Hertogin Margaretha van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg (Haus Sandberg am Alsensund bij Sonderburg,Menk (2004), p. 194. 24 februari 1583Alle bronnen die een volledige geboortedatum vermelden, noemen deze datum. – Nassauischer Hof, Siegen, 10/20 april 1658De overige bronnen die de overlijdensplaats en -datum vermelden, schrijven overleden in Siegen op 10 april 1658.), Duits: Margarethe Herzogin von Schleswig-Holstein-Sonderburg (officiële titels: Erbin zu Norwegen, Herzogin zu Schleswig, Holstein, Stormarn und der Dithmarschen, Gräfin zu Oldenburg und Delmenhorst), was een hertogin uit het Huis Sleeswijk-Holstein-Sonderburg en door huwelijk gravin van Nassau-Siegen.

Biografie miniatuur|links|Hertog Johan ‘de Jongere’ van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg, de vader van Margaretha. Margaretha werd op 24 februari 1583 in Haus Sandberg am Alsensund bij Sonderburg geboren als de jongste dochter van hertog Johan ‘de Jongere’ van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg en diens eerste echtgenote hertogin Elisabeth van Brunswijk-Grubenhagen.Dek (1970), p. 86.Textor von Haiger (1617), p. 153. Margaretha’s vader was een jongere broer van koning Frederik II van Denemarken.Lück (1981), p. 95.

miniatuur|links|Graaf Johan VII ‘de Middelste’ van Nassau-Siegen, de echtgenoot van Margaretha. Atelier van Jan Antonisz. van Ravesteyn, ca. 1610-1620, Rijksmuseum Amsterdam. Margaretha huwde op Slot RotenburgGlawischnig (1974) vermeldt gehuwd in Rotenburg/Fulda. Textor von Haiger (1617), p. 153 vermeldt gehuwd in Rotenburg in Hessen en specifieert dat het daarbij ging om de Beilager en dat de Heimführung plaatsvond op 3 september 1603 in Dillenburg. op 27 augustus 1603Op een na alle bronnen die een volledige huwelijksdatum vermelden, noemen deze datum. Alleen Glawischnig (1974) vermeldt de datum 6 september 1603. Het is niet duidelijk of de auteur bedoeld heeft om de door de andere bronnen vermelde datum om te rekenen naar de Gregoriaanse kalender, noch of die door de andere bronnen vermelde datum volgens de Juliaanse kalender is. met graaf Johan VII ‘de Middelste’ van Nassau-Siegen (Slot Siegen,Menk (2004), p. 193.Aβmann & Menk (1996).Glawischnig (1974) vermeldt geboren in Siegen. Alle oudere bronnen die een geboorteplaats vermelden, schrijven geboren in Dillenburg. 7 juni 1561 – aldaar,Lück (1981), p. 126.De overige bronnen die een overlijdensplaats vermelden, schrijven overleden in Siegen. 27 september 1623Op een na alle bronnen die een volledige overlijdensdatum vermelden, noemen deze datum. Alleen Glawischnig (1974) vermeldt de datum 7 oktober 1623. Het is niet duidelijk of de auteur bedoeld heeft om de door de andere bronnen vermelde datum om te rekenen naar de Gregoriaanse kalender, noch of die door de andere bronnen vermelde datum volgens de Juliaanse kalender is.), de tweede zoon van graaf Johan VI ‘de Oude’ van Nassau-Siegen en diens eerste echtgenote landgravin Elisabeth van Leuchtenberg.Alle bronnen die beide ouders vermelden, noemen deze ouders. Johan ‘de Middelste’ was weduwnaar van gravin Magdalena van Waldeck-Wildungen (1558Alle bronnen vermelden alleen dit geboortejaar. – Slot Idstein,De overige bronnen vermelden geen overlijdensplaats. 9 september 1599Alle bronnen die een volledige overlijdensdatum vermelden, noemen deze datum.).

Margaretha ontmoette Johan nadat hij had gediend als opperbevelhebber van het Zweedse leger in Lijfland. Ondanks dat hij al een zoon had die een jaar ouder was dan Margaretha, huwden ze.

miniatuur|Slot Siegen in 2011. Bij het overlijden van zijn vader op 8 oktober 1606 volgde Johan zijn vader op samen met zijn broers Willem Lodewijk, George, Ernst Casimir en Johan Lodewijk. Op 30 maart 1607 deelden de broers hun bezittingen,Vorsterman van Oyen (1882), p. 115. waarbij Johan Siegen, Freudenberg, Netphen, Hilchenbach, Ferndorf en het Haingericht verkreeg.Huberty, et al. (1981), p. 219. Sinds de verdeling had Johan zijn residentie op Slot Siegen,Menk (2004), p. 184. dat rond die tijd door hem vernieuwd werd.

Johans idee om de protestantse zaak goede leiders van een volksleger te geven, was de reden voor de in 1616 in Siegen gestichte Kriegsschule, waarschijnlijk de eerste militaire academie ter wereld. De vorsten die Johan om financiële hulp vroeg, gaven hem geen stuiver. Maar ondanks dat hij door het steunen van de Nederlandse Opstand zo in de schulden zat dat hij een tijdlang overwoog zijn residentie in Siegen op te geven en bij zijn broer Willem Lodewijk te gaan wonen, richtte hij niettemin de school op. Margaretha schreef in die tijd een brief aan koning Christiaan IV van Denemarken, waarin ze vroeg om de betaling van een oude schuld. Mogelijk heeft Deens geld gediend om de Kriegsschule te openen. De Dertigjarige Oorlog brak echter zo vroeg uit dat de Kriegsschule in Siegen geen effect kon sorteren en spoedig ophield te bestaan.Lück (1981), p. 98.

Toen Johan in 1607 het graafschap Nassau-Siegen had gekregen, besloot hij dat zo’n klein land (het had ongeveer 9.000 inwoners en bracht jaarlijks ongeveer 13.000 gulden op) niet opnieuw verdeeld moest worden. Om dat te voorkomen had hij een testament gemaakt, waarin stond dat alleen de oudste zoon zou regeren, en de andere kinderen met geld of ambten moesten worden gecompenseerd. Als een van de meest overtuigde voorvechters van het protestantisme, was het voor Johan bijzonder pijnlijk dat zijn tweede zoon, Johan ‘de Jongere’, zich in 1613 bekeerde tot de katholieke kerk. In een codicil van 8 oktober 1613 legde hij uitdrukkelijk vast dat zijn erfgenamen het land in de gereformeerde belijdenis moesten laten. Aan dit bij testament vastgestelde huisrecht veranderde de bekering van Johan ‘de Jongere’ tot het katholicisme aanvankelijk niets, omdat hij niet de oudste zoon was. Dat was namelijk Johan Ernst.Lück (1981), p. 99.

Tot grote verrassing van zijn verwanten trad Johan ‘de Jongere’ in 1617 in dienst bij de Spanjaarden en sloot zich dus aan bij de tegenstanders van het Huis van Nassau en de Republiek der Verenigde Nederlanden. In hetzelfde jaar sneuvelde zijn oudere broer Johan Ernst in dienst van de Republiek Venetië. De overgang van Johan ‘de Jongere’ naar de politieke vijand trof zijn vader even hard als destijds de bekering tot het katholicisme. Deze nieuwe situatie dwong Johan zich af te vragen of een vijand van Nassau en de Nederlanden überhaupt zijn erfgenaam kon blijven.Lück (1981), p. 123. Op 15 november 1617 verklaarde Johan zijn testament van 8 april 1607 voor ongeldig.Lück (1981), p. 124. Afschaffing van de primogenituur, d.w.z. het eerstgeboorterecht, zou echter een verdeling van het kleine land hebben betekend, en daarom verzette Johan zich tegen alle voorstellen in die richting. In plaats daarvan liet hij, in een minnelijke overeenkomst, zijn zoon op 31 december 1617 een verklaring ondertekenen, waarin deze verklaarde dat, hoewel hij zelf katholiek was en bleef, hij zijn onderdanen niet tot een andere dan de bestaande geloofsbelijdenis zou dwingen. Al zijn broers raadden Johan ‘de Middelste’ aan het eerstgeboorterecht te wijzigen, maar hij vertrouwde vast op het woord, de brief en het zegel van zijn zoon. Op 22 december 1618 stelde Johan een tweede testament op, dat de bovengenoemde toezeggingen van zijn zoon als voorwaarde had en nog steeds vasthield aan het eerstgeboorterecht. Hij stelde echter op de invoering van het ‘papendom’ de straf van onterving.

Pas toen Johan ‘de Middelste’ ervan overtuigd was geraakt dat zijn zoon onder invloed van de jezuïeten stond en dat de mogelijkheid van een katholiek gebied binnen de Nassause landen een gevaar voor de protestantse inwoners betekende, liet hij zich overhalen tot het maken van een nieuw testament. Op 3 juli 1621 stelde hij een derde testament op, waarin hij iets vastlegde dat hij tot dan toe altijd als volslagen onzinnig had beschouwd, namelijk om het kleine graafschap Nassau-Siegen, dat nauwelijks in staat was om één heer te onderhouden, in drie delen te splitsen. De drie oudste zoons, Johan ‘de Jongere’, Willem (beide zoons uit Johans eerste huwelijk) en Johan Maurits (de oudste zoon van Margaretha), zouden elk een derde deel krijgen.Lück (1981), p. 100. Het bestuur van de stad Siegen zou gemeenschappelijk voor de drie zoons blijven.Huberty, et al. (1981), p. 247.

Voor Johan ‘de Jongere’ was in het derde testament dus slechts een derde van het graafschap voorzien. Op 6 augustus 1621 werd hij hiervan op de hoogte gesteld met een nauwkeurige opgave van de redenen die zijn vader tot deze stap hadden bewogen. Pas op 9 mei 1623, dat wil zeggen twee jaar later, protesteerde Johan ‘de Jongere’ hiertegen met een brief vanuit Frankfurt aan de raadsheren van Siegen. Natuurlijk had hij intussen niet stilgezeten en had hij niet geschroomd om zijn vader bij de keizer aan te klagen. Ten tijde van zijn protestbrief was hij zeker al op de hoogte van het Poenale mandatum cassatorium, dat keizer Ferdinand II enige tijd later, op 27 juni 1623, officieel uitvaardigde en waarmee Johan ‘de Middelste’ meegedeeld werd dat hij ten tijde van het opmaken van zijn derde testament als medestrijder van de vogelvrij verklaarde Winterkoning niet gerechtigd was een testament op te maken. Hij moest dit testament dus intrekken en zich binnen twee maanden voor een keizerlijk gerechtshof verantwoorden. Het heeft er alle schijn van dat Johan ‘de Jongere’ er daarna voor teruggeschrokken is het keizerlijk decreet aan zijn ernstig zieke vader te laten bezorgen.

miniatuur|De Nicolaaskerk in Siegen in 2016. Johan overleed korte tijd later, 62 jaar oud. Geen van de drie in het testament genoemde zoons was bij het overlijden van hun vader aanwezig. Op 13 oktober arriveerden Willem en Johan Maurits in Siegen, en op 26 oktober Johan ‘de Jongere’. Hun vader werd op 5/15 november 1623 begraven in de Nicolaaskerk in Siegen.Lück & Wunderlich (1956), p. 27.Lück & Wunderlich (1956), p. 33. Daar had hij voor de door hem gestichte dynastie de bouw van een waardige begraafplaats gepland. Hiervoor bestaan opmerkelijke aantekeningen in het Latijn, deels in elegische verzen, voor een geprojecteerd gedenkteken en begraafplaats van de landsheerlijke familie uit de tijd rond 1620 met de naamgeving van alle 25 kinderen uit zijn twee huwelijken, met ook details over geboorte, huwelijk en overlijden van zijn familieleden. Aangezien het project niet werd uitgevoerd, vonden de begrafenissen van de leden van de familie tussen 1607 en 1658 plaats in de ontoereikende grafkelder onder het koor van de genoemde parochiekerk.Menk (2004), p. 184.

Iedereen wist dat er ruzie zou komen bij de voorlezing van het testament op 11 december 1623. Johan ‘de Jongere’ liet het keizerlijke decreet voorlezen, en toen zijn broers daar niet erg van onder de indruk waren, zei hij bij het opstaan: ‘Der Kaiser wird uns scheiden!’. Hij had de voorzorg genomen om een volgend keizerlijk decreet van 20 november 1623 te verkrijgen tegen gravin-weduwe Margaretha en haar zoons, waarin de keizer ten strengste verbood om Johans regeringsaanvaarding, zijn inbezitneming van het land en zijn huldiging te belemmeren. Johan ‘de Jongere’ kon op 12 januari 1624 de huldiging van de stad Siegen aanvaarden, maar alleen omdat hij tevoren in een hevige sneeuwstorm heimelijk een eskadron geselecteerde ruiters door de kasteelpoort (dus niet door een stadspoort) de stad had binnengelaten, zodat zij door de stadswachten niet gezien of gehoord konden worden.