Jacobus Theodorus Tabernaemontanus, eigenlijk Jakob Dietrich, Jacob Ditter of Diether ook wel Jacob Theodor,Theodor is vermoedelijk een gelatiniseerde vorm van Dietrich, zie (1898): 47. (Bergzabern,Zijn geboorteplaats vermeldt Tabernaemontanus zelf in de Vorrede van deel 1 van zijn Neuw Kreuterbuch (1588): "so hab ich als sein [= van Hieronymus Bock] Discipel und auch ein Kindt der Fürstlichen Pfaltz zu Bergzabern geborn"; zie ook (1899): 105 ca. 1520Het geboortejaar is niet bekend. Ferdinand Roth noemt aanvankelijk (1897: 84) "zwischen die Jahre 1520 und 1530" maar maakt er "frühestens 1520" van (1899: 105) als hij ontdekt dat Tabernaemontanus Otto Brunfels als leraar noemt, die al in 1533 naar Bern vertrok. – Heidelberg, augustus 1590) was een Duits arts, apotheker en botanicus, hoogleraar in de geneeskunde en de botanie, en een van de eerste balneologen. (1999) De naam Tabernaemontanus, die hij zichzelf later gaf, is afgeleid van de gelatiniseerde vorm van de plaatsnaam Bergzabern: Tabernae montanae.
Leven Tabernaemontanus werd waarschijnlijk als lijfeigene geboren. (2011: 49); Müller-Jahncke (2013) stelt dat hij in 1551 door Filips uit de lijfeigenschap werd ontslagen. Hij volgde zijn schoolopleiding mogelijk deels aan de Latijnse school in Bergzabern,Müller-Jancke (2013) stelt dat hij de Latijnse school bezocht op aandringen of voordracht van de theoloog Nikolaus Thomae, zelf leraar aan de in 1525 gestichte school. vermoedelijk deels in Straatsburg.Hiervoor is geen direct bewijs; auteurs die hem op een school in Straatsburg plaatsen ( (1899): 105; (1999)) doen dat vermoedelijk omdat hij zelf aangeeft dat Otto Brunfels een leraar van hem was, en die laatste van ongeveer 1525 tot 1533 leraar was in die stad. In de botanie en geneeskunde was hij naar eigen zeggen eerst een leerling van Otto Brunfels, (1588). Neuw Kreuterbuch 1: 152: "so ist doch dem guten Mann [= Hieronymus Bock], der der zweyt nach Otthone Brunfelsio auch meinem Praeceptore gewesen"; zie ook (1899): 105 en (1912): 67. en daarna een leerling en volgeling van Hieronymus Bock. (1588). Neuw Kreuterbuch 1: Vorrede, laatste pagina: "Dieweil dann mein lieber Praeceptor seliger Hieronymus Tragus Brettanus..." Onduidelijk is in welk jaar hij die laatste heeft ontmoet, en waar en wanneer hij leerling van hem was.Volgens Roth (1898: 47) ontmoette Bock Tabernaemontanus mogelijk in Bergzabern tijdens een van zijn botanische excursies, en zou hij hem mee naar Hornbach hebben genomen om hem daar vervolgens les te geven. Als Roth in 1899 ontdekt dat Brunfels een leraar van Tabernaemontanus was, past hij zijn verhaal aan, en stelt dan dat Brunfels Tabernaemontanus mogelijk heeft aanbevolen als leerling voor Bock; zie (1899): 105–106. Ook Wunschmann (1894: 714) maakt melding van een verblijf in Hornbach, maar leidt dat vermoedelijk af uit het feit dat Tabernaemontanus zelf Bock als leraar noemt. Aangezien Bock in het laatste kwart van zijn leven aan tuberculose leed, wat het maken van excursies vrijwel onmogelijk moet hebben gemaakt, ligt het jaar 1549, door sommige auteurs (, ) genoemd als het jaar dat ze elkaar ontmoetten, niet erg voor de hand als dat tijdens een excursie gebeurde. Bock vertrok bovendien al één jaar later uit Hornbach, waarmee de tijd dat Tabernaemontanus leerling in Hornbach was dan wel erg kort zou zijn geweest als die pas in 1549 begon. Het is ook mogelijk dat Tabernaemontanus niet in Hornbach les kreeg van Bock (de enige aanwijzing voor een rol van Bock als leraar is de opmerking die Tabernaemontanus er zelf over maakt; voor een verblijf als leerling in Hornbach worden geen bewijzen geciteerd), maar dat het contact ontstond in de tijd dat Bock de lijfarts van Filips II van Nassau-Saarbrüken was (1550–1552), een functie die Tabernaemontanus rond diezelfde tijd ook heeft bekleed.Roth gaat ervan uit dat Tabernaemontanus in Hornbach gewoond heeft omdat daar op 17 februari 1553 de Vorrede van Gewisse unnd erfahren Practick (verschenen 1564) zou zijn afgerond; zie: Gewisse unnd erfahren Practick: 2e Vorrede, laatste pagina. Hij lijkt daarbij over het hoofd te zien dat het niet Tabernaemontanus was, maar Bock, die die tweede Vorrede schreef, en in 1553 inderdaad in Hornbach woonde. De Vorrede van Tabernaemontanus zelf werd afgerond op 14 mei 1553, en geschreven in Saarbrücken; zie: Gewisse unnd erfahren Practick: 1e Vorrede, laatste pagina. Vanaf 1538 was hij onder meer als herborist in Wissembourg in de Elzas (vlak bij Bergzabern) actief. Een door diverse auteurs genoemde studie geneeskunde in Padua en/of MontpellierEen Tabernaemontanus, Theodor of Dietrich komt niet voor in de lijst van zestiende-eeuwse buitenlandse studenten in Frankrijk, zie Extranei – Les étudiants étrangers en France (16e–18e s.) (waarbij zelfs de naam Guillaume Rondelet als leraar wordt genoemd), ergens tussen 1540 en 1548, (2005): 1377 (1888): 45 is volgens Ferdinand Roth hoogst onwaarschijnlijk,Volgens Roth (1898: 51) was er in het leven van Tabernaemontanus geen tijd voor een buitenlandse studie. Hij haalt de 'studie in Frankrijk' aan, die wordt vermeld door Adam (1620: 314), en in navolging van hem ook door Freher (1688: 1292) en Wunschmann (1894: 714), en schrijft dan dat die volgens hem een verwarring betreft met Tabernaemontanus' verblijf voor de poorten van Metz bij de belegering van die stad van 1552 op 1553 door keizer Karel V, in wiens dienst hij daar was. Een aanwijzing dat hij niet in Italië geweest is (de studie in Padua wordt voor het eerst door Maurer (1888: 45) genoemd), is volgens Roth dat hij in zijn Neuw Wasserschatz van 1581 de beschrijvingen van mineraalwaterbronnen in Italië slechts uit de tweede hand geeft, en niet op basis van eigen waarneming. al vindt hij het later opmerkelijk dat Tabernaemontanus zo goed bekend lijkt met de flora van Montpellier. (1899): 106
In 1548 was hij weer (of nog) in Wissembourg als herborist aan het werk. In 1538, 1548 en 1557 wordt hij als apotheker in Wissembourg vermeld. In 1549 (1888): 44 (1898): 48Conrad geeft 1554, maar diverse auteurs (zie o.a. (1899): 108) en ook Tabernaemontanus zelf schrijven dat hij tot 1554 (het jaar dat Filips II overleed) een gerieflijk leven had als lijfarts aan het hof in Saarbrücken. werd hij lijfarts van Filips II van Nassau-Saarbrücken. Na het overlijden van die laatste, op 19 juni 1554, verhuisde hij naar Wissembourg, waar hij in 1560 nog de opdracht aan Peter NimbsgernPeter Nimbsgern von Lungenfelden (ca. 1515 – ca. 1561), raadgever van de heren van Nassau-Saarbrücken, Bensdorf en Helfingen. Trad op als peetvader bij de doop van Tabernaemontanus' oudste zoon. in zijn boek Ordenliche gewisse unnd bewerte Cur schreef. Van 1561 of 1563Bergdolt (2005) noemt als aanvang 1561, Müller-Jancke (2013) en Conrad zeggen 1561–1580; Roth (1899: 109) redeneert dat Tabernaemontanus zelf opgeeft dat hij 18 jaar in dienst van Marquard was, dat die laatste in 1581 overleed, en dat daaruit volgt dat hij in 1563–1564 bij hem in dienst moet zijn gekomen. tot 1580 was hij lijfarts van prins-bisschop Marquard von Hattstein van Speyer. Op het titelblad van Gewisse unnd erfahren Practick (1564) noemt hij zich 'Nassawischer Medicum', wat zou inhouden dat hij inmiddels ook weer arts aan het hof van Saarbrücken was. (1899): 108–109 Die aanstelling gaf hij vermoedelijk op toen hij vanaf een onbekend tijdstip, maar niet al te lang na 1564, ook lijfarts aan het hof van Frederik III van de Palts in Heidelberg werd. (1899): 109–110
Op 26 augustus 1562 schreef hij zich in aan de Universiteit van Heidelberg, (1884). Die Matrikel der Universität Heidelberg von 1386 bis 1662 2 (1554–1662): 29Nog een aanwijzing dat Tabernaemontanus in elk geval zijn doctorsgraad niet in Padua of Montpellier heeft gehaald. Schwarz (1999) schrijft dat Tabernaemontanus de studie in Heidelberg volgt omdat zijn buitenlandse diploma in zijn vaderland niet erkend zou worden. Het was in die tijd echter zeer gebruikelijk dat geneeskundestudenten hun doctorsgraad in het buitenland behaalden, en van het niet erkennen van buitenlandse diploma's was geen sprake. waar hij uiterlijk in 1573 promoveerde tot 'doctor medicus'.In zijn in 1573 verschenen Kurtzer Underricht und Rahtschlag noemt hij zichzelf op de titelpagina voor het eerst 'der Artzeney Doctorn', zie: (1897): 91.
In 1569 verbleef hij als lijfarts van de zieke Marquard negen weken in Frankfurt am Main bij de daar door Maximiliaan II uitgeschreven Deputationstag. (1898): 52–53 In 1570 was hij, opnieuw als begeleider van Marquard, aanwezig bij de Rijksdag in Speyer. (1899): 110 In 1580 verhuisde hij van Heidelberg naar Worms waar hij tot 1584 stadsarts was. Daarna ging hij in het nabijgelegen NeuhausenSinds 1898 is deze in 847 gestichte plaats een stadsdeel van Worms. wonen, waar hij als arts aan het Collegium illustre werkte. (2013)
Adam schrijft dat hij drie keer gehuwd is, en met die drie echtgenotes in totaal achttien kinderen had. (1620): 314 Van twee daarvan, Johann Jacob en Philipp Jacob, is bekend dat ze zich op 10 juli 1569 als student inschreven aan de universiteit van Heidelberg, (1899): 108, 113 (1884). Die Matrikel der Universität Heidelberg von 1386 bis 1662 2 (1554–1662): 52 en later arts waren. (1899): 113
Werk
Tabernaemontanus zelf schrijft volgens Ferdinand Roth dat hij rond 1551 als arts begon te praktiseren.Tabernaemontanus schreef dat hij in de jaren 1551 en 1552 het behandelen van de pest gepraktiseerd had, niet dat dat zijn eerste optreden als arts was. Roth worstelt er in dit verband ook mee dat hij al in 1549 lijfarts aan het hof van Saarbrücken werd, wat hem eveneens waarschijnlijk lijkt. In 1551 en 1552 heerste de pest in de Palts. Zijn ervaringen met het behandelen van die ziekte schreef hij op verzoek van Filips II van Nassau-Saarbrücken in 1553 op in een manuscript dat hij in 1564 liet uitgeven als Gewisse unnd erfahren Practick en daarbij opdroeg aan de broers Johan en Adolf van de inmiddels overleden Filips. In 1552 trok hij met Johan mee naar Metz toen Karel V die stad (vruchteloos) belegerde, en genas er veel gewonde en zieke soldaten. (1899): 107 Net als veel van zijn tijdgenoten was Tabernaemontanus van mening dat ziekten die in een bepaald gebied opdoken, behandeld moesten worden met de middelen die door de voorzienigheid ter plekke werden aangeboden. (ed.) (1842). Tabernaemontanus, Jacobus Theodorus. The Penny Cyclopaedia of the Society for the Diffusion of Useful Knowledge 23: 494 Bij de behandeling van de gewonden had hij veel succes met 'bijvoet',Roth (1897: 84; 1898: 48) noemt de plant als 'Beifuss' (Artemisia); Adam (1620: 315) en Freher (1688: 1292) noemen beiden alleen de naam 'Artemisia'. Tabernaemontanus zelf noemt de plant 'Beyfuss', en schrijft" "Mit solcher Artzeney hab ich in der Belaegerung der Reichsstatt Mess [= Metz] viel und grossen Danck verdient", zie: (1688). Neuw Kreuterbuch 1: 41. In zijn hoofdstuk over Beyfuss (Cap. VII) noemt hij onder die naam eerst een veelheid aan kruiden, waaronder 'Echter Beyfuss' ('Artemisia'), 'Mettram' (= Mutterkraut, Moederkruid) en Reynfahrn (= Rainfarn, Boerenwormkruid), maar van die laatste twee behandelt hij de geneeskrachtige werking apart, zodat de door hem gebruikte plant bij de genezing van de wonden vermoedelijk bijvoet of een verwante alsem is geweest ('Wermuth', de absintalsem, wordt door hem in het eerste hoofdstuk van het boek behandeld, en komt dus niet in aanmerking; Witte alsem (Artemisia alba ) is een Zuid-Europese soort). Tabernaemontanus noemt twee soorten: 'Artemisia rubra' en 'Artemisia alba', die volgens Gaspard Bauhin twee kleurvarianten zijn van 'Artemisia vulgaris', zie: (1623). Pinax theatri botanici: 137. die in deze regio in overvloed groeide. (1897): 84