Het Indiase kastenstelsel is het gesloten systeem van jati's in India. Hoewel de vier varna's van brahmanen, kshatriya's, vaishya's en shudra's nog wel eens genoemd worden als de basis van het Indiase kastenstelsel, hebben deze vooral een theoretische betekenis en zijn het de jati's die het dagelijks leven beheersen. (1999) Om het onderscheid duidelijk te houden, kan varna daarom beter onvertaald blijven, terwijl jati zowel kaste als subkaste betekent.

Het kastenstelsel is met de ideeën van natie en etnoreligieuze gemeenschap een belangrijke uitgevonden traditie in India.

Buiten de kerngebieden van het brahmanisme heeft kaste tot de koloniale tijd weinig invloed gehad. Over de invloed en de vorming binnen het kerngebied is veel controverse geweest. Een benadering geeft brahmanen een centrale rol die begonnen zou zijn in de Veda's, daarna geromantiseerd zou zijn in de Bhagavad Gita en uiteindelijk gecodificeerd in de Manusmriti. Een hierop aansluitende benadering is dat oriëntalisten kaste als de definiërende factor van de Indiase maatschappij zagen, waarna Britse kolonialisten ten tijde van Brits-Indië teruggrepen op de bijna vergeten Manusmriti, deze een centrale rol gaven en de hun bekende jati's onder de vier varna's indeelden, deze daarmee aan elkaar koppelend en door het gebruik tijdens het bestuur zouden de kasten daardoor een zelfwaarmakende beschrijving zijn geworden. Ook de bevrijdingsnationalisten zouden de Indiase samenleving daarna vanuit dit raamwerk hebben benaderd, zelfs in hun afwijzing van het kastenstelsel. Anderen stellen dat niet de brahmanen, maar de kshatriya's de bepalende varna waren. Dit laatste lijkt een goede beschrijving van de situatie in de militaire staten aan de rand van het brahmaanse kerngebied van voor de Britse kolonisatie, maar de invloed van de brahmanen kan moeilijk ontkend worden. Tussen deze uitersten overheerst dan ook het beeld dat varna en jati veranderlijke begrippen zijn geweest in de lange geschiedenis vanaf de vedische tijd.

Na de onafhankelijkheid zag de overheid van het nieuwe India zich gedwongen een tegenstrijdig beleid te voeren waarbij enerzijds gepoogd werd om tot een kasteloze maatschappij te komen en het anderzijds het lot wilde verbeteren van achtergestelde kasten. Hoewel sindsdien grote groepen een groei van zeggenschap en welvaart hebben gezien, heeft dit beleid met reserveringen voor achtergestelde kasten het kastenstelsel verder bevestigd.

Hoewel de varna's voortkomen uit het brahmanisme en daarom vooral met het hindoeïsme worden geassocieerd, onderschrijven ook de aanhangers van andere religies delen van het kastenstelsel. Zo kwamen zowel Gautama Boeddha, de stichter van het boeddhisme, en Mahavira, de stichter van het jainisme, uit een lijn van kshatriya's en verwierpen niet zozeer de varna's als wel de positie van de brahmanen daarin. Dit werkte ook later door en zo zijn de sikhs zich bewust wie behoort tot de boerenkaste van de jat sikhs en wie behoort tot hogere kasten als de khatri en de arora, terwijl in Zuid-India sommige christenen zich wel laten voorstaan op hun brahmaanse afkomst. Voor moslims was het tot voor kort niet ongewoon om de rajput-idealen te onderschrijven.

Ook Mahatma Gandhi verwierp het kastenstelsel niet, maar wilde onaanraakbaren en adivasi verheffen tot wat hij zag als de superieure levenswijze van de zuivere kasten.

Varna's Een varna is een sociale klasse en er is dan ook enige sociale mobiliteit waarbij mensen overgaan van de ene naar de andere varna. Het zijn meer ideaaltypes dan dat deze een belangrijke rol spelen in het dagelijks leven.Proceed towards a contemporary jati, with its constituent social groups and their interrelationships, and the concrete and the factual receive increasing attention. However, once the varnas are given primary attention, the ideal and the symbolic take over, for varnas refer to certain genres in the Indian ideology [...] (1978): 'The One and the Many: Varna and Jati as a Symbolic Classification' in American Studies in the Anthropology of India, Manohar, 35-61 Er zijn vier varna's: brahmanen, de priesterlijke en geleerde klasse kshatriya's, de strijders en heersers en ook de grootgrondbezitters vaishya's, de landbouwers en handelaars shudra's, de burgers en arbeiders

Als vijfde kunnen de dalits of onaanraakbaren onderscheiden worden, de buitengesloten groep, ook wel avarna, niet-varna.

Jati's Een jati is een gemeenschap en geboortegroep en het is dan ook niet tot nauwelijks mogelijk uit deze groep te stappen. Er zijn duizenden jati's, variërend in grootte van duizenden tot soms zelfs miljoenen mensen. De meeste zijn buiten hun eigen regio onbekend, maar enkele als de rajputs, chamars en jat zijn ver daarbuiten bekend. Waar een varna iemand slechts in zeer algemene termen beschrijft, vertelt een jati veel over de sociale identiteit. Hoewel afkomst een belangrijke rol speelt, is een jati breder dan alleen de verwantschap. Het verband tussen en het belang van jati en varna varieert per gebied en per doctrine die aangehangen wordt.

Geschiedenis Samhitaperiode, Rigveda In de Samhita's, de oudste delen uit de Veda's, lag de nadruk nog op de deva's of goden waaraan lofverzen werden opgedragen. In deze Samhitaperiode behoorde het land waarschijnlijk aan het volk (viś) als geheel. Uit de Rigveda blijkt dan ook geen sociale hiërarchie van de latere vier varna's, wat ook niet gebruikelijk is in tribale pastorale samenlevingen. Wel werden er slaven gehouden, later wel aangeduid als dasa of dasi, wat een etnisch element doet vermoeden. De voor de dasa's en dasyu's gebruikte epitheta doen vermoeden dat het niet altijd uiterlijke verschillen betrof, maar dat er wel culturele verschillen waren en dit lijkt in de vroege vedische samenleving een belangrijkere rol te hebben gespeeld. De brahmana en kshatriya worden in de Rigveda nog niet samen met varna genoemd. Hymne 3.44-45 suggereert ook dat geboorte niet bepalend is voor de latere positie. (2008)

In de Rigveda in mandala 10, hymne 90, de Purusha sukta, wordt de purusa beschreven als een van de scheppende krachten. In vers 12 wordt verhaald hoe deze in verschillende stukken wordt gehakt, de brahmán (mond), rājanya (armen), vaiśya (dijen) en śūdra (voeten). Dit is wel uitgelegd als het ontstaan van de vier varna's, waarbij zijn mond de priester (brahmana) werd, zijn armen de krijger (kṣatriya), de dijen het volk (vaiśya) en de voeten de dienaren (śūdra). Dit zou een legitimatie zijn van de maatschappelijke onderverdeling in de vier varna's.

Deze uitleg wordt om meerdere redenen betwist. Allereerst wijkt de stijl af van alle andere hymnen, wat er op zou kunnen duiden dat deze later is toegevoegd. Daarnaast is het de enige plek in de Rigveda waar śūdra wordt genoemd, waarmee de sociale klasse uit vier en niet uit drie zou bestaan. Ook wordt varṇa in de Rigveda nog niet gebruikt om een sociale klasse aan te duiden, maar refereert het aan kleur, voorkomen en vooral vorm. Ook de benamingen van de vier lichaamsdelen hadden nog niet de latere betekenis. (2008): Discovering the Vedas. Origins, Mantras, Rituals, Insights, Penguin Books India, p. 60

Mantraperiode De mantraperiode zag de eerste aanzet tot de vier varna's. In de eerdere samhitaperiode lag het vedische centrum, het Aryavarta, nog in de Punjab. Dit verschoof in de mantraperiode meer naar het oosten naar Kurukshetra. Daar verenigden de Kuru's de 50 stammen tot een enkele superstam. Gaandeweg vormde zich een agrarische samenleving, al bleef deze nog geruime tijd semi-nomadisch. De Kuru's gingen een verbond aan met de Panchala uit het oostelijker gelegen middenland Madhyadesha, wat met Kurukshetra het belangrijkste gebied werd. Met de trek richting het oosten kwamen de arya in contact met andere volken en de wisselwerking met andere talen droeg ertoe bij dat er Indo-Arische dialecten ontstonden die steeds meer afweken van de mondelinge traditie van de Veda's. De wisselwerking maakte dat enerzijds de inheemse volken – waarvoor nishada mogelijk aanvankelijk een generieke term was – een arianisering of sanskritisering ondervonden, maar tegelijkertijd de Indo-Ariërs een indianisering. De sanskritisering maakte een opwaartse sociale mobiliteit mogelijk van inheemse volken onder Indo-Arisch gezag.

In deze periode werd de Kuru-reformatie ingezet waarmee de nadruk verschoof van de rigvedische rituelen uit de Samhita's naar de śrauta-rituelen uit de Brahmana's. Met de brahmanistische rituele offers (yajna's) konden de brahmananen de goden in toom houden, wat hen meer macht gaf ten opzichte van de kshatriya's, de krijgers en heersers, overigens zonder wereldlijke macht naar zich toe te trekken. Ten tijde van de Rigveda was Ṛta de universele orde, maar verschoof naar dharma (normen). De reformatie stimuleerde de verdere ontwikkeling en canonisering van de Veda's. Hoe dit proces verlopen is, is onduidelijk, omdat er een gat zit tussen de Rigveda en de Maitrayani-Samhita en Katha-Samhita, de vroegste werken van de Yajoerveda, de Veda van de mantra's. Wel blijkt uit alle mantrateksten dat de sociale stratificatie toenam en dat de vier varna's zich vormden.

Brahmanische en Aranyaka-periode Tijdens de Brahmanische en Aranyaka-periode woonden de arya alleen in grama's, tijdelijke nederzettingen. Er waren wel permanente nederzettingen, maar deze waren van nishada van wie de arya de oogst roofden. De Yajoerveda-Samhita laat al zien dat de brahmanen en de kshatriya's steeds meer een front vormden tegen de viś, de vaishya's, shudra's en dasa om hen te exploiteren, zoals de brahmanen zelf schreven. De hiërarchie varieerde echter nog wel. In de Panchavimsha-Brahmana (13, 4, 17) stond de rajanya bovenaan en ook Shatapatha-Brahmana (13.8.3.11) heeft de kshatriya's aan de top. In Shatapatha-Brahmana 1.1.4.12 is de volgorde echter brahmana, vaishya, rajanya en shudra. Tegen de tijd van de dharmasoetra's werd de klassieke indeling gemeengoed. Zo werden uit bestaande sociale klassen strikte varna's gevormd en nam de sociale stratificatie toe. De landbouwsamenleving liet al specialisatie toe en er waren dan ook al timmerlieden en smeden, terwijl wagenmakers hoog aangeschreven stonden.

Het min of meer vriendschappelijke Kuru-Panchala-verbond eindigde toen de Salva binnenvielen in Kurukshetra, waarna Madhyadesha van de Panchala het middelpunt werd van de Veda's. Volgens de Shatapatha-Brahmana 10.4.1.10 hadden de Salva alle vier de varna's. (1997): 'The Development of the Vedic Canon and its Schools: The Social and Political Milieu (Materials on Vedic Śåkhås, 8)' in (ed.) Inside the texts, Beyond the Texts, Harvard University Department of Sanskrit and Indian Studies

De oostelijker gelegen gebieden Koshala en Videha maakten een eigen ontwikkeling door. Hier ontwikkelde de witte Yajoerveda zich en werd niet aan vuuroffers gedaan. Ze werden in het westen dan ook als buitenstaanders gezien en brahmanen werden geacht niet naar deze gebieden te trekken. Waarschijnlijk waren dit ook Indo-Arische stammen die echter onder druk van de Bharata en Kuru al eerder naar het oosten waren getrokken. Enkele eeuwen later was de situatie volledig veranderd en in de boeddhistische geschriften die waarschijnlijk van na de vroege Upanishads dateren, worden de eerder nog verboden gebieden als volledig gebrahmaniseerd beschreven. Het later zo belangrijke Magadha wordt nauwelijks genoemd in de Veda's, terwijl de Vrijji en Malla nog niet naar het oosten waren getrokken.

Upanishadische of vroege historische periode