Gisèle Halimi (Arabisch: جيزيل حليمي, jayzil halimi), geboren als Zeiza Gisèle Élise Taïeb (Arabisch: زايزا جيزيل إليز الطيب, Zāyzā Jayzīl ʼIlayz Alṭayib) (La Goulette, 27 juli 1927 – Parijs, 28 juli 2020) Frans-Tunesische politica en feministe. Als advocaat verdedigde ze vanaf de jaren 50 van de twintigste eeuw de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijders, toen Algerije nog een Franse kolonie was. Vanaf 1960 behartigde ze de belangen van de activiste en actievoerster Djamila Boupacha, beschuldigd van poging tot moord, en vervolgens gemarteld en verkracht door Franse soldaten. Bijgestaan door Simone de Beauvoir kwam het proces in de media gebracht en hiermee verkregen de methodes van het Franse leger ten tijde van de Algerijnse Oorlog.

Als boegbeeld voor het feminisme in Frankrijk is ze de enige advocate die het Manifest van de 343 in 1971 tekende. Zo werden vrouwen verenigd die abortus hebben gepleegd en pleiten voor vrije toegang tot abortus, tot dan toe nog onderdrukt in Frankrijk. Gisèle Halimi richtte samen met Simone de Beauvoir en Jean Rostand de beweging Choisir la cause des femmes (Kies voor het belang van de vrouwen). In 1972 verdedigde ze vrouwen die worden beschuldigd van het illegaal plegen van abortus in het proces van Bobigny. Haar optreden als advocaat in dit proces had de vrijspraak van drie vrouwen tot gevolg, evenals een uitstel voor de vierde vrouw. Ze heeft bijgedragen aan de evolutie richting de loi Veil. Deze wet werd op 20 december 1974 aangenomen en ging op 19 januari 1975 in. De wet maakte abortus in Frankrijk legaal. De wet werd voorgesteld door Simone Veil, minister van Volksgezondheid onder het presidentschap van Valéry Giscard d'Estaing.

Haar verdedigingsstrategie van twee vrouwelijke slachtoffers van een verkrachting in 1974 (veroordeeld in 1978), de Affaire Tonglet-Castellano, droeg bij aan het aannemen van een nieuwe wet in 1980, die onder andere verkrachting duidelijker definieerde en erkende als een zwaar misdrijf.

In 1981 wordt ze verkozen als Kamerlid en ze vervulde dit mandaat tot in 1984. Ze zette zich in voor gelijkheid (tussen mannen en vrouwen) in de politiek en verkreeg in 1982 stemmen voor een wetsartikel die quota kan opleggen als het gaat om de verdeling man/vrouw in verkiezingen, maar de tekst werd ongeldig verklaard door de Conseil constitutionnel (Nederlands: Grondwettelijke Raad). Samen met Robert Badinter vormt ze de intrekking van een wet die een onderscheid maakte op de minimum- en maximumleeftijd waarop homoseksuele mannen seks kunnen hebben.

In Frankrijk in 1942 bijvoorbeeld mochten mensen die op hetzelfde geslacht vallen seks hebben vanaf 21-jarige leeftijd, voor hetero's was dit toen 13 jaar. In Frankrijk in 1974 werd dit voor homoseksuele mensen verlaagd tot 18 jaar. In Frankrijk in 1984 werden homoseksuele mensen gelijkgetrokken met hetero's en is seks vanaf 15-jarige leeftijd toegestaan door het Frans strafrecht. In 1997 verklaarde Europees Hof voor de Rechten van de Mens een dergelijk onderscheid als discriminatie.

Vanaf 1985 bekleedde ze meerdere functies bij UNESCO (waaronder ambassadrice van Frankrijk) en vervolgens bij de Verenigde Naties, en was een van de oprichters van de andermondialistische (Andersglobalisme) ATTAC in 1998.

Biografie Jeugd Zeiza Taïeb werd geboren op 27 juli 1927 in La Goulette in een Joodse familie dichtbij Tunis. Haar moeder (Fortunée Metoudi) is van Spaanse afkomst en haar vader (Édouard Taïeb) van Berberse afkomst. Haar vader begon zijn carrière bij een advocatenkantoor alvorens hij notarisklerk werd. Zeiza Taïeb is geliefd bij haar vader, maar haar moeder hield niet van haar, schreef ze in een boek die ze in 1999 schreef. Haar moeder zou de grondslag zijn geweest voor haar voortgang in haar verdere carrière. Volgens Le Maitron was 'het feminisme van Gisèle Halimi in haar geworteld door de teleurstelling van haar geboorte; haar ouders hadden op een jongen gehoopt. Haar moeder heeft altijd de voorkeur voor een zoon laten blijken [...] maar haar vader heeft altijd meer affectie laten zien'.

Ze verzette zich tegen de verplichting dat de meisjes in het gezin de mannen aan tafel moesten dienen, ook haar broers. Ze verzette zich ook om huishoudelijke klusjes te gaan doen, terwijl haar broers dit niet hoefden te doen. Op 13-jarige leeftijd begon ze een hongerstaking om op die manier niet meer het bed van haar broer te hoeven verschonen. Na drie dagen geven haar ouders haar gelijk, en ze schreef in haar dagboek vanuit die tijd: "Vandaag heb ik mijn eerste beetje vrijheid gewonnen".Conferentie aan de Parijs-Diderot universiteit op 16 november 2010. Ze had daarvoor al een hongerstaking begonnen toen ze 10 jaar was om te mogen lezen en verkreeg op die manier goede resultaten op school in tegenstelling tot haar broers die er minder goed voor staan.

Volgens Le Maitron waren het Racisme en Antisemitisme wat ze in haar jeugd meemaakte voor haar een belangrijk punt om vóór dekolonisatie te zijn.

Opleiding Na het behalen van haar Baccalaureaat (Frankrijk) (komt overeen met vwo-examen in Nederland) aan het lycée Armand-Fallières in Tunis, weigert ze een gearrangeerd huwelijk met een oliehandelaar en verkrijgt even later toestemming om haar studie in Frankrijk te gaan volgen.

In Frankrijk behaalt ze haar bachelorgraad in het recht en twee certificaten in de filosofie aan de Universiteit Parijs 1 Panthéon-Sorbonne, ze studeerde ook aan Sciences Po. Als studente maakte ze gebruik van een studiebeurs en had een bijbaantje als telefoniste om een deel van haar studie te kunnen bekostigen. Ze behaalde haar advocatendiploma in 1948. Voordat ze 20 werd, aan het einde van de jaren 40 trouwt ze met Raymond Zemmour, een magistraat die in Normandië woont. Ze scheiden een paar maanden later.

In 1949 trouwde ze met een ambtenaar van het ministerie van Landbouw, Paul Halimi. Zeiza Taïeb neemt de naam Gisèle Halimi aan en sluit zich aan bij de Balie (advocatuur) in Tunis. Daar bepleit ze kleine zaken en verdedigt vakbonden en Tunesische onafhankelijkheidsstrijders. Hierna vervolgt ze haar carrière als advocate in Parijs waar ze zich in 1956 inschrijft bij de Balie.

Juridische carrière Dekolonisatie Vanaf de jaren 50 strijdt Gisèle Halimi voor de onafhankelijkheid van haar land Tunesië, maar ook van Algerije. Als advocaat stelde ze vanaf 1956 de martelingen door het Franse leger aan de kaak en ze verdedigt de aanhangers van de Mouvement national algérien (Nederlands: Algerijnse Nationale Beweging) die door de Franse justitie werden vervolgd. Ze woont op dit moment in een tweekamerappartement in het 10e arrondissement (Parijs) met haar twee zoons. Tussen 1956 en 1957 klaagt ze samen met de communistische advocaat Léo Matarasso een arts aan die autopsieën vervalsten. Ze werd een van de belangrijkste advocaten van het Front de libération nationale. Ze werd gearresteerd, kort gevangen gehouden en met de dood bedreigd. Dit werd serieus opgepakt door de diensten van de politie.

Vanaf 1960 verdedigt ze Djamila Boupacha, actievoerster van FLN en beschuldigd een bom in een snackbar in Algiers te hebben achtergelaten. Ze werd vervolgens gemarteld en verkracht door Franse soldaten. Gisèle Halimi begint een proces en het is dat bij zo'n proces gynaecologen als experts worden betrokken. Ze kon niet aanwezig zijn bij de eerste procesdag voor de militaire rechtbank en ze stuurde daarom Pierre Garrigues die op 1 maart 1962 werd vermoord in Algiers. Ze klaagt generaal Charles Ailleret aan (hoge commandant van het leger in Algerije) en Pierre Messmer, minister van het Leger voor het schenden van de grondrechten van haar cliënte. Omdat het hoge ambtenaren zijn wordt het groot in de media gebracht. Het proces wordt 'verplaatst' naar Caen en daar vormt ze een netwerk voor een verdedigingscomité die geld verzamelt om repatriëringen naar Frankrijk te kunnen financieren. Dit proces werd vooral gesteund door schrijfster en filosofie Simone de Beauvoir samen met Halimi schrijft aan Djamila Boupacha (boek). Het portret van Djamila Boupacha op papier van 8 december 1961 door Pablo Picasso verschijnt op 8 februari 1962 op de voorpagina van het tijdschrift Les Lettres françaises. De tekening die zou hebben bijgedragen aan het redden van Djamila Boupacha van de doodstraf. Het werk wordt vandaag de dag op 400 miljoen dollar geschat en is in handen van een Amerikaanse verzamelaar. Djamila Boupacha werd op 28 juni 1961 ter dood veroordeeld in Frankrijk, maar aan haar werd amnestie verleend ten gevolge van de Verdragen van Évian. Ze werd bevrijd op 21 april 1962.

Op 8 januari 1972 is Gisèle Halimi uitgenodigd bij een uitzending van Aujourd'hui Madame op het tweede kanaal van de ORTF (radio- en televisiezender). Daarin verdedigde ze het recht op abortus en de strijd tegen racisme. Ook antwoordde ze op critici naar aanleiding van haar betrokkenheid bij de Algerijnse onafhankelijkheid. In dezelfde inspiratie was ze voorzitter van een onderzoekscommissie van het Tribunal Russell (Internationale Rechtbank voor Oorlogsmisdaden, opgericht in 1966 door Bertrand Russell en Jean-Paul Sartre) over de oorlogsmisdaden van de Verenigde Staten in Vietnam.

Recht op abortus Gisèle Halimi was de enige advocate die in 1971 het Manifest van de 343 tekende. 343 verwijst naar een lijst van 343 Franse vrouwen die ervoor uitkomen abortus te hebben gepleegd, waarmee ze eigenlijk vervolgd zouden kunnen worden. Deze vrouwen eisen tevens anticonceptie en recht op abortus. Samen met Simone de Beauvoir en Jean Rostand sticht ze in 1971 de feministische beweging Choisir la cause des femmes waarmee wordt gestreden om legalisering van abortus. Haar eerste doel was om te garanderen dat de ondertekenaars van het manifest (de 343 vrouwen) verdedigd zouden worden. Tevens streed ze voor een herziening op een wet uit 1920, die vrouwen verbood hun vruchtbaarheid te regelen met anticonceptiemiddelen of abortus. Ze neemt het voorzitterschap op zich wanneer Simone de Beauvoir sterft in 1986.

Tijdens het proces van Bobigny in 1972 wordt een vrijspraak van Marie-Claire bereikt, een jong meisje van 16 jaar dat abortus heeft gepleegd na een verkrachting. De moeder van Marie-Claire kreeg respijt (uitstel) en haar twee vriendinnen die haar hadden geholpen werden ook vrijgesproken. Met deze rechtszaak werd ook de wet aan de kaak gesteld die abortus als illegaal beschouwt.Halimi's eigen kijk op het proces van Bobigny: "Le procès de Bobigny" in haar boek La cause des femmes (Paris: Bernard Grasset, 1973), pp. 61-89.

Criminalisering van verkrachting Op 29 mei 1977 werd Gisèle Halimi geïnterviewd door de zender FR3. In een debat over de criminalisering van verkrachting stelt ze het probleem aan de kaak waarbij het slachtoffer van verkrachting een schuldgevoel wordt aangepraat, en er heel soepel met de dader wordt omgegaan. Ze zegt: "Een vrouw die verkracht is, is gebroken. Dat is een gebarsten vrouw, dat is een vrouw die naar mijn idee, nooit meer op iemand kan vertrouwen."

In 1978 gebruikte Gisèle Halimi opnieuw een mediastrategie wanneer ze twee jonge vrouwen verdedigt die slachtoffer zijn van een 'collectieve' verkrachting. Het gaat om Anne Tonglet en Araceli Castellano. Dit proces wordt voor het Hof van Assisen gesleept in Aix-en-Provence.