thumb|De slechte pachters, gravure van Jan Luyken De gelijkenis van de slechte pachters, ook bekend als de gelijkenis van de boze wijngaardeniers, is een gelijkenis van Jezus die staat in Matteüs 21:33-41, Marcus 12:1-9 en Lucas 20:9-16. Deze gelijkenis wordt ook verhaald in het apocriefe Thomasevangelie logion 65.
Inhoud
Interpretatie Al in het Oude Testament diende de wijngaard als beeld voor de Israëlieten (vergelijk Jesaja 5:1). In Zijn goedheid stuurde God altijd nieuwe dienaren (d.w.z. de profeten) om de beloning voor Zijn genade (d.w.z. een leven dat overeenkomt met het uitverkoren volk van God) op te eisen. Deze boodschappers werden echter herhaaldelijk afgewezen en soms zelfs gedood. Deze afwijzing mondde uit in de moord op de zoon. Daarmee werd het lijden en sterven van Jezus al aangegeven. Deze missie van de Zoon wordt zo de basis voor een nieuw verbondsvolk dat verder gaat dan Israël.Stuttgarter Erklärungsbibel, 2e druk 1992, Deutsche Bibelgesellschaft Stuttgart, , pag. 1245-1248
Authenticiteit Het verhaal, dat voorkomt in de drie synoptische evangeliën, is meervoudig geattesteerd en voldoet door zijn eschatologie ook aan het criterium van coherentie. Daarmee behoort tot de weinige parabels die ook volgens de historisch-kritische methode teruggaan op de historische Jezus.John P. Meiers (2016): A Marginal Jew. Rethinking the Historical Jesus, vol. V, Probing the Authenticity of the Parables, , pag. 239-240
Zie ook Gelijkenissen van Jezus
slechte pachters