thumb|Friedrich Weinreb Onder de benaming Weinreb-affaire(s) wordt verwezen naar de omstreden activiteiten van de persoon Friedrich Weinreb (1910-1988),Een valse messias, De Groene Amsterdammer, 6 oktober 1999 een Nederlandse orthodoxe Jood die het onderwerp werd van emoties loswoelende en zich vele jaren voortslepende schandalen. Eén ervan werd vooral bekend als dé zogeheten Weinreb-affaire. Die betrof zijn activiteiten als collaborateur tijdens de Duitse bezetting van Nederland en vermeend Jodenhelper ten tijde van de deportaties in 1941-1944. Gedurende een periode van zo'n twintig maanden zou hij zo middels een geraffineerd en ingewikkeld spel vele Joden hebben "gered". Hun deportatie werd althans uitgesteld omdat hun namen voorkwamen op een door hem opgestelde fictieve lijst. Degenen die daarvoor betaalden verstrekte hij een schriftelijke bevestiging, die ze bij aanhouding door de Sicherheitsdienst konden overleggen om zoals hij hen deed geloven aan deportatie te ontkomen.

Na de oorlog werd hij ervan beschuldigd middels deze lucratieve handel in Sperren een laakbare rol te hebben gespeeld bij de uiteindelijke deportatie van honderden Joden, die hij misleidde en manipuleerde en voor wie dit uitstel "wegens een aanhangig emigratieverzoek" waarvoor zij grif betaalden geen afstel werd; en vervolgens ook van Joden die hij, sinds september 1942 nadat hij zelf opmerkelijk genoeg drie dagen na zijn eigen arrestatie door de SD weer was vrijgelaten, regelrecht zou hebben verraden aan de Duitsers. Minstens zeventig mensen zouden als gevolg van zijn optreden het leven verliezen.

Bij de Bijzondere rechtspleging na de oorlog werd hij daarvoor vervolgd en veroordeeld. Daarnaast werd hij na de oorlog ook herhaaldelijk vervolgd en veroordeeld voor zedenzaken en omdat hij zich voor arts uitgaf ook wegens het onbevoegd uitoefenen van voorbehouden handelingen, middels het onderzoeken van vrouwen, of "keuren" zoals hij dat noemde.Weinreb als onbevoegd gynaecoloog Maandblad Vereniging tegen de Kwakzalverij, eenennegentigste jaargang, nr. 1, januari 1976, p. 39.

De Tweede Kamer heeft zich herhaaldelijk beziggehouden met de rapportage over Weinrebs activiteiten: tijdens zittingen in 1971-1972, 1974-1975, 1976-1977 en 1980-1981.

Activiteiten in 1941-1944 Het spel met de eerste'Weinreb-lijst' Onder de Duitse bezetting speelde Weinreb, die bij velen in de plaatselijke Joodse gemeenschap in Den Haag en Scheveningen over een zeker aanzien en gezag of charisma beschikte, een controversiële rol. In december 1941 zette hij een fictief emigratiebureau op en creëerde in zijn voorspiegelingen een niet-bestaande, door hem gefingeerde Duitse generaal, met wie hij naar eigen zeggen correspondeerde. Weinreb deed geloven te opereren onder fiat van deze generaal, "Herbert Joachim von Schuman", werkzaam bij het Duitse Oberkommando der Wehrmacht in Berlijn; daarmee speculerend op vrees voor interne spanningen binnen de Duitse gelederen. Joden die zich bij Weinreb – tegen betaling – lieten registreren voor een zogeheten Sperre (beletsel, barrière), spiegelde hij voor dat zij hun deportatie konden uitstellen en zelfs een toevlucht in het onbezette Vichy-Frankrijk zouden kunnen vinden. Vanuit een mystieke dispositie geloofden velen zijn beloften en suggesties dat hij een dergelijk wonder kon bewerkstelligen om hen uit hun hopeloze situatie te verlossen. Merkwaardigerwijs verleenden de Duitse bezetters zowaar een gedeeltelijke medewerking aan Weinrebs initiatief: de intekenaars werden door de gewestelijke arbeidsbureaus die de Joodse Raad erover hadden geraadpleegd, die vervolgens bij de SD informeerde, voorlopig van deportatie vrijgesteld."Het 'spel' van Weinreb", Trouw, 26 april 1969 Vele honderden Joden lieten zich op deze mysterieuze (eerste) "Weinreb-lijst" plaatsen om de schriftelijke bevestiging daarvan te tonen bij het gewestelijk arbeidsbureau indien zij werden opgeroepen. De SD liet dit maandenlang op zijn beloop. Later is beweerd dat de betalingen die hij van hen ontving, opliepen tot een bedrag van 300.000 gulden."Weinreb", De Waarheid, 21 oktober 1988

Later zou aan Weinreb in verband met deze activiteiten een "geniale fantasie" worden toegeschreven.Evert Werkman in Het Parool, 26 mei 1975 Volgens zijn latere verdedigster Renate Rubinstein zou Weinreb meer hebben begrepen van de bureaucratische mentaliteit van de Duitsers dan het verzet.Trouw, 26 april l969

Ook na het falen van dit systeem, toen bleek dat meerdere intekenaars tóch waren opgepakt, ging Weinreb ermee door. Dit rechtvaardigde hij later door erop te wijzen dat hij de veelal willoze slachtoffers van de Jodenvervolging toch weer enig uitzicht had geboden door ze de kans te geven hun passieve houding af te leggen. Critici stelden echter dat hij hen valse hoop gaf en onderduikers ertoe bewoog de fatale stap te zetten hun schuilplaatsen op te geven. 90% van de later door hem in zijn memoires genoemde personen is niet teruggekeerd van de concentratiekampen en degenen die wel overleefden, waren in meerderheid zeer slecht over hem te spreken en herinnerden zich hem vooral als een onbetrouwbare opportunist en profiteur."F. Weinrebs memories laten vele vragen open", De Telegraaf, 29 november 1969

Arrestatie Op 11 september 1942 werd Weinreb door de Duitsers gearresteerd. Hij werd de volgende dag naar het beruchte SD-ondervragingscentrum Huize Windekind overgebracht, waar hij werd verhoord door de SD'er Fritz Koch.F. Weinreb, Collaboratie en Verzet 1940-1945, hoofdstuk 23 Weinreb zou erin zijn geslaagd zich te redden door de Duitsers aan het lijntje te houden met zijn verzonnen generaal.

Het spel met de 'Weinrebliste II' Na Weinrebs snelle vrijlating speelde de Haagse SD het spel gedurende zo'n vier maanden mee en werkte mee aan een tweede 'Weinreb-lijst'. Dit omdat ze vermoedden dat achter de schimmige generaal waarmee Weinreb schermde, werkelijk een hoge officier schuilging, die zich onrechtmatig trachtte te verrijken. Feitelijk fungeerde Weinreb vanaf dit moment als V-Mann. Onder meer werden met behulp van hem bij een inval in een pension in de Reinkenstraat in de Haagse wijk Duinoord 25 Joodse onderduikers opgepakt, van wie er geen de oorlog zou overleven. Toen de Duitsers de lijsten van Weinreb begonnen te doorzien, dook hij zelf onder, op 7 februari 1944. Pas na de bevrijding in mei 1945 zou hij weer tevoorschijn komen.

Rol in het verraad van Jan Carmiggelt Een van de vele gevallen waarmee Weinreb na de bevrijding in verband zou worden gebracht was het verraad van Jan Carmiggelt, de in 1943 omgekomen broer van Simon Carmiggelt. Spionage van Weinreb tijdens diens detentie in de oorlogsjaren zou onder meer hebben geleid tot het oppakken van Jan op 17 juli 1943 te Den Haag."Celspionage in Scheveningen", Het Parool, 6 oktober 1976 Hij was betrokken bij de verdeling van voedselbonnen aan onderduikers. Een bij hem en zijn vrouw ondergedoken Joods meisje kon via de achtertuin ontsnappen. Drie dagen voor de arrestatie van Jan Carmiggelt was de Joodse arts Joseph Kalker opgepakt, die weigerde namen te noemen, waarvoor hij mishandeling doorstond. Volgens Carmiggelt-biograaf Henk van Gelder ging het verder als volgt:

Eerste veroordelingen 1947: Bijzonder Gerechtshof In mei 1947 werd Weinreb voor het eerst vervolgd wegens strafbare feiten tijdens de bezetting, waarbij aan hem ten laste werd gelegd dat hij vervolgde Joden zou hebben opgelicht, wellicht zelfs duizenden, die hij had voorgespiegeld middels betalingen aan hem wegens een zogenaamd aanhangig emigratieverzoek te kunnen ontkomen aan deportatie naar Kamp Westerbork, waarheen zij desalniettemin werden afgevoerd om "op transport te worden gesteld" naar de vernietigingskampen in Polen. En dat hij zou hebben samengewerkt met de Duitse bezetters."Jood verried eigen rasgenoten", Het Binnenhof. 14 mei 1947"Weinreb, handelaar des doods", De Waarheid, 24 mei 1947"Weinreb verried zijn eigen volk", Het Binnenhof, 27 mei 1947"Weinreb pleegde zwendel van ongekende afmetingen", Provinciale Drentsche en Asser Courant, 29 mei 1947

Weinreb had voor zijn berechting een 1200 pagina's tellend verdedigingsgeschrift opgesteld. Een getuige in deze strafzaak die hem sinds 1939 kende, noemde hem een "fantast" die zich bezighield met "fantastische objecten". Er waren ook belastende verklaringen van SD-agenten die tegen hem als getuigen werden gehoord, onder wie een die zelf ter dood was veroordeeld. Op 27 november 1947 werd hij door het Bijzonder Gerechtshof te Den Haag veroordeeld tot drieënhalf jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest (de eis luidde tien jaar gevangenisstraf) en ontzetting uit het kiesrecht voor het leven wegens hulpverlening aan de vijand middels celspionage: nadat hij zelf was opgepakt, had hij met de SD onder één hoedje gespeeld om medegevangenen uit te horen en te verraden.

1948: Bijzondere Raad van Cassatie Op 25 oktober 1948 werd Weinreb in tweede instantie door de Bijzondere Raad van Cassatie conform de nieuwe eis veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf. In deze strafzaak noemde de openbaar aanklager advocaat-fiscaal mr. W.P. Bakhoven hem "een mengsel van een speler en een Hochstapler", met het Duitse woord voor oplichter, letterlijk een persoon die bedrog op bedrog stapelt."Tegen Weinreb zes jaar geëist", Algemeen Handelsblad, 5 april 1948Frits Kief, "Een merkwaardig proces", De Vlam, jrg. 4, no. 39, 25 september 1948"De zaak-Weinreb: Bedreigd recht", De Vlam, jrg. 4, no. 45, 6 november 1948 In december van dat jaar werd hem gratie verleend en werd hij in vrijheid gesteld, ter gelegenheid van het vijftigjarige regeringsjubileum van koningin Wilhelmina. Toen reeds roerde zich een Weinreb-comité dat zijn onschuld bepleitte."Weinreb in vrijheid", De Vlam, jrg. 4, no. 51, 18 december 1948

Volgende veroordelingen In 1956 werd Weinreb nogmaals veroordeeld wegens het zich onbevoegd uitgeven voor arts en in 1968-1969 zou hij op 57-jarige leeftijd opnieuw worden vervolgd en veroordeeld wegens na de oorlogsjaren gepleegde strafbare feiten. Zich uitgevend voor geneesheer (arts) had hij in de loop der jaren tientallen vrouwen inwendig "onderzocht", wat in feite neerkwam op het verrichten van onzedelijke handelingen, onder meer recentelijk te Vlaardingen in de woning van een hoofdonderwijzer die een "volgeling" van hem zou zijn en waar hij "spreekuur" hield. In verband met de strafrechtelijke vervolging voor de feiten waarvan hij werd verdacht, werd in 1966-1967 een psychiatrisch onderzoek uitgevoerd, waarin de bevinding was dat hij een "gestoorde persoonlijkheidsstructuur" zou hebben.

1968: De Vlaardingse zedenzaak