e eeuw) Toen zij de ‘publieke minnares’, zoals de filosoof Saint-Simon haar noemde, was geworden van de belangrijkste minister, de priester en latere kardinaal Dubois, begon zij met diens hulp de kerkelijke en politieke carrière van haar broer Pierre-Paul (1679-1758) te ondersteunen, een man zonder karakter voor wie zij als het ware dienst deed als mannelijk geweten. Om haar illustere minnaar te bedanken voor zijn vrijgevigheid, werd zij met volle overtuiging ‘een waardevolle informant, en zo nodig, een bemiddelaarster in zaken met de Engelsen’, zo schreef Pierre-Maurice Masson, door handig gebruik te maken van haar vrienden die toegang hadden tot de hoogste kringen van de macht.
Naast haar politieke talenten, moet ook aandacht geschonken worden aan haar talenten als zakenvrouw.
Geld heeft altijd een uiterst belangrijke plaats ingenomen in het leven van De Tencin. Alle middelen waren geoorloofd om haar fortuin te doen toenemen. Zo opende zij op 28 november 1719, niet gehinderd door haar maatschappelijke positie, een kredietbureau aan de rue Quincampoix en richtte zij een commanditaire vennootschap op, wat we vandaag de dag een investeringsbank met variabel kapitaal zouden noemen, nadrukkelijk bedoeld voor speculatie met aandelen. Om dit te kunnen doen had zij geld nodig: op een kapitaal van 3,5 miljoen pond bracht zij 691.379 Tournooise ponden in, oftewel haar wettelijk erfdeel, wat zij al had verdriedubbeld door het à fonds perdu te beleggen in ‘l’extraordinaire des guerres’, een koninklijk fonds dat Louis XIV in het leven had geroepen ter financiering van zijn oorlogen. Ook Charles-Jean-François Hénault d’Armorezan, ook wel ‘président Hénault’ genoemd, droeg bij, net als meerdere familieleden en een aantal van haar vrienden, waaronder de ridder Louis Camus Desouches, alias Destouches-Canon. Het zakenduo Tencin-Hénault bleef maar drie maanden bestaan: dankzij het waardevolle advies van de bankier John Law en vooral van haar minnaar Dubois, slaagde zij er nogmaals in om haar fortuin te verdrievoudigen door haar aandelen op tijd te verkopen om de opbrengt van het systeem van Law met een aantal zakenpartners te kunnen delen. Zij ging zelfs zo ver dat zij zich inliet met malafide bankiers, dat is overduidelijk terug te vinden in haar zakelijke correspondentie. Voor haar winstbejag had zij echter een goed excuus. P.M. Masson schreef hierover: ‘Dat wat nog enige waardigheid, of op zijn minst enige onbaatzuchtigheid, toedicht aan dit spel van Madame de Tencin, is dat haar goudkoorts louter bedoeld is om macht te kunnen vergaren voor haar onbeduidende broer, waar zij al haar ambitieuze hoop op gevestigd heeft.’ Zij wilde dus regeren, maar bij volmacht, omdat de onrechtvaardigheid van die tijd de vrouw de rol van huisdier toekende. Dat was de ambitie van de ‘mooie en misdadige kloosteroverste Tencin’, aldus Diderot. En om haar doel te bereiken, leefde zij een bijzonder kuis leven, ook al paste dat haar van nature eigenlijk niet.