Henricus van Bijstervelt was een soldaat in dienst van de VOC, en gestationeerd in Colombo (Ceylon). Hij maakte in 1671 als gezant van gouverneur Rijcklof van Goens een reis naar het koninkrijk Kandy in het binnenland, om de koning, Raja Singha II, brieven te overhandigen en door hem vastgehouden krijgsgevangenen en eerdere gezanten vrij te krijgen. Dat laatste lukte hem niet, maar terugkeren uit Kandy, na een gedwongen verblijf van 8 maanden, was op zichzelf al een succes. Over zijn belevenissen schreef hij een rapport en op wikisource: s:nl:Rapport van Henricus van Bijstervelt van zijn reis naar Kandy in Ceylon dat de VOC belangrijke inzichten verschafte over het hof van Kandy en dat bewaard is gebleven in de archieven.

Historische achtergrond Ceylon was erg belangrijk voor de VOC omdat het de enige plek ter wereld was waar hoge kwaliteit kaneel groeide, waarmee grote winsten in Europa werden gemaakt. De VOC was daarom in 1638 ingegaan op het verzoek van Raja Singha om een bondgenootschap te sluiten dat tot doel had de Portugezen van het eiland te verdrijven. Nadat dit met de veroveringen van de forten van Colombo in 1656 en Jaffna in 1658 gelukt was, was het bondgenootschap op losse schroeven komen te staan. De VOC vond dat Kandy niet voldoende had bijgedragen aan de strijd en hield de op de Portugezen veroverde forten aan de kust als onderpand in bezit totdat de koning zijn deel van de oorlogskosten had betaald. In de periode daarna wilden gouverneur-generaal Maetsuycker en de Raad van Indië in Batavia dat Raja Singha te vriend werd gehouden, maar Van Goens, gesteund door de Heren XVII, stond een agressiever beleid voor en wilde het liefst ook de kaneelgebieden in het binnenland op Kandy veroveren. De VOC bezat naast de forten aan de kust ook enkele kleine fortjes in het binnenland, ten oosten van Colombo langs de Kelani rivier. Het dichtst bij Kandy gelegen fortje, Arandora, werd in 1670 door een Kandiaans leger onder generaal Tennekoon aangevallen. Het VOC garnizoen, bestaande uit zo'n 50 Hollandse en 100 inlandse soldaten uit Matara onder vaandrig Hans Steenbeek werd een vrije aftocht beloofd maar werd onderweg overvallen en krijgsgevangen gemaakt. Van Goens zag dit als verraad, maar gaf er om diplomatieke redenen de voorkeur aan om er vanuit te gaan dat dit door een anti-VOC factie aan het hof was georganiseerd, zonder toestemming van de koning.

Hoewel de VOC besloten had geen ambassadeurs meer naar Kandy te sturen omdat zij vaak heel lang werden opgehouden en, als het lukte in Kandy te geraken, meestal niet meer mochten terug keren, bood de jonge soldaat Van Bijstervelt zich herhaaldelijk aan bij Van Goens om toch naar Kandy te gaan. Uiteindelijk kreeg hij toestemming. Behalve brieven voor de koning kreeg hij geld mee om in Kandy vastgehouden Nederlanders te ondersteunen. Op 21 februari 1671 vertrok hij uit Colombo, de loop van de Kelani rivier volgend, vergezeld door twee afgezanten uit Kandy.

Van Bijstervelts rapport miniatuur|De Kelani rivier Op de derde dag aangekomen bij het na de val van Arandore door de VOC verlaten fortje Sitawacke wordt hij verwelkomd door Singalese officieren, soldaten, trompetters, trommelaars en enkele olifanten, die hem verder begeleiden op de weg naar Kandy. Ongeveer zes uur stroomopwaarts van het fortje Ruanelle ziet hij uit de verte een tiental krijgsgevangenen, 'seer naackt en armoedigh'. Na een voorspoedige reis arriveert hij op de 17e dag in Kandy, waar hij al na vier dagen zijn brieven mag presenteren aan de koning. Hij moet die in gouden schotels op zijn hoofd dragen. Raja Singha is erg ingenomen met Van Bijstervelts eerlijke en spontane manier van communiceren, zodat hij nog een aantal keren op audiëntie mag. De koning, door Van Bijstervelt keizer genoemd, blijkt de VOC goed gezind te zijn, en noemt hen zijn 'trouwe Hollanders'. Hij zegt dat hij gouverneur Van Goens evenveel waardeert als destijds Gerard Hulft, de bevelhebber van de VOC-troepen die Colombo veroverden. Hij vertelt ook geen kinderen te hebben en na zijn dood zijn rijk het liefst door de VOC bestuurd te zien worden.Dit zou later blijken niet waar te zijn. Toen hij in 1687 stierf bleek hij tot verrassing van de VOC wel degelijk een zoon en troonopvolger te hebben. Ook belooft de koning dat Van Bijstervelt spoedig weer mag vertrekken om in Colombo rapport uit te brengen van wat hij gezegd heeft, en ook de gevangenen en ambassadeurs mee mag nemen. Hij geeft Van Bijstervelt geschenken, waaronder een houwer. Hij trekt die uit de schede maar dat leidt tot grote consternatie onder de 'hoffsgrooten'. Ze roepen dat dat niet toegestaan is in het bijzijn van de koning. links|miniatuur|Van Colombo naar Kandy. De 'hoffsgrooten', voor een groot deel geen Singalezen maar van diverse afkomst, zijn de VOC slecht gezind en proberen Van Bijstervelts missie te torpederen. Ze voorzien Van Bijstervelt van drank en vrouwen, in de hoop dat hij zich zal misdragen en de koning boos zal maken. Van Bijstervelt trapt er niet in. De flessen giet hij leeg en vult ze met water, waarna hij dronkenschap veinst, waar de hofsgroten op hun beurt niet intrappen. Later volgt een ‘geschenk’ van het stinkende karkas van een eland. Zijn vertrek wordt iedere keer uitgesteld. 'Edogh', schrijft Van Bijstervelt, 'hebbe altijt een vroylijck ende vrindelijck gelaet getoont'.

Drie maanden na het geschenk van de stinkende eland mag hij weer voor de koning verschijnen, dit maal in een bunkerachtige ruimte vol met wapens, waar de koning zich met zijn lijfwachten kan verschansen in het geval van een opstand of een couppoging. Hier spreekt hij zijn onvrede uit over het sluiten van de havens bij Trincomalee en Puttalam. Van Bijstervelt zegt dat dat gebeurd is om de verraders die Arandore veroverd hebben te straffen en om de koning te beschermen tegen invasies. De koning vraagt hem alles wat hij zegt op te schrijven en de brief aan gouverneur Van Goens te overhandigen bij zijn terugkomst in Colombo. Hij benoemt hem daartoe tot Mohottiar, een secretaris van de koning, en schenkt hem het bijbehorende zilveren inktkokertje en andere toebehoren. Van Bijstervelt accepteert de benoeming, maar zegt daarbij dat hij dat ter ere van de koning doet maar ten dienste van de edele Compagnie.

Van Bijstervelt ontmoet in Kandy verscheidene tolken en andere VOC medewerkers die daar worden vastgehouden, waaronder Anthony d'Orte, een Singalees-Portugese gezant van de VOC die al in de jaren '60 meerdere missies naar Kandy ondernam.Anthony d'Orte stond in de gunst van Raja Singha, maar mocht vanaf zeker moment niet meer terugkeren naar Colombo. William Hubbard, gevlucht uit Kandy in 1703, meldde dat hij toen nog leefde en geliefd was bij Raja Singha's opvolger Wimala Dharma Suriya II. Hij vertelt Van Bijstervelt onder andere dat Hendrik DraackLuitenant Hendrik Draack werd in 1663 als gezant naar Kandy gestuurd. Hij was zeer geliefd bij Raja Singha die hem daarom in Kandy vasthield. Hij overleed er in 1670. Vanwege zijn 'opgeswollen' staat vermoedde Raja Singha dat hij vergiftigd was. Zijn lichaam werd met alle eer naar Colombo gezonden. Vermoedelijk is hij dezelfde als de sergeant Hendrik Draeck in Fort Zeelandia op Formosa ten tijde van de belegering door Koxinga in 1661. In de dagregisters van Kasteel Zeelandia wordt hij in juli van dat jaar vermeld als vrijwilliger om met een 15-tal soldaten in de omgeving van het fort Chinezen krijgsgevangen te nemen om hen informatie te ontfutselen. Ook is hij een van de gezanten die Koxinga in zijn legerkamp bezoeken om te onderhandelen., die in 1663 naar Kandy was gezonden en geliefd was bij Raja Singha, het jaar daarvoor was overleden, waarbij volgens Raja Singha vergif in het spel was. Leden van zijn hof verantwoordelijk voor de voedselvoorziening waren toen ter dood gebracht. Ook vertelt hij dat Francois van den Bergh, in 1658 door gouverneur Van der Meijden als ambassadeur naar Kandy gezonden en, na verliefd te zijn geworden op een Kandiaanse, in dienst bij Raja Singha getreden en tot militair bevelhebber benoemd, pas onthoofd was omdat hij zonder toestemming van de koning brieven had gestuurd naar de VOC forten in Jaffna, Trincomalee en Batticaloa. Ook ontmoet Van Bijstervelt Frans Has, die al in 1651 onder gouverneur Van Kittensteyn als gezant naar Kandy ging met geschenken, maar later Raja Singha's toorn opwekte en werd vastgehouden. Allen die tegen hun wil in Kandy verblijven, inclusief een aantal Engelsen, krijgen van Van Bijstervelt geld van de Compagnie. miniatuur|Het hof van Kandy in 1656 bij het bezoek van Gerard Hulft aan Raja Singha Op een audiëntie ongeveer een maand later spreekt Raja Singha weer zijn liefde uit voor zijn trouwe Hollanders maar roepen de aanwezige hofsgroten om oorlog. De koning gaat daar niet in mee omdat hij ze naar zijn zeggen zelf heeft uitgenodigd om te strijden tegen de Portugezen en om zijn rijk te beschermen, en hij daar zeer tevreden mee is. Van Bijstervelt zegt dat wie oorlog wil het kan krijgen, maar dat de edele Compagnie altijd de koning zal blijven beschermen tegen verraders. De koning vraagt hem brieven te schrijven aan de commandeurs van de forten van Jaffna, Trincomalee en Batticaloa en ze op te roepen die forten te verlaten aangezien er vrede is. Van Bijstervelt zegt dat hij daarvoor niet is gekomen. Hij is gekomen om brieven van gouverneur Van Goens te overhandigen en brieven van de koning mee terug te nemen, en ook de krijgsgevangenen en vastgehouden ambassadeurs. Als de koning zo van zijn trouwe Hollanders houdt kan hij dat op die manier laten blijken. Uiteindelijk zegt hij dat als hij niet weg mag hij nog liever ter dood wordt gebracht dan nog langer als gevangene en misdadiger te worden vastgehouden. Hij roept tegen de hofsgroten dat hij ze allemaal aan kan, man tegen man. Een van hen is een Deen, genaamd Dionijs, die daar al 21 jaar is en de Hollanders onbetrouwbaar noemt. Zij spreken volgens hem achter de rug van de koning 'smaat ende schande' over hem. Van Bijstervelt wil dit 'beest der beesten' te lijf gaan maar ziet daar vanwege zijn 'grijse hairen' vanaf. Ten slotte geeft de koning hem nogmaals toestemming om te vertrekken, maar zonder de gevangenen en de ambassadeurs.

Na nog enkele audiënties en vertrekpogingen die steeds op het laatste moment niet doorgaan wordt Van Bijstervelt begin oktober weer naar de koning geroepen om afscheid te nemen. Om te voorkomen dat hij te horen krijgt dat zijn vertrek weer wordt uitgesteld neemt hij op enige afstand luidkeels en uitgebreid in het openbaar afscheid, 'met groote stemme onder den blauwen hemel', ten overstaan van een menigte mensen. Anthony d'Orte is zeer bedroefd dat hij moet achterblijven. Van Bijstervelt geeft hem nog geld, en ook aan enkele andere Hollanders, Engelsen en Fransen die hij niet kent, en verlaat dan Kandy. Zijn bluf werkt, want hij wordt begeleid door enige hoogwaardigheidsbekleders die de koning hem nazendt.

Onderweg krijgt hij de indruk dat de bevolking ontevreden is met Raja Singha's bestuur en dat zij liever zouden zien dat de Compagnie dat overnam. Hij merkt ook dat mensen klagen over de schaarste van textiel en zout uit India omdat de havens zijn geblokkeerd. Bij Ruanelle ziet hij weer enkele gevangenen, 'naackt en bloot, bij na gelijck sijnde wilde menschen'. Bij Sitawacke ontmoet hij generaal Tennekoon, die hem aanbiedt hier te rusten en te overnachten, wat Van Bijstervelt met enige aarzeling doet. Op 28 oktober komt hij weer aan in Colombo, waar hij twee weken later zijn rapport schrijft. Hij schrijft daarin onder andere dat hij uit de grote meningsverschillen tussen Raja Singha en de hofsgroten meent op te kunnen maken dat Raja Singha Kandy misschien wel zou willen ontvluchten en zijn toevlucht zoeken bij zijn getrouwe Hollanders, om daarna met hun steun weer op de troon te komen.