Het Stedelijk Lyceum was een scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs in de Nederlandse stad Maastricht. Het "Stedelijk" en zijn voorgangers was van 1800 tot 1968 gevestigd op het terrein van het Dominicanenklooster aan de Helmstraat in het centrum van de stad. De school vond zijn oorsprong in de Franse Tijd in de École centrale (1797-1802), een semi-academische opleiding, die al na enkele jaren werd omgevormd in een middelbare school, de École secondaire (1804-1810). De school werd daarna aangeduid als Collège Maastricht (1810-1817) en Koninklijk Atheneum (1817-1864). In 1960 gingen het Stedelijk Gymnasium en de Gemeentelijke HBS (beide 1864-1960) samen met de nieuw opgerichte mms, waarmee het Stedelijk Lyceum en MMS ontstond, dat na verdere fusies opging in het nog bestaande Bonnefanten College.
Geschiedenis Dominicanenklooster
Het gebouwencomplex, dat vanaf 1800 de École centrale en haar opvolgers huisvestte, was in de ruim vijf eeuwen daarvoor een klooster van dominicanen geweest. Het klooster werd op 5 december 1796, twee jaar na de inname van Maastricht door Kléber, door de Franse overheid opgeheven. De tweeëntwintig paters en negen lekenbroeders, onder leiding van prior Franciscus Huntjens, moesten het klooster verlaten en een andere bezigheid zoeken. De gebouwen werden onteigend: de Dominicanenkerk huisvestte korte tijd de Sint-Jansparochie en werd daarna ingericht als stadsmagazijn. Het klooster kreeg een onderwijsbestemming.
Franse Tijd: École centrale, École secondaire en Collège Maastricht In 1797 werd in Maastricht de École centrale du Département de la Meuse-Inférieure opgericht, de 'centrale school' van het departement Nedermaas. Het was een para-universitair opleidingsinstituut, zoals dat ten tijde van het Directoire (1795-1799) in alle 95 Franse departementshoofdsteden werd opgericht. Maastricht was daarbij de enige stad in het latere Nederland dat een kreeg. Het jaarbudget bedroeg 22.500 francs. De openingszitting vond plaats op 29 juli 1798 in de Redoutezaal van de Stadsschouwburg (Bonbonnière), waarna het onderwijs in oktober van dat jaar van start hing. Het instituut met circa vijftig leerlingen was aanvankelijk gevestigd in het Tweede Minderbroedersklooster, omdat het beoogde Dominicanenklooster eerst verbouwd moest worden, maar in 1800 verhuisde de school naar de Helmstraat. Bij de schoolvakken lag de nadruk minder op de geesteswetenschappen dan tijdens het ancien régime het geval was geweest. Er werden acht docenten ('professeurs') aangesteld, waarvan de bekendste de natuur- en scheikundige Jan Pieter Minckelers was. Het aantal studenten was nooit veel hoger dan zestig, waarmee de school een van de kleinste was in Frankrijk. Het schoolgeld voor zonen van welgestelde ouders bedroeg 25 francs per cursusjaar; circa een derde van de leerlingen was daarvan vrijgesteld. De Maastrichtse école centrale bleek al snel, zoals ook elders, een mislukking. In 1802 werden, door een nieuwe onderwijswet, de écoles centrales vervangen door lycées, echter niet in alle departementshoofdsteden; Maastrichtse studenten moesten voor deze vorm van onderwijs naar Luik.Ubachs/Evers (2005), pp. 159-160: 'École Centrale'.
In 1804, toen duidelijk werd dat Maastricht geen lycée zou krijgen, werd de opgericht, in feite een gewone, zesjarige middelbare schoolopleiding. De school nam de gebouwen en verzamelingen van de École centrale over. Ook bleven enkele docenten aan, waaronder Minckelers. De leraren droegen verplicht een zwart kostuum. De leerlingen van de kostschool droegen een groen uniform met witte knopen en daarop de naam van de school. Er werd les gegeven in Latijn, Frans (de voertaal), aardrijkskunde, geschiedenis en wiskunde, soms ook andere vakken. Godsdienst was verplicht, inclusief het bijwonen van de mis of andere eredienst. Aan het einde van het schooljaar werden examens afgenomen en vonden prijsuitreikingen plaats. In 1810 kreeg de school een nieuwe naam: Collège de la ville de Maestricht, meestal aangeduid als Collège Maastricht. Het schooluniform bestond uit een pak van grijs laken met een kniebroek. Op de gele knopen stond "Collège Maastricht". In 1811-1812 werd opnieuw een poging gedaan om de school om te vormen tot lycée, maar de door prefect Roggieri gestelde eis dat de school in dat geval onderdak moest kunnen bieden aan tweehonderd kostschoolleerlingen, bleek niet op korte termijn realiseerbaar.Hovens (2006), p. 127. Het aantal leerlingen in de periode 1804-1816 bedroeg gemiddeld 130. Het jaarbudget bedroeg 15.000 francs. Het onderwijs was gedurende de hele Franse periode in hoofdzaak Franstalig, ook na 1814, hoewel toen het Nederlands iets meer aandacht kreeg.Ubachs/Evers (2005), p. 127: 'College'; p. 160: 'École secondaire'.
1817-1864: Koninklijk Atheneum en Industrieschool thumb|Het vm. kloostercomplex ten tijde van het Koninklijk Atheneum (Ph. van Gulpen, 1850) In 1817, drie jaar na het vertrek van de Fransen, werd het Koninklijk Atheneum van Maastricht opgericht, dat tot 1838 tweetalig, Nederlands en Frans, was. Het betrof een middelbare school, waaraan een voorbereidende klas verbonden was. Schoolvakken waren: Latijn, Grieks, Frans, Nederlands, geschiedenis, aardrijkskunde, fabelleer, elementaire wiskunde, natuurkunde en biologie. Daarnaast werd er volwassenenonderwijs gegeven, waarvan vooral militairen gebruik maakten. De Luxemburgse priester dr. H. Kerzmann, van 1834 tot 1855 rector, trachtte het Atheneum para-universitaire allure te geven, maar het te karige budget liet dat niet toe.Ubachs/Evers (2005), p. 289: 'Koninklijk Atheneum'. In 1841 bezocht koning Willem II het Atheneum. Omstreeks 1855 had de school circa 160 leerlingen.Van den Boogard (2006), p. 164.
In 1846 werd de Industrieschool opgericht, omdat er behoefte was aan een opleiding die, naar Luiks voorbeeld, niet direct gericht was op universitaire studie, maar op een loopbaan in handel, industrie, ambtenarij of leger. De school werd op 3 januari 1848 geopend door burgemeester Nierstrasz. De eerste rector was de fysicus P.J. van Kerckhoff (1813-1876). Schoolvakken waren: Nederlands, Frans, Duits, Engels, geschiedenis, aardrijkskunde, aardkunde, sterrenkunde, geologie, biologie, landbouwkunde, wiskunde, natuurkunde, scheikunde, werktuigkunde, warenkunde, boekhouden, handelscorrespondentie, schoonschrijven en tekenen.Ubachs/Evers (2005), p. 244: 'Industrieschool'.
1864-1960: Stedelijk Gymnasium en Gemeentelijke HBS In 1863 werd Thorbeckes Wet op het middelbaar onderwijs van kracht. De wet introduceerde een nieuw schooltype, de hogere burgerschool (hbs). In Maastricht werd een jaar later de Gemeentelijke HBS opgericht (1864-1960), drie jaar later aangevuld met een Burgeravondschool (1867-1921). Het was het katholieke gemeentebestuur er veel aan gelegen dat de nieuwe school geen rijks-hbs, maar een gemeentelijke school zou worden, zodat men de zeggenschap behield over de te benoemen docenten. Omdat de docenten, anders dan bij rijksscholen, geen recht op pensioen hadden, was het verloop, vooral in de beginperiode, groot.Ubachs/Evers (2005), pp. 230-231: 'Hogere Burgerschool'. Eveneens in 1864 werd het Koninklijk Atheneum omgevormd tot Stedelijk Gymnasium (1864-1960). De twee scholen waren gezamenlijk, maar gescheiden, gehuisvest op de oude locatie van het Atheneum, aanvankelijk in de voormalige kloostervleugels (het internaat was inmiddels opgeheven), later ook in nieuwbouw. Het nieuwe gebouw van W.J. Brender à Brandis uit 1887 was uitsluitend bedoeld voor de gymnasiumleerlingen; de hbs-scholieren kregen in 1902 een eigen gebouw, ontworpen door J.G.H. Schoth. Nog in het begin van de twintigste eeuw was een uniform hoofddeksel voor de leerlingen verplicht: de hbs-ers droegen een groene pet met klep; de gymnasiasten een rode.Phil Dumoulin (PHD), 'De sjaol in 't Villapark', in De Maaspost, 23 november 1994, p. 11 (online tekst op deras.nl).
thumb|Luchtfoto van het scholencomplex, 1937 In 1882 werd de Stedelijke Muziekschool opgericht, de voorloper van het Conservatorium Maastricht, die enige tijd gevestigd was in de achtervleugel van het Stedelijk Gymnasium.Ubachs/Evers (2005), p. 365: 'muziek'. Vanaf 1904 werden ook meisjes toegelaten op de school, wat in 1894 nog door burgemeester Pijls was tegengehouden. In 1906 was Marie Iserief de eerste vrouwelijke leerling die slaagde voor het hbs-examen; als eerste gymnasiaste slaagde in 1911 Marie Elise Schmitz. Schlicher (1986), p. 85. Ook na 1904 bleven jongens uit de hogere sociale klassen verreweg in de meerderheid; voor minvermogenden was het schoolgeld onbetaalbaar.Ubachs/Evers (2005), p. 511: 'Stedelijk Gymnasium'. Veel leerlingen telde het gymnasium niet, gemiddeld in totaal veertig tot vijftig. Dat was veel minder dan de meer praktisch gerichte HBS, die omstreeks 1910 160 leerlingen had.Van den Boogard (2006), p. 171. Het succes van de HBS was deels te danken aan het uitgebreide vakkenpakket (een erfenis van de Industrieschool), deels aan de energieke, uit Luxemburg afkomstige directeur dr. Heinrich Joseph Hoffmans. In 1916 werd de Hogere Handelsschool opgericht, een opleiding die voorbereidde op administratieve functies in handel, industrie en dienstverlening. De school was gevestigd in het gebouw van de Gemeentelijk HBS en ging in 1937 als hbs-a in deze instelling op.Ubachs/Evers (2005), p. 231: 'Hogere Handelsschool'. Tot de jaren 1920 en 1930, toen het rooms-katholieke Henric van Veldekecollege een gymnasiumafdeling voor jongens kreeg, gevolgd door de eveneens katholieke Ursulinenscholen (later Jeanne d'Arccollege) voor meisjes, was het Stedelijk Gymnasium de enige school in Maastricht, die voorbereidde op een academische vervolgopleiding.Ubachs/Evers (2005), p. 222: 'Henric van Veldekecollege'; p. 253: 'Jeanne d'Arccollege'.
Na de bevrijding van Maastricht in september 1944 werd de school een jaar lang geconfisqueerd, onder meer door de Dienst Repatriëring, waardoor de lessen elders moesten plaatsvinden, onder andere in het Jezuïetenklooster en het Oude Minderbroedersklooster. In deze periode was dr. Piet Janssens rector van het gymnasium (tot 1960) en A.H.A. Lahaye directeur van de HBS. De laatste werd in 1946 opgevolgd door P.G.H. Smeets, een progressief directeur, die onder meer de ouderparticipatie bevorderde. Door de groei van het aantal leerlingen, ook aan andere scholen in de omgeving, ontstond in de jaren 1950 een lerarentekort, waardoor docenten in veel gevallen een overvol lesrooster hadden.Van den Boogard (2006), pp. 172-174.
Na 1960: Stedelijk Lyceum en MMS; verhuizing In 1960 fuseerden het Stedelijk Gymnasium en de Gemeentelijke HBS, en werd tevens een mms-afdeling opgericht. Daarmee was het Stedelijk Lyceum en MMS (1960-1984) een feit. Directeur werd de natuurkundedocent Willem Jongmans. De drie scholen hadden een gezamenlijke brugklas, een novum in Maastricht. Ook op andere gebieden ging de school mee in de onderwijsvernieuwingen van de jaren 1960, waarvan de 'Mammoetwet' uit 1968 de belichaming werd. In 1964 werd het eeuwfeest gevierd met een academische zitting, een toneelstuk in de Bonbonnière en een sportdag, samen met Luikse en Akense scholieren.Van den Boogard (2006), pp. 174-177. De mms-afdeling, die aanvankelijk in een pand aan de Lenculenstraat was gevestigd, werd als gevolg van de Mammoetweg omgezet in een havo, waarna de naam gewijzigd werd in Stedelijk Lyceum en HAVO.Spronck (1985), pp. 210, 212.
thumb|Bonnefanten College, 2014 In 1968 verhuisde de scholengemeenschap naar nieuwbouw aan de Eenhoornsingel in Maastricht-West (Brusselsepoort). In 1984 fuseerde de school met de Stedelijke MAVO aan de nabij gelegen Lucassingel (voorheen de mulo aan de Spilstraat) en ging daarna als Stedelijke Scholengemeenschap verder. In 1994 schakelde de school over op montessorionderwijs, waardoor de naam veranderde in Montessori College Maastricht. In 2003 ontstond uit een fusie met het Trichter College, waarin eerder het Veldekecollege was opgegaan, het heden nog bestaande Bonnefanten College.