Het vorstendom Albanië, ook wel prinsdom Albanië (Albanees: Principata e Arbërisë) was het vervolg van het vorstendom Thopia (1328-1415) en werd geregeerd door het huis Thopia. Het in 1368 gestichtte prinsdom kwam geografisch overeen met het grootste deel van huidig Centraal-Albanië en strekte zich uit van de Adriatische Zee in het westen tot Krujë in het oosten, en van de Mat in het noorden tot de Shkumbin in het zuiden. Durrës was de hoofdstad.
Geschiedenis Vanaf de 14e eeuw regeerden de Thopia's over een lokaal vorstendom in centraal-Albanië. De familie bezat haar belangrijkste gebieden tussen de rivieren Mat en Shkumbin en was nauw verbonden met het door de Anjou bestuurde Koninkrijk Albanië. De stamvader Tanush I Thopia werd in 1328/1329 als graaf van Mat (conte di Matia) vermeld. Na zijn dood in 1338 volgde zijn zoon Andrea I Thopia hem op. De Thopia's fungeerden aanvankelijk als vazallen van de Anjou-heersers, maar profiteerden in de daaropvolgende decennia van de verzwakking van de Anjou-heerschappij en de terugtrekking van de Servische macht uit Centraal-Albanië.
Andrea I Thopia werd opgevolgd door zijn zoon Karl Thopia, die uitgroeide tot de belangrijkste heerser van het geslacht. Vanaf ongeveer 1358/1359 breidde Karl zijn macht sterk uit en wist hij grote delen van Centraal-Albanië onder zijn gezag te brengen. Hij gebruikte de titel Prins van Albanië en werd bovendien door paus Gregorius XI als grootgraaf van Albanië aangeduid. Zijn machtsgebied omvatte onder meer Durrës, Krujë, Peqin, Elbasan, Mokra en Gora. Een belangrijk doel van Karl was de verovering van Durrës, de belangrijkste havenstad van Centraal-Albanië en het voormalige centrum van de Anjou-heerschappij. In 1368 wist hij de stad definitief in handen te krijgen. Daarmee kwam een einde aan de feitelijke Anjou-heerschappij in Durrës en werd de stad de belangrijkste residentie van Karl. De staat die onder zijn bewind ontstond, wordt in de geschiedschrijving aangeduid als het Prinsdom Albanië. thumb|Reconstructie van Durrës in de middeleeuwen Karl Thopia onderhield wisselende relaties met andere Albanese adellijke families. Met de Muzaka's werkte hij samen tegen gemeenschappelijke tegenstanders, terwijl hij in conflict kwam met de noordelijke Balsha-dynastie. Karl trouwde met Vojsava Balsha, waardoor de twee machtige families door een huwelijk met elkaar verbonden raakten. De politieke rivaliteit tussen beide geslachten bleef echter bestaan. In 1385 veroverde Balsha II Durrës, waarna Karl de hulp van het Ottomaanse Rijk inriep. Met Ottomaanse steun versloeg hij Balsha II tijdens de Slag bij Savra in de omgeving van Lushnjë. Balsha II sneuvelde en Karl heroverde Durrës. Karl Thopia stierf in 1388. Zijn bezittingen werden vervolgens onder zijn kinderen verdeeld. Zijn zoon Gjergj Thopia erfde Durrës, terwijl zijn oudste dochter Helena Thopia Krujë en omliggende gebieden erfde. Helena trouwde eerst met de Venetiaanse edelman Marco Barbarigo en later met Konstantin Balsha, waardoor zij opnieuw verbonden raakte met de Balsha-familie. Haar positie werd voortdurend beïnvloed door de rivaliteit tussen Venetië, de Ottomanen en de verschillende Albanese vorsten.
De positie van Gjergj Thopia was aanzienlijk zwakker dan die van zijn vader. De groeiende Ottomaanse macht en de toenemende druk van Venetië maakten het moeilijk om Durrës zelfstandig te behouden. In 1392 droeg Gjergj Durrës en zijn gebieden over aan de Republiek Venetië. Kort daarna stierf hij zonder kinderen na te laten. Hiermee kwam een einde aan de directe mannelijke lijn van Karl Thopia in Durrës. De resterende Thopia-bezittingen concentreerden zich vervolgens rond Krujë. Niketa Thopia, een verwant van Gjergj en Helena, kwam in het bezit van Krujë en wist een deel van de overgebleven Thopia-bezittingen bijeen te houden. Helena en Niketa raakten hierbij onderling in conflict over de controle over Krujë. Uiteindelijk kwam Niketa opnieuw als heerser van Krujë naar voren.
Niketa Thopia onderhield betrekkingen met Venetië en kwam tevens in conflict met andere Albanese vorsten, waaronder Teodor III Muzaka. In 1411 leed Niketa een zware nederlaag tegen de Muzaka's en werd hij gevangengenomen. Door tussenkomst van de Republiek Ragusa werd hij uiteindelijk vrijgelaten. Hij verloor daarbij gebieden rond de Shkumbin aan de Muzaka's. Na de dood van Niketa in 1415 kwam Krujë in handen van het Ottomaanse Rijk. Daarmee verdween de zelfstandige politieke macht van de Thopia-dynastie. De familie bleef echter deel uitmaken van de Albanese adel. Latere leden en verwante adellijke geslachten bleven betrokken bij het verzet tegen de Ottomanen en bij de politieke ontwikkelingen die uiteindelijk zouden leiden tot de Liga van Lezhë in 1444.
Het Prinsdom Albanië onder de Thopia's was daarmee een van de belangrijkste Albanese politieke entiteiten van de late middeleeuwen. Onder Karl Thopia bereikte het zijn grootste macht, terwijl de daaropvolgende verdeeldheid tussen zijn kinderen Gjergj en Helena en de toenemende invloed van Venetië en het Ottomaanse Rijk uiteindelijk het einde van de Thopia-heerschappij inluidden.
Prinsen Tanush I Thopia (1328-1338) Andrea I Thopia (1338–1343) Karl Thopia (1368–1387) Gjergj Thopia (1387–1392) Helena Thopia (1402-1403) Niketa Thopia (1403-1415) Kaarten
Categorie:Geschiedenis van Albanië Albanie 1914 Albanie