De analytische filosofie is een stijl van filosoferen in de hedendaagse filosofie, die streeft naar helderheid in de verwoording en de argumentatie van het ideeëngoed, met name in de natuurwetenschappen., , , Wetenschapsfilosofie, 2007, p. 7 Na 1900 werd deze filosofische tak in de Angelsaksische landen de overheersende filosofische benadering.
Meestal wordt de continentale filosofie, die vooral op het Europese continent bedreven zou worden, beschouwd als tegenhanger van de Angelsaksische, analytische filosofie. Dat neemt niet weg dat ook de Duitser Gottlob Frege en de filosofen van de Wiener Kreis, aanzienlijk hebben bijgedragen aan de analytische filosofie.
Definitie Vanaf het ontstaan van de term in het begin van de 20e eeuw was het moeilijk om een definitie te geven op basis van gemeenschappelijke filosofische ideeën. Gemakkelijker was het om de term te contrasteren met andere stromingen. In het begin was de analytische filosofie vooral een tegenstander van het Brits idealisme en van de traditionele filosofie in het algemeen. Later werd het de tegenhanger voor de fenomenologie van Edmund Husserl, het existentialisme van Jean-Paul Sartre en de 'continentale' of postmoderne filosofie van Martin Heidegger en later Jacques Derrida.
Uit Michael E. Rosens bespreking van het contrast tussen analytische en continentale filosofie kan men echter een aantal kenmerken distilleren, in een poging om tot een definitie te komen.De lijst van vier kenmerken is afkomstig van de Engelse wikipedia, lemma "Continental philosophy" waar verwezen wordt naar , "Continental Philosophy from Hegel", in (ed.), Philosophy 2: Further through the Subject, p. 665. Volgens Rosen heeft de analytische filosofie volgende eigenschappen:
Een sterk vertrouwen in de natuurwetenschappen om de wereld adequaat te beschrijven. Het benaderen van filosofische problemen, los van de historische oorsprong of historische determinanten, zoals de tijd-ruimtelijke, taalkundige en culturele context. Interesse in de analyse van het filosofisch probleem van de interpretatie van de wereld, in tegenstelling tot de continentale filosofie, die zich meer richtte op de menselijke conditie. Minder nadruk op metafilosofie, dit is het wetenschappelijk nadenken over de aard en de methode van de filosofie.
Rosen acht deze kenmerken niet expliciet aanwezig bij alle analytische filosofen. Het zijn eerder 'familieverwantschappen' tussen de verschillende stromingen, werken of auteurs binnen de analytische filosofie.
Omwille van de aandacht voor taal en betekenis wordt de analytische filosofie vaak (maar misschien onterecht) verbonden met de linguistic turn in de filosofie, waarbij taal als hét onderwerp van de filosofie en taalanalyse de standaardmethode van de filosofie worden beschouwd. Deze interesse voor taal was destijds tamelijk nieuw in de filosofie.
Geschiedenis Het ontstaan van de analytische filosofie thumb|150px|De Britse filosoof Bertrand Russell wordt gezien als een van de grondleggers van de analytische filosofie Het begin van de analytische filosofie ligt in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten aan het begin van de 20e eeuw. Er zijn vijf fases te onderscheiden in de geschiedenis van de analytische filosofie. De eerste fase, ongeveer van 1900 tot 1910, wordt gekenmerkt doordat in het bijzonder G.E. Moore en Bertrand Russell zich probeerden af te zetten tegen het destijds dominante ideeëngoed aan de Britse universiteiten: het Brits idealisme."Analytic Philosophy." Encyclopædia Britannica. Encyclopædia Britannica Online Academic Edition. Encyclopædia Britannica Inc., 2012. Bezocht op 9-07-2012. Gearchiveerd op 10 mei 2015., Analytic Philosophy, bezocht op 9-03-2012. Moore en Russell stelden daar zelf een vorm van naïef realisme tegenover, en concentreerden zich nadrukkelijk op het onderzoek naar de betekenis van filosofische termen en uitspraken. Bovendien geloofde Russell dat de natuurlijke taal vaak tot filosofische misverstanden leidt. Hij probeerde daarom uitspraken te herformuleren in een striktere, meer eenduidige taal, met name de logica. Deze herformulering moest het mogelijk maken om de filosofische problemen beter te begrijpen en op te lossen. Door zo'n probleem te vertalen in symbolische logica was het zelfs mogelijk dat het uiteindelijk geen filosofisch probleem bleek te zijn.
Een verder kernfiguur in de analytische filosofie is de Duitse filosoof Gottlob Frege. Frege probeerde, net als Russell, de filosofie te verbinden met een sterke logica. Frege werkte vooral op gebied van de filosofie van de wiskunde, de logica en de taalfilosofie. Hij was daarnaast ook een voorstander van het logicisme, het geloof dat de wiskunde gefundeerd kon worden op de logica. Dit project zal echter uiteindelijk falen nadat Kurt Gödel in 1931 zijn beroemde onvolledigheidsstellingen zou publiceren. Russell zou verder bouwen op dit werk van Frege, en diens logica combineren met het empirisme van David Hume. Net als Frege probeerde hij, samen met A.N. Whitehead de wiskunde te funderen in hun Principia Mathematica, maar moesten deze ambitie ook opgeven.
Logisch atomisme De tweede fase, van 1910 tot 1930, wordt gekenmerkt door de focus op het logisch atomisme en het construeren van een ideale taal. Zowel Moore als Russell wijzigden hun positie ten opzichte van het eerder genoemde realisme. Als alternatief ontwikkelde Russell samen met Ludwig Wittgenstein het logisch atomisme. Russell geloofde dat de wereld bestond uit een reeks atomaire feiten en de waarheid van proposities afhing van de mate waarin deze zouden corresponderen met deze atomaire feiten. De taak van de filosofie bestond erin proposities te bestuderen en hun onderliggende logische structuur te ontdekken, en zo er dus achter komen welke proposities waar zijn en welke niet.
Wittgenstein zou sterk op deze theorie verder bouwen in zijn Tractatus Logico-Philosophicus (1921), maar er tegelijkertijd ook op verschillende punten van afwijken. In dit werk stelt Wittgenstein zijn afbeeldingstheorie van de waarheid en de betekenis (picture theory of meaning) van zinnen voor. Zinnen moesten, om waar te zijn of om überhaupt iets te betekenen, corresponderen met de werkelijkheid, of anders gezegd moesten zij de wereld afbeelden of afspiegelen. Zinnen die dus niet met iets in de wereld overeenkwamen werden door Wittgenstein als zinloos beschouwd. Hij concludeerde dat ook de ethiek, de religie en de esthetica onder deze laatste categorie vallen, en dus dat er niets zinvol over hen gezegd kan worden. Dit wil niet zeggen dat Wittgenstein deze gebieden in zijn geheel verwierp, maar wel dat men er geen zinnige uitspraken over kan maken, en men er daarentegen dingen over moet tonen. Verder was het ook problematisch dat ook zijn eigen werk dan zinloos zou zijn, zo beeldt de Tractatus immers niet van de werkelijkheid af. Wittgenstein stelde dan ook zelf voor in zijn boek dat men dit werk moet zien als een ladder die men - eens opgeklommen - moet weggooien.
Logisch positivisme
thumb|De filosoof Moritz Schlick was de leider van de Wiener Kreis De derde fase, ongeveer van 1930 tot 1945, is de fase van het logisch positivisme van de Wiener Kreis, geleid door de filosoof Moritz Schlick en gepopulariseerd door A.J. Ayer. Deze cirkel bouwde sterk voort op het werk van Frege, Russell en Wittgenstein. Zeker de Tractatus van Wittgenstein had een sterke invloed op deze filosofen, en Wittgenstein werd dan ook vaak uitgenodigd om aan de discussies deel te nemen. Men kan de filosofie van de Wiener Kreis dan ook beschouwen als een verdere ontwikkeling van het werk van Wittgenstein. Zo betoogden deze logisch positivisten dat enkel empirisch verifieerbare uitspraken zinvol waren, en de rest verworpen moest worden. Schlick zal bijvoorbeeld stellen dat de betekenis van een propositie ligt in haar verificatie. Uitspraken over God, ethiek en metafysica werden als onzin verworpen. Hiermee verschilden ze al op een belangrijk punt van Wittgenstein: terwijl Wittgenstein de ethiek en religie een belangrijke plaats geeft, worden deze helemaal weggecijferd in het logisch positivisme. Zo hielden ze bijvoorbeeld de positie van het emotivisme aan op vlak van ethiek: een ethische uitspraak was niet meer dan een uitdrukking van een gevoel.
Men kan dit logisch positivisme begrijpen als reactie tegen het typisch Duits idealisme en de Duitse romantiek. Ook het opkomende naziregime en antisemitisme speelde een belangrijke rol in hun ontwikkelen. De logisch positivisten wilden aantonen dat de mythische en metafysische standpunten van waaruit het antisemitisme en het nazisme gelegitimeerd werden op niets gefundeerd en onzinnig waren.
Andere leden van deze cirkel waren Rudolf Carnap, Herbert Feigl, Carl Hempel en Otto Neurath. Ook Kurt Gödel was sterk verbonden met deze groepering. Deze laatste personen vluchtten allemaal uiteindelijk naar de Verenigde Staten, alleen Neurath zou via Nederland in Groot-Brittannië terechtkomen. Mede hierdoor won de analytische filosofie het in Amerika van andere filosofische stromingen zoals het klassieke pragmatisme. Schlick werd echter uiteindelijk in 1936 vermoord en de steeds hoger oplopende druk door het nazisme leidde er uiteindelijk toe dat de cirkel uiteenviel, waarbij vele leden naar het buitenland vluchtten. thumb|left|De filosoof Ludwig Wittgenstein was een centraal figuur in de ordinary language philosophy
Ordinary language philosophy
De vierde fase, 1945 tot 1965, is die van de analyse van de gewone taal, bekend onder de naam Ordinary language philosophy. De ambitieuze projecten van het logisch positivisme, Russell en anderen om een ideale taal te construeren gebaseerd op logica werden opgegeven. Zeer in het bijzonder zijn hier de bijdragen te noemen van John Wisdom en Ludwig Wittgenstein, toen die werkten aan de Universiteit van Cambridge, en van Gilbert Ryle, John Austin en Peter Strawson van de Universiteit van Oxford. Het werk van de latere Wittgenstein moet immers worden onderscheiden van zijn vroegere werk, waarvan hij vele onderdelen verwierp. Zo stelde hij niet meer dat de betekenis van een woord afhing van de relatie met een atomair feit, maar daarentegen dat zijn de betekenis lag in het gebruik van die term in de alledaagse taal. Hij beschreef de taal en haar gebruik aan de hand van taalspelen: er zijn verscheidene soorten taalgebruik naast elkaar, afhangend van de context, zoals er ook verscheidene spelen zijn. De betekenis komt dus voort uit haar gebruik binnen zo'n specifiek taalspel. Men moet dan ook niet meer op zoek gaan naar een vaste betekenis van een woord, maar overeenkomsten van woorden opvatten als familiegelijkenissen. Zoals leden van een familie wel bepaalde gelijke eigenschappen hebben, zoals haarkleur, oogkleur, lengte, gezichtsbouw, maar ze tegelijkertijd niet allemaal dezelfde ogen en haarkleur hebben. Zo ook hebben woorden hun gelijkenissen, maar delen ze niet alle gelijkenissen met elkaar.
Dit soort filosofie zou eindelijk van het filosofisch toneel verdwijnen. Kritiek erop vond men onder andere in het werk van Ernest Gellner, The Strange Death of Ordinary Language Philosophy, bezocht op 20-02-2012. Gearchiveerd op 12 februari 2019., vooral in zijn boek Words and Things (1959), Words and Things: An Examination of, and an Attack on, Linguistic Philosophy, London: Routledge & Kegan Paul, 1979., maar ook Bertrand Russell zou blijven kritiek hebben op deze benadering, en vond de gewone taal niet genoeg om een filosofie op te bouwen.
Pluralisme