miniatuur| William Donovan William Joseph "Wild Bill" Donovan (Buffalo, New York, 1 januari 1883 – Washington, 8 februari 1959) was een Amerikaans generaal, advocaat, diplomaat en geheim agent, stichter van de Office of Strategic Services (OSS) en van de Central Intelligence Agency (CIA). Zijn standbeeld staat in het hoofdkwartier van de CIA in Langley (Virginia).

Levensloop Donovan had als ouders Timothy Donovan en Anna Letitia Lennon, de als Amerikanen geboren kinderen van katholieke Ierse immigranten. De Lennons kwamen uit Ulster, de Donovans uit County Cork. Timothy werkte als intendant bij de spoorwegen en vervolgens als secretaris van de begraafplaats 'Heilig Kruis'. Na William kwamen nog twee jongens en twee meisjes het gezin aanvullen. Zij groeiden op tot in de volwassenheid, terwijl er nog enkele kinderen in hun vroege kinderjaren overleden. William liep school in het Sint-Jozefscollege. Hij was er goed in voetballen, speelde toneel en werd laureaat in een welsprekendheidstoernooi. Hij begon met studies aan de katholieke universiteit en seminarie Niagara University. Na geaarzeld te hebben of hij zou priester worden, koos hij voor een juridische loopbaan.

Hij verhuisde naar Columbia University, waar hij zich een ruimer wereldbeeld kon vormen dan binnen een uitsluitend katholieke omgeving. Hij interesseerde er zich voor de protestantse en joodse godsdiensten. Hij werd actief in studentenverenigingen, schreef zich in bij de universitaire roeiclub, won opnieuw een prijs voor welsprekendheid, werd een held in het voetbal en werd in het laatste jaar in 1905 tot een van de knapste studenten van zijn promotiejaar verkozen.

Na de twee jaar die leidden tot bachelor of arts, studeerde hij twee jaar rechten, met Franklin Delano Roosevelt als jaargenoot. Afgestudeerd, werd hij in 1909 partner in het advocatenkantoor Love & Keating in Buffalo. In 1911 opende hij een eigen kantoor samen met een Columbia jaargenoot, Bradley Goodyear. In 1914 vond een fusie plaats en het kantoor heette voortaan Goodyear & O'Brien. Vanaf 1912 ging Donovan op in militaire activiteiten als commandant van een cavaleriebataljon binnen de New York National Guard. De eerste opdracht bestond erin om in Texas de grens te gaan verdedigen tegen de aanvallen van de Mexicaanse avonturier Pancho Villa. Dit bracht er Donovan toe militaire strategie en gevechtstactieken te bestuderen. Hij was ondertussen in 1914 in Buffalo getrouwd met de erfdochter Ruth Rumsey.

In 1916 verbleef Donovan enkele weken in Berlijn, in opdracht van de Rockefeller Foundation, met als doel de regeringen in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk ervan te overtuigen om zendingen van voedsel en kledij toe te laten naar België, Servië en Polen. In juli keerde hij terug naar de Verenigde Staten en trok opnieuw met zijn cavalerieregiment naar Texas om er onder generaal John J. Pershing verder Pancho Villa te bestrijden. Tot majoor gepromoveerd, keerde hij naar Buffalo terug en voegde zich bij de "Fighting Irish Regiment", die begon te trainen voor de verwachte intrede van de Verenigde Staten in de Eerste Wereldoorlog. De latere generaal Douglas MacArthur was er stafchef. Ondertussen waren Donovans zoon David (1915-1999) en zijn dochter Patricia (1917-1940) geboren.

Eerste Wereldoorlog thumb|Luitenant-kolonel Donovan aan het front in 1918 Toen in 1917 de Verenigde Staten aan Duitsland de oorlog verklaarden, voerde majoor Donovan een bataljon aan. Terwijl hij in Frankrijk meevocht werd hij gekwetst door een schrapnel en ook getroffen door een gasaanval. Zijn activiteiten maakten dat hij de Croix de guerre en de Distinguished Service Cross ontving. Het waren zijn vaak nogal roekeloze daden tijdens die oorlog, die hem de bijnaam Wild Bill opleverden.

Op 14-15 oktober 1918 nam hij met het 165e Regiment deel aan gevechten bij Landres-et-Saint-Georges. Hij werd getroffen door een kogel in de knie, maar bleef zijn manschappen verder aanvoeren. Na de Wapenstilstand van 11 november 1918 bleef hij, met de graad van kolonel, nog enkele maanden bij de bezettingstroepen in Duitsland om, in april 1919 naar New York terug te keren. Hij wees een aanbod af van politieke activiteit en keerde naar Buffalo terug om er weer zijn beroep van advocaat uit te oefenen.

Het Interbellum In 1920 ging hij met zijn echtgenote op reis naar China, Korea en Japan. Onder het mom van een vakantiereis ging het om zijn eerste belangrijke informatiereis om gegevens over deze landen te verzamelen. Nadien reisde hij ook nog door Siberië tijdens de Russische burgeroorlog. Hij bleef verder als advocaat actief, maar reisde toch ook nog uitgebreid door Europa om er informatie te verzamelen aangaande het internationaal communisme en weldra ook het nazisme.

Hij werd in 1924 benoemd tot procureur voor de staat New York en liet zich als een forse verdediger van de wet kennen. Hij kreeg vooral bekendheid als strenge handhaver van de wet op de prohibitie. In 1924 benoemde president Warren G. Harding de Columbia professor Harlan Stone tot minister (Attorney General) van Justitie en Donovan tot zijn assistent, belast met misdaadbestrijding. Hij bleef wel nog advocaat en verdeelde zijn tijd tussen Buffalo en Washington. In die periode leerde hij de directeur van de FBI, J. Edgar Hoover, kennen en weldra werd hun relatie conflictueus.

In 1925 werd Stone benoemd tot rechter in het Hooggerechtshof en Donovan werd benoemd aan het hoofd van het departement 'antitrust'. Aangezien de opvolger van Stone, John Garibaldi Sargent, veelvuldig afwezig was, trad Donovan vaak als de de-facto-minister van Justitie op. In 1929 verhuisde hij naar New York en richtte er een nieuw advocatenkantoor op onder de naam Donovan, Leisure, Newton & Irvine. Hij kende succes, ondanks de economische crisis. In 1932 bekende hij dan toch politieke kleur en werd republikeins kandidaat voor de opvolging van Franklin Delano Roosevelt als gouverneur van de staat New York. Hij verloor echter tegen de democratische kandidaat.

Inlichtingen verzamelen Vanaf de jaren twintig begon Donovan zich te interesseren voor intelligence, in de zin van het verzamelen van inlichtingen. Hij maakte weldra deel uit van een informele groep van Amerikaanse ondernemers en juristen die inlichtingen verzamelden over wat wereldwijd gebeurde. Donovan reisde veel in Europa en Azië. Hij kreeg weldra reputatie als kenner van internationale zaken en toestanden.

Hij ontmoette politici en regeringsleiders, onder wie Benito Mussolini, die hem toelating verleende om in Ethiopië de Italiaanse krijgsverrichtingen te gaan gadeslaan. Ook in Duitsland had hij contacten met naziprominenten. Het belette niet dat hij publiek sterke kritiek uitoefende op Hitler, Mussolini en Stalin. Hij zette ook zijn eerste stappen om zijn Joodse relaties in Europa te beschermen tegen de nazi's.

Tweede Wereldoorlog In die jaren kwam hij tot de overtuiging dat een tweede wereldoorlog onvermijdelijk was. Hij begon over zijn buitenlandse ervaringen te communiceren met zijn vroegere medestudent Roosevelt. Ondanks hun uiteenlopende politieke opvattingen konden ze in vertrouwen met elkaar praten. Roosevelt beschouwde hem weldra als een belangrijke bondgenoot en adviseur. Daarbij werd Donovan iemand met nationale bekendheid toen Warner Brothers begin 1940 de film The Fighting 69th uitbracht, die gewijd was aan zijn oorlogsdaden.

Nadat Duitsland en de Sovjet-Unie, Polen binnenvielen en de Tweede Wereldoorlog begon, maakte Roosevelt stilaan aanstalten om de Verenigde Staten op oorlogsvoet te plaatsen. Donovan had de gebeurtenissen voorspeld en wilde graag een bijdrage leveren in wat komen zou. Roosevelts vertrouwen in hem groeide nog en hij vertrouwde hem verschillende opdrachten toe. Zo stuurde hij hem in 1940 en 1941 naar Engeland om er de Britse weerstand te beoordelen en na te gaan of ze de Duitse agressie konden weerstaan.

Donovan ontmoette de belangrijkste Britse verantwoordelijken en had zelfs lunch met koning George VI. Hij bouwde vooral een uitstekende relatie op met Winston Churchill en hij keerde naar de Verenigde Staten terug met een optimistisch oordeel over de Britse kansen. Hiermee verkondigde hij een mening die volledig tegengesteld was aan die van de defaitistische ambassadeur Joseph Kennedy. In Engeland maakte hij ook kennis met de geheime inlichtingendiensten van de Britten en vatte het idee op een gelijkaardige organisatie op te zetten in America. Hij adviseerde met klem dat Roosevelt alle mogelijke hulp aan de Britten zou verlenen, en die belastte er hem mee de beste legale achterpoortjes te vinden om de ban op wapenleveringen te omzeilen die het Congres had uitgevaardigd.

Donovan ging ook de Amerikaanse vloot inspecteren in de Stille Oceaan en bracht er een tamelijk kritisch verslag over uit. Hij reisde ook naar het Midden-Oosten en moedigde er alle regeringsleiders die hij ontmoette aan, namens Roosevelt en Churchill om zich tegen de nazi's te keren. In New York onderhield hij nauwe contacten met de vertegenwoordiger van MI6, William Stephenson. Met hem begon hij na te denken over en te ageren voor de oprichting van een Amerikaanse geheime dienst.

Office of Strategic Services (OSS) thumb|Generaal Donovan aan het hoofd van de OSS Op 11 juli 1941 werd Donovan door Roosevelt benoemd als Coordinator of Information (COI), zes maanden voordat de Verenigde Staten, na de aanval op Pearl Harbor, zich in de oorlog stortten. Donovan stond hiermee met een reuzentaak opgezadeld. De VS had immers nog geen begin van geheime dienst. Wat van de Eerste Wereldoorlog was overgebleven, de anglofiele groep verzameld in The Room of The Black Chamber, die geheime boodschappen ontcijferde, was in 1929 afgeschaft. Instellingen zoals het leger, de FBI, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en nog andere, hadden hun eigen op zichzelf opererende inlichtingendienst, die niet veel betekenden. Allen zagen de benoeming van Donovan als een bedreiging voor hun eigen winkel.

Het belet niet dat Donovan met grote inzet aan de organisatie van de COI begon. Kamer 3603 van het Rockefeller Center in New York werd het eerste hoofdkwartier, onder leiding van Allen Dulles. Het werd een informele organisatie, zonder veel hiërarchie en met een open geest voor om het even welk 'gek' idee van geheime operaties. Er kwam dan ook veel kritiek, onder meer van generaal George Marshall (althans aanvankelijk), maar Donovan kreeg vlug de steun van de generaals Dwight Eisenhower en George Patton.

Donovan organiseerde opleidingen voor spionage en sabotage, vormde interventiegroepen, zette geheime samenwerkingen op met internationale organisaties en met het Vaticaan en werkte actief aan het ontwerpen van wapens, camera's en bommen, geschikt voor geheime agenten. Hij rekruteerde duizenden medewerkers met de meest uiteenlopende achtergronden. zowel intellectuelen en kunstenaars als boeven, onder hen talrijke vrouwen.