Willem Jacob van de Graaff, ook wel van de Graaf en van der Graeff (Huissen, 28 mei 1736 - Utrecht, 10 december 1804) was een koopman in dienst van de VOC. Hij was van 1776 tot 1781 directeur van de vestiging Suratte en van 1785 tot 1794 gouverneur van Ceylon. In 1796 was hij korte tijd directeur-generaal van de VOC.

Biografie Willem Jacob van de Graaff was een zoon van Sebastiaan van de Graaff (1705-1761), een majoor van de cavalerie uit Rotterdam, en Geertruid van Vinceler. Hij was een jongere broer van de militaire ingenieur en luitenant-kolonel Cornelis Jacob van de Graaff, die van 1785 tot 1791 gouverneur was van de Kaap de Goede Hoop. Ook Willem zou zijn leven lang een interesse voor de vestingbouw behouden. De jongste broer, Adriaan Sebastiaan, zou later ook werkzaam zijn in Ceylon, als directeur der cultures.

Ceylon miniatuur|Colombo en omstreken rond 1762.|320x320px Op 18 oktober 1755 vertrok Willem van de Graaff als koopmansassistent voor de VOC-Kamer Rotterdam vanaf Goeree op het schip Blijdorp naar Batavia, waar hij op 12 april 1756 aankwam. In augustus werd hij als onderkoopman naar Ceylon gezonden. Op 28 augustus 1758 werd hij fiscaal in Galle, de gefortificeerde haven op de zuidwesthoek van het eiland. Een fiscaal was belast met het opsporen van fraude en misdrijven en trad op als officier van justitie. Dit ambt bleef hij bijna zes jaar uitoefenen. Hij maakte de door het koninkrijk Kandy gesteunde opstand mee die in 1760 uitbrak onder gouverneur Jan Schreuder, waarbij ook Galle bedreigd werd. Hij maakte toen deel uit van een commissie die de vestingwerken inspecteerde. Galle zou echter niet aangevallen worden. Op 7 maart 1762 trouwde hij met de 16-jarige Agnita Clara Samlant, de dochter van de commandeur van Galle, Abraham Samlant. In december werd een zoon geboren, Abraham Sebastiaan.

In de jaren daarna volgden de veldtochten naar Kandy van gouverneur Van Eck, en na diens dood, de komst van gouverneur Falck in juli 1765. Een klein jaar later, op 24 april 1766, werd Van de Graaff in Colombo hoofd van de Mahabadde (het departement van de kaneel), ook wel kapitein-kaneel genoemd. Tegelijkertijd werd hij bevorderd tot koopman. Als kapitein-kaneel werkte hij met Falck aan de vergroting van de kaneelproductie, die tijdens de oorlog had stilgelegen. Onder andere werd geëxperimenteerd met kaneeltuinen, waarin de oorspronkelijk in het wild groeiende kaneelbomen werden aangeplant. Het kaneelschillen zou dan niet meer verhinderd kunnen worden door Kandy. Wel kwamen er klachten van de Heren XVII over het leveren van kaneel van slechte kwaliteit. 'De reuckbast van het jaar 1767 is smaekeloos, enkele baalen zijn dik van stock en van binnen met grov hout opgevult', schreven zij. Van de Graaff dreigde er de schuld van te krijgen maar Falck hield hem de hand boven het hoofd. miniatuur|Fort Cochin aan de Malabarkust. Op 21 juni 1770 werd hij secretaris van de Raad van Colombo. Een jaar later verhuisde hij samen met de hoofdadministrateur Adriaan Moens naar Cochin aan de Malabarkust. Op voorspraak van Falck werd Moens daar op 17 september 1771 door gouverneur-generaal Van der Parra als commandeur benoemd en Van de Graaff als hoofdadministrateur en secunde (vice-commandeur). Aan de Malabarkust had de VOC zich in de 17de eeuw gevestigd vanwege de peperhandel, maar in de late 18de eeuw waren de inkomsten verschoven naar heffing van belastingen en tolgelden in de door de Compagnie bestuurde gebieden. Van de Graaff werd hier ook bevorderd tot opperkoopman. In juni 1773 overleed Agnita. Een jaar later hertrouwde hij in Tuticorin met de 18-jarige Christina Elisabeth van Angelbeek, de dochter van Johan van Angelbeek, toen opperhoofd van Tuticorin, die hij kende uit Ceylon.

Directeur van Suratte In 1776 werd de directeur van Suratte, Martinus Bosman, naar Batavia ontboden uit ontevredenheid over zijn bestuur. Van de Graaff werd op 23 juli als zijn opvolger benoemd, vermoedelijk weer op voorspraak van Falck. Een brief van de Heren XVII van 14 oktober 1777 bevestigde de benoeming en stelde hem bovendien aan als extraordinair lid van de Raad van Indië. De vestiging Suratte, gelegen in Gujarat aan de noordwestkust van India, was in deze tijd nog slechts een schaduw van wat het eens was. De Britten waren in deze regio van een handelsonderneming een politieke en militaire macht geworden die de inheemse nawabs domineerde. Ze konden hierdoor de VOC in de marge duwen, zodat er een discussie gaande was over het sluiten van de vestiging. In 1778 had Van de Graaff volgens de bezoekende scheepsofficier Johan Stavorinus een politieke raad met een secunde, een fiscaal en zes onderkooplieden. Daaronder was er nog wat lager personeel van boekhouders en assistenten. De militaire bezetting bestond nog slechts uit een vaandrig en zestien soldaten, waar het er eens meer dan honderd waren. De archieven en de kostbaarheden waarmee de directeur een grote statie moest voeren werden door Stavorinus alvast mee naar Batavia genomen. In 1780 brak de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog uit, waarna de Britten de VOC loge in Suratte met geweld overnamen. Van de Graaff werd krijgsgevangen gemaakt. Begin 1782 werd hij uitgewisseld tegen Britse gevangenen aan de Malabarkust, waar zijn schoonvader Van Angelbeek inmiddels commandeur was, zodat hij naar Cochin kon vertrekken. Vandaar ging hij terug naar Colombo, waar hij met groot ceremonieel door gouverneur Falck werd ontvangen. Vanaf juni nam hij deel aan de vergaderingen van de Raad van Colombo. Falck had het voornemen om terug te keren naar Nederland en zag Van de Graaff als zijn opvolger. Hij kreeg in mei 1783 echter te horen dat hij door de Heren XVII tot directeur-generaal was benoemd, als vervanger van Willem Alting, die gouverneur-generaal was geworden. Van de Graaff werd in dezelfde brief benoemd tot de nieuwe gouverneur van Ceylon. Falck weigerde echter zijn benoeming en bleef aan als gouverneur. Eind 1783 nam Van de Graaff daarom het commandeurschap van Galle over van de naar Batavia vertrekkende Arnoldus de Lij. Hij deed in Galle volgens de Staat van Ceylon over 1784 'verscheidene nuttige schikkingen tot verbetering van den landdienst'.

Op 6 februari 1785 stierf Falck. Van de Graaff, die na alarmerende berichten al op weg was geweest naar Colombo, arriveerde een dag later en werd als gouverneur geïnstalleerd.

Gouverneur van Ceylon miniatuur|Ontvangst van de gezanten van de koning van Kandy in 1785 in Colombo. In het midden, in rode jas, Van de Graaff. Rechts van hem de maha modliyaar Nicolaas Dias Abeysinghe, in groene jas. Links de leden van de Raad van Colombo: de secunde Sluysken, kolonel van de militie Coquart, de dessaves De Kock, Billing en Fretz, de soldijboekhouder Holst, fiscaal Christiaan van Angelbeek, negotieboekhouder Racquet en pakhuismeester Reintous.|300x300px Voor de VOC was de oorlog een onherstelbare slag geweest. De handel had grotendeels stil gelegen en veel handelsposten waren door de Britten geplunderd en vernield. De totale verliezen werden geschat op 43 miljoen gulden, zodat de Heren XVII grote leningen moesten afsluiten. De schulden liepen daarna op tot meer dan het dubbele in 1790. Dankzij de Franse marine was Ceylon voor de VOC behouden gebleven, maar moest nu meer dan ooit zo rendabel mogelijk gemaakt worden. Niet alleen door handel maar ook door ontwikkeling van het deel van het binnenland dat onder het bestuur van de Compagnie viel. In 1786 vormde Van de Graaff een Binnenlands Departement, dat met grote voortvarendheid regels en verordeningen (plakkaten) opstelde, twee keer zoveel als onder Falck was gebeurd. Een teken van de steeds groter wordende betrokkenheid van de VOC met de samenleving van Ceylon. In het bestuur van Van de Graaff waren de theorieën te herkennen van de Europese fysiocraten en andere Verlichtingsideeën. Voorbeelden zijn zijn ijver voor betere hygiëne in de steden, uitvoering van publieke werken in het binnenland en een economische politiek waarin privébezit erkend werd als prikkel tot arbeid.

De parelvisserij, die vanwege aanspraken van de nawab van Arcot al jaren stil lag, werd door Van de Graaff nieuw leven ingeblazen door een verdrag te sluiten, waarbij de nawab de helft van de visserij bij Tuticorin kreeg toebedeeld en met 36 boten mocht deelnemen aan de visserij bij Aripo in de Golf van Mannar. Bovendien mocht hij zijn eigen vlag voeren, als hij zich maar hield aan de regels van de Compagnie. Ook het fokken van Perzische paarden op het eiland Delft blies Van de Graaff nieuw leven in, en met hulp van een Franse militair van het De Luxembourg regiment, die de zoon was van een suikerplanter uit Guadeloupe, stichtte hij enkele suikerplantages. links|miniatuur|Kaneel, peper, koffie en arecanoottuinen nabij Colombo, op een kaart uit 1794 gemaakt in opdracht van Van de Graaff, vlak voor zijn vertrek. De kaneeltuinen, waarmee zijn voorganger Falck was begonnen, namen onder Van de Graaff een grote vlucht. Alleen al tussen Negombo en Kalutara waren er in 1786 meer dan driehonderd, met een totale oppervlakte van 30 km2. Het totaal aantal aangeplante kaneelbomen in Ceylon steeg in zijn bestuursperiode van 24 naar 609 miljoen. Ook de bevolking en VOC medewerkers werden aangemoedigd kaneelbomen te planten op hun land. Ongecultiveerde gronden werden aan boeren uitgegeven als ze beloofden een derde deel te beplanten met kaneelbomen. Vanwege de hoge kosten om de plantages te onderhouden werden die vanaf 1790 opgesplitst in kleinere delen en aan kaneelschillers gegeven om zelf te verzorgen. Uiteindelijk waren de kaneeltuinen samen met de in het wild groeiende kaneel op het grondgebied van de Compagnie voldoende om aan de jaarlijkse vraag van Batavia (de eis) van 5000 balenEen baal was ongeveer 40 kilo. te voldoen, zodat men niet meer afhankelijk was van Kandy. De zeer impopulaire boetes voor het vernietigen van kaneelbomen bij de door boeren bedreven brandlandbouw konden worden afgeschaft. De Heren XVII waren erg tevreden met deze ontwikkeling.

Aan de andere kant stegen ook de kosten. Deels waren dat aanloopkosten en deels militaire uitgaven aan versterking van fortificaties (vooral fort Oostenburg en Galle) en het inhuren van Europese militairen vanwege de Britse dreiging. Eerst het Franse regiment De Luxembourg en toen het Zwitserse regiment De Meuron. Ook waren de kosten voor rijstimport uit India hoger dan voorheen. Stimulering van de landbouw was daarom een prioriteit van Van de Graaff. Hij wilde Ceylon zelfvoorzienend maken. Hij had hiervoor ook de tot nu toe veelal onontgonnen droge gebieden in het oosten op het oog die een 'broodkamer' van het eiland moesten worden. In 1786 ondernam het opperhoofd van Trincomalee, Jacques Fabrice van Senden, een tocht door het achterland om de mogelijkheden van irrigatie te onderzoeken. Hij stuitte daarbij op irrigatiewerken van oude beschavingen uit de tijd van Polonnaruwa. In het noordwesten werden de mogelijkheden tot herstel van de oude 'Reuzentank' onderzocht, wat ook Van Imhoff had gedaan, maar dit werd door Batavia te kostbaar geacht. miniatuur|Gezantschap van de VOC onder leiding van de dessave Cornelis de Kock op audiëntie bij de koning van Kandy, Sri Rajadi Rajasingha, in 1785. Op de voorgrond knielende soldaten. De liggende figuur is de rijksadigaar (eerste minister van de koning). Rechts staan de gezanten.|310x310px