Het Belgisch erfrecht is een rechtstak binnen het vermogensrecht van het Belgisch burgerlijk recht die de juridische overgang van nalatenschappen bij overlijden regelt, de vererving, het stamt uit de tijd van Napoleon. Het is in 2003 veranderd, waarbij vooral de rechten bij erfopvolging van de langstlevende echtgenoot werden herzien, het is per september 2018 ingrijpend veranderd met als nieuwe mogelijkheid het sluiten van een erfovereenkomst over een nog niet opengevallen nalatenschap. Het erfrecht is opgenomen in Titel 1 van Boek 4 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek, dat de artikelen 4.1 tot 4.131 BW omvat. Een overgangswet regelt hoe er moet worden omgegaan met testamenten die vóór de herzieningen zijn opgesteld.

Het erfrecht in Nederland is oveneens geregeld in Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek maar verschilt inhoudelijk wezenlijk van het Belgische, mede omdat het Nederlands ontwerp uit de 1950er jaren stamt en dat van België uit 2016.

Erfgerechtigdheid

Erfgerechtigden en erfgenamen

Nalatenschappen vallen open door het overlijden (art. 4.1 BW). De personen die vervolgens tot deze nalatenschap worden geroepen, noemt men erfgerechtigden. Erfgerechtigden worden enerzijds aangeduid door de wet, in de bepalingen omtrent de wettelijke devolutie, en anderzijds door de erflater, in een testament (art. 4.2, eerste lid BW). Door de aanvaarding van de nalatenschap (hetzij zuiver, hetzij onder voorrecht van boedelbeschrijving) neemt de erfgerechtigde de hoedanigheid aan van erfgenaam, of erfopvolger (art. 4.2, tweede lid BW).

Bestaan en overleving

Om erfgerechtigd te zijn, moet men voldoen aan de bestaansvoorwaarde en de overlevingsvoorwaarde.

De bestaansvoorwaarde houdt in dat men, om erfgerechtigd te zijn, moet bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt. Om te voldoen aan deze voorwaarde is het voldoende dat men verwekt is op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt, op voorwaarde dat men nadien levensvatbaar wordt geboren (art. 4.4 BW). Dit is een toepassing van de infans conceptus-regel.

De overlevingsvoorwaarde houdt in dat men, om erfgerechtigd te zijn, de erflater moet overleven (art. 4.5, eerste lid BW). Als de precieze volgorde waarin twee of meer personen zijn overleden niet kan worden bepaald, worden die personen geacht gelijktijdig te zijn overleden. Bijgevolg zijn zij niet erfgerechtigd in elkaars nalatenschap (art. 4.5, tweede lid BW). Als een belanghebbende ten gevolge van omstandigheden die hem niet kunnen worden toegerekend, moeilijkheden ondervindt bij het bewijs van de volgorde van de overlijdens, kan de rechter hem een of meer malen uitstel verlenen, voor zover redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het bewijs binnen de termijn van het uitstel kan worden geleverd (art. 4.5, derde lid BW).

Onwaardigheid om te erven

In bepaalde gevallen worden de daders, mededaders en medeplichtigen uitgesloten van de nalatenschap van hun slachtoffer. Zulks heet de onwaardigheid om te erven (art. 4.6 tot 4.9 BW). De wet maakt een onderscheid tussen automatische (art. 4.6, §1, 1° en 2° BW) en facultatieve (art. 4.6, §1, 3° BW) onwaardigheidsgronden. De automatische onwaardigheidsgronden zijn hoofdzakelijk gelieerd met levensdelicten. Is de onwaardigheid facultatief, dan kan de erflater de onwaardige per testament vergiffenis schenken (art. 4.7 BW).

De onwaardige wordt geacht nooit enig recht in de nalatenschap te hebben gehad (art. 4.8 BW). De kinderen van de onwaardige zijn zelf niet onwaardig door de schuld van hun ouder. Ze kunnen bij plaatsvervulling tot de nalatenschap komen (art. 4.9, eerste lid BW).

Wettelijke erfopvolging

Uitgangspunten

Erfrechtelijke roeping

De nalatenschappen komen toe aan de kinderen en afstammelingen van de erflater, aan zijn noch uit de echt noch van tafel en bed gescheiden echtgenoot, aan zijn verwanten in de opgaande lijn, aan zijn verwanten in de zijlijn, en aan zijn wettelijk samenwonende binnen de grenzen van de rechten die hem zijn toegekend (art. 4.10, §1 BW).

Bij gewone adoptie behouden de geadopteerde en zijn afstammelingen al hun erfrechten in hun oorspronkelijke familie. Ze verkrijgen op de nalatenschap van de adoptant of adoptanten dezelfde rechten als een kind of zijn afstammelingen daarop zouden hebben, maar verkrijgen geen enkel recht op de nalatenschap van de verwanten van de adoptant of adoptanten (art. 4.12 BW).

Ordes, lijnen en graden

De wet deelt de erfrechtelijke roepingen op in vier ordes (art. 4.10, §2 BW): de eerste erfrechtelijke orde, die wordt gevormd door de afstammelingen van de erflater; de tweede erfrechtelijke orde, die wordt gevormd door de nauwe zijverwanten en eventueel de vader en de moeder van de erflater; de derde erfrechtelijke orde, die wordt gevormd door de ascendenten van de erflater; en de vierde erfrechtelijke orde, die wordt gevormd door de gewone zijverwanten tot in de vierde graad.

De nalatenschap vererft in de rechte lijn als de erfopvolging plaatsvindt tussen personen die van elkaar afstammen (art. 4.11, §1 BW). Zij vererft in de zijlijn als de erfopvolging plaatsvindt tussen personen die niet van elkaar, maar van een gemeenschappelijke voorouder afstammen. Men maakt daarbij een onderscheid tussen enerzijds de broers en zussen en hun afstammelingen, die men nauwe zijverwanten noemt, en de overige verwanten, die men de gewone zijverwanten noemt (art. 4.11, §2 BW).

De afstand in verwantschap wordt bepaald door het aantal generaties. Elke generatie wordt een graad genoemd (art. 4.11, §3 BW). Een kind staat bijvoorbeeld in de eerste graad tegenover zijn vader of moeder. Een broer en een zus staan tegenover elkaar in de tweede graad (art. 4.11, §4 en §5 BW). Verwanten van verder dan de vierde graad erven niet, behalve indien zij bij plaatsvervulling geroepen worden (art. 4.11, §6 BW).

Plaatsvervulling

Is een afstammeling vooroverleden, gelijktijdig overleden, onwaardig om te erven, of heeft die de nalatenschap verworpen, dan nemen de afstammelingen van deze erfgerechtigde zijn plaats in. Zij worden dan in zijn graad tot de nalatenschap geroepen. Men kan de plaats vervullen van hem wiens nalatenschap men verworpen heeft (art. 4.13 BW). Als er sprake is van plaatsvervulling, dan gebeurt de verdeling bij staken (art. 4.15, tweede lid BW).

In de rechte neerdalende lijn is er plaatsvervulling tot in het oneindige. In de zijlijn is er tevens plaatsvervulling, maar enkel ten voordele van de afstammelingen van broers en zussen, ooms en tantes van de erflater. Er is geen plaatsvervulling in de rechte opgaande lijn of ten voordele van de afstammelingen van de echtgenoot of van de wettelijk samenwonende (art. 4.14 BW).

Afstammelingen

Nalatenschappen komen in beginsel toe aan de afstammelingen van de erflater. Bijgevolg erven de kinderen of hun afstammelingen van hun ouders, hun grootouders of hun verdere verwanten in de opgaande lijn. Het speelt daarbij geen rol of zij allen dezelfde ouders hebben. De wijze waarop hun afstamming is vastgesteld, speelt eveneens geen rol (art. 4.16, eerste lid BW).

De nalatenschap komt toe aan de afstammelingen die in de dichtste graad staan. Als elke afstammeling in eerste graad staan en uit eigen hoofde tot de nalatenschap komt, dan erven zij elk een gelijk deel en per hoofd. Als er minstens één erfgenaam niet uit eigen hoofde, maar bij plaatsvervulling tot de nalatenschap komt, dan erven zij bij staken (art. 4.16, tweede lid BW).

Langstlevende echtgenoot

Erfrechten

De erfrechtelijke aanspraken van de langstlevende echtgenoot verschillen afhankelijk van wie er naast de langstlevende echtgenoot bijkomend tot de nalatenschap komt. Als de erflater afstammelingen, geadopteerde kinderen of afstammelingen van deze nalaat, erft de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap (art. 4.17, §1 BW). Als de erflater daarentegen verwanten in de opgaande lijn of nauwe zijverwanten nalaat, erft de langstlevende (art. 4.17, §2 BW): de volle eigendom van het deel van de eerststervende in het gemeenschappelijk vermogen en in het vermogen dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is; het vruchtgebruik van de overige goederen van diens eigen vermogen; en het vruchtgebruik op de goederen onderworpen aan het recht van wettelijke terugkeer, tenzij dit in de schenkingsakte of het testament werd uitgesloten.

Als de erflater andere erfgenamen of geen erfgenamen nalaat, erft de langstlevende echtgenoot de volle eigendom van de gehele nalatenschap (art. 4.17, §3 BW).

Vruchtgebruik op geschonken goederen

Onder bepaalde voorwaarden erft de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik op de goederen die de vooroverleden echtgenoot geschonken heeft onder voorbehoud van vruchtgebruik. Daartoe is evenwel vereist dat de echtgenoten reeds gehuwd waren op het moment van de schenking, en dat de vooroverleden echtgenoot-schenker het vruchtgebruik genoot tot aan zijn overlijden (art. 4.18, eerste lid BW).

Deze regels worden versoepeld als het gaat om schenkingen met voorbehoud van vruchtgebruik van de voornaamste gezinswoning en het daarin aanwezige huisraad. In die gevallen is het immers niet vereist dat de echtgenoten reeds gehuwd waren op het moment van de schenking, maar kan het volstaan dat zij op dat ogenblik wettelijk samenwonend waren (art. 4.18, tweede lid BW).

In beide gevallen kan de langstlevende echtgenoot afstand doen van deze erfrechten. Zolang de schenker nog in leven is, moet deze afstand echter gebeuren in een erfovereenkomst (art. 4.18, derde lid BW).

Als de vooroverleden echtgenoot geen eigenaar was van de gezinswoning, maar deze woning huurde, dan erft de langstlevende met uitsluiting van alle andere erfgenamen het recht op de huur van de gezinswoning (art. 4.20 BW).

Rechten van de blote eigenaars

Als de langstlevende echtgenoot over bepaalde goederen het vruchtgebruik verkrijgt, kan de blote eigenaar eisen dat er een boedelbeschrijving wordt gemaakt van de roerende goederen, een staat wordt gemaakte van de onroerende goederen, en dat de geldsommen worden belegd (art. 4.21 BW).

Langstlevende wettelijk samenwonende

De erfrechten van de langstlevende wettelijk samenwonende zijn beperkter dan die van de langstlevende echtgenoot. De langstlevende wettelijk samenwonende erft immers het vruchtgebruik op de voornaamste gezinswoning en het daarin aanwezige huisraad (art. 4.23, §1, eerste lid BW). Dit recht geldt ook als de gezinswoning onderworpen is aan het recht van wettelijke terugkeer (art. 4.23, §1, tweede lid BW).

Dit recht geldt eveneens als de vooroverleden wettelijke samenwonende de gezinswoning en het huisraad had geschonken met voorbehoud van vruchtgebruik, voor men reeds wettelijk samenwonend was op het moment van de schenking, en dat de vooroverleden wettelijk samenwonende-schenker het vruchtgebruik genoot tot aan zijn overlijden (art. 4.23, §2, tweede lid BW). Net zoals de langstlevende echtgenoot kan ook de langstlevende wettelijk samenwonende afstand doen van dit recht, al dient dit te gebeuren in een erfovereenkomst zolang de schenker nog in leven is (art. 4.23, §2, tweede lid BW).

Als de vooroverleden wettelijk samenwonende geen eigenaar was van de gezinswoning, maar deze woning huurde, dan erft de langstlevende met uitsluiting van alle andere erfgenamen het recht op de huur van de gezinswoning (art. 4.20 BW).

Om de gelijkheid van de erfgenamen niet te fnuiken, geniet men in de hoedanigheid van langstlevende wettelijk samenwonende geen erfrechten als men tevens afstammeling is van de vooroverleden wettelijk samenwonende (art. 4.23, §4 BW).

Recht van wettelijke terugkeer

In bepaalde gevallen keren geschonken en/of geërfde goederen die zich in de nalatenschap van de erflater bevinden terug naar de vorige eigenaar. Er bestaat een recht van wettelijke terugkeer ten voordele van ascendenten (art. 4.24 BW) en een recht van wettelijke terugkeer na gewone adoptie (art. 4.25 BW).

Ouders en nauwe zijverwanten