thumb|400px|Stamboom Huis van Putten en Strijen Heren en vrouwen van Putten biedt een overzicht van de opeenvolgende Heren en Vrouwen van Putten, die in de late Middeleeuwen de Heerlijkheid Putten bestuurden, en hun naaste verwanten.

thumb|400px|Kaart Heerlijkheid Putten (en Strijen) ±1310 De Heerlijkheid Putten lag in het zuidwesten van het graafschap Holland en omvatte de huidige gebieden Albrandswaard (van het voormalige Kathendrecht -nu Charlois- in het noorden tot aan Hoogvliet, maar zonder Rhoon), via het eiland Putten, het westen van de huidige Hoeksche Waard tot het oosten van Flakkee. In de begintijd van de Heerlijkheid waren er alleen kleine eilanden. Zij werden in de loop der tijd bedijkt en met elkaar verbonden tot grotere eilanden. Daarin speelden de Heren van Putten een belangrijke rol.

Archief en jaartallen Het oudste archief van de heren van Putten bevond zich op kasteel Puttensteyn (tussen Oud-Beijerland en Heinenoord). Maar dat werd in 1304 verwoest tijdens een oorlog. Hierbij ging het volledige archief in vlammen op, waardoor er nauwelijks documenten over de Heerlijkheid Putten zijn van vóór 1304. Alleen uit andere archieven zijn archiefstukken uit die vroege tijd overgeleverd, zoals in de archieven van de graven van Holland en dat van Utrecht.

Daarna is opnieuw archief opgebouwd, aanvankelijk in de Hof van Geervliet. Ten tijde van het bewind van Jacob van Gaasbeek (1407-1459) werd een belangrijk deel overgebracht naar Gorinchem en na zijn dood (1459) naar Den Haag. Sindsdien is er veel van het archief verloren gegaan. In 1529 werden de charters (samen met de andere Hollandse charters) overgebracht naar een vochtige burcht in Gouda, waardoor vele documenten geruïneerd of onherstelbaar beschadigd zijn.[Dekker, 2020], p. 22 Bovendien werd op 3 maart 1945 het gebouw van de provinciale griffie van Zuid-Holland gebombardeerd, waarbij zowel het bronnenmateriaal als het onderhanden manuscript over Voorne-Putten en Rozenburg waar L.F. Teixeira de Mattos (1872-1945) aan werkte, verloren ging. Hierdoor is er veel onzeker.

Wat er van dit archief over is, bevindt zich nu in het Nationale Archief in Den Haag, met als belangrijkste onderdeel 3.19.43 Inventaris van het archief van de Heren van Putten en Strijen, 1235-1459https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/3.19.43. Gearchiveerd op 17 oktober 2022..

De hierboven beschreven onzekerheid geldt ook voor veel geboorte- en sterfjaren, ook voor die van na 1304. Hoewel enkele zeer precies zijn, zijn andere schattingen of moeten om andere redenen beschouwd worden als indicaties; verschillende bronnen vermelden nogal eens verschillende jaartallen, een enkele keer was er zelfs 20 jaar verschil tussen. De jaartallen die het meest betrouwbaar en/of plausibel leken, zijn hier opgenomen, met een "±-teken".

Oorsprong van het Huis van Putten Over de oorsprong van het Huis van Putten is niet veel bekend. Wat we wel weten: Gerard van Putten(?) Diverse bronnenZie Tussen kop en staart / Menno M.A. Knul vermelden ene ridder Gerardt (ook wel: Gerard, Gerrit of Gherrit), Heer van Putten, die in 1049 graaf Diederick hielp om Dordrecht (opnieuw) in te nemen. Ook Van Wijn vermeldde deze "Heer Gerrit van Putten, die in den jare 1049, de stad Dordrecht van uitheemsch geweld verloste"[Wijn], p. 5. Verder is er niets over deze Gerard van Putten bekend, ook niet òf er een connectie is geweest met de (latere) Heerlijkheid van Putten en zo ja welke. Hugo III van Voorne (regeerde ±1100-na 1168), heer van Voorne. Hij bezat het hele gebied tussen Noordzee en Striene, waaronder Voorne en Putten. Hij had drie zonen: Floris, Dirk en Hugo. Floris van Voorne, de oudste zoon van Hugo III, (laatste vermelding in 1174), volgde hem op en regeerde -net als zijn vader- ook over Putten. Na zijn overlijden erfden zijn twee broers Dirk en Hugo van hem de heerlijkheid van Voorne, dus inclusief Putten. Zij besloten om die heerlijkheid te delen, waarbij de jongste broer Hugo het oostelijk deel kreeg, tot aan de Striene, het gebied van de latere heerlijkheid Putten.[Baan, 1983], p. 21 Daarbij werd de heer van Voorne de leenheer en werd de heer van Putten zijn leenman. Hugo IV van Voorne en Putten (±1145-vóór april 1189), jongere broer van Floris. De eerste heer van Putten die alleen over Putten regeerde en niet over Voorne.

Jan I van Putten Een (anonieme) dochter van Hugo van Voorne (*±1180) was waarschijnlijk zijn erfdochter en kreeg na het overlijden van haar vader in 1189 de Heerlijkheid Putten in handen. Zij huwde in 1200 met Jan I Persijn (±1150 / 20-9-1224) uit Egmond, zoon van Dirck Dircsz van Persijn (±1110-1168) en Bertrade Aernoutsdr Spiker van Waterland. De Baan[Baan, 1983, p. 21 vermoedde dat hij de grafelijke beheerder was van de gebieden rond Poortugaal en de Geervlietse tol en dat door dit huwelijk beide gebieden in één hand kwamen. Sindsdien vormden zij de "heerscappie van Putten". Zijn naam komt voor als "Johannes de Putthen" (Latijns, dus: Johannes van Putten) in een bewaard gebleven document, gedateerd op 6 december 1216, waaruit blijkt dat hij in ieder geval in dat jaar over de heerlijkheid Putten regeerde.[Putten (III)], p. 12 Kennelijk noemde hij zich naar de heerlijkheid waarvan hij (namens zijn vrouw?) heer was.

Jan I werd begraven in de abdij van Egmond.

Hij werd opgevolgd door Nicolaas I van Putten, waarschijnlijk een neefGouw, 1967, p. 8.

Nicolaas I van Putten thumb|Zegel Nicolaas I van Putten in 1241 Nicolaas I Persijn van Haarlem van Putten, in het Latijn: Nicolaus de Putte (*1180 à 1200 - †±1248). Zijn sterfdatum is onduidelijk: Obreen[Obreen (1)], kolom 299 concludeerde dat hij tussen april 1247 en 30 september 1248 moet zijn overleden. Andere bronnen gaan uit van 1250 te Egmond of 1255 te Velsen. Hij was waarschijnlijk een neef van Jan I Persijn. Zijn naam komt voor in archiefstukken die gedateerd zijn tussen 1229 en april 1247, wat er op duidt dat hij in ieder geval in die periode heer van Putten was. Hij was leenman van Hendrik van Voorne in 1235. In datzelfde jaar 1235 zegde hij zijn neef Willem, zoon van zijn broer Hugo, een jaargeld toe. Sinds 1241 voerde hij de riddertitel[Obreen (1)], kolom 296.

Vanaf in ieder geval 1229 hield hij als eerste van de heren van Putten (ook) residentie in Geervliet, in de Hof van Putten, toen nog een versterkte hoeve.

Obreen concludeerde over Nicolaas I: Hij was de kerk welgezind (hij schonk o.a. tienden en een weide bij Strienemonde aan een nonneklooster en hij gaf een abdij visrecht in de zuidwestelijke punt van IJsselmonde). Bovendien was hij een aanzienlijk man, die reeds over de volle omvang der heerschappij van Putten het gezag voerde, leenmannen aan zich verbond en in de naaste omgeving van de landsgraven thuis was, met name bij de graven Floris IV van Holland en diens zoon Willem II.

Beschrijving zegel Het zegel van Nicolaas I van Putten was rond, met een middellijn van 60 mm waarop een wapenschild staat. Het wapen bestaat uit zes dwarsbalken, de oneven balken beladen met 4, 3 resp. 2 St. Andrieskruisjes. Randschrift (in het Latijn): s’ NICHOLAI DOMINI DE PVTTE (zegel van Heer Nicolaas van Putten).[Obreen (5)], kolom 52 Het wapen lijkt sterk op dat van de Persijns: ook zes balken met kruisjes op dezelfde plaatsen, alleen de kleuren verschillen (maar dat is niet te zien op een zegel). Waarschijnlijk is het wapen van Putten afgeleid van dat van de Persijns.

Huwelijk en kinderen Nicolaas I was in 1230 getrouwd met Maria van Velsen (±1210-1245), Vrouwe van Haarlem. Hun kinderen: Jan II (1230-vóór 26-12-1293). Er is slechts één vermelding van hem, uit 1246, toen Nicolaas I deze zoon "qui est heres meus" (die mijn erfgenaam is) noemde[Dekker, 2020], noot 5 op p. 14. Obreen[Obreen (1)], kolom 199 veronderstelde daarom dat hij vóór zijn vader was overleden. Anders zou zijn regeerperiode wellicht 1247-1268 kunnen zijn geweest. Nicolaas II Persijn, Heer van Putten (±1235-vóór 12-4-1276), zijn opvolger. Zie hieronder. Berte (dochter), vermeld in 1276 en 1277. Florens vermeld in 1275, denkelijk overleden op 19 april 1276[Wijn], p. 78 (geslachtlijst)

Nicolaas II van Putten Nicolaas II Persijn Heer van Putten (±1235-vóór 12-4-1276), was een zoon van Nicolaas I en Maria van Velsen en de jongere broer van Jan II. Hij komt voor in archiefstukken tussen 1268-1275, dus zijn regeerperiode duurde in ieder geval van 1268 tot 1276.

De eerste maal dat men Nicolaes II tegenkomt in archiefstukken, op 23 oktober 1268, was hij met vele andere edelen borg voor heer Hendrik van de Lecke. Vier jaar later op 17 februari 1272, was hij getuige van graaf Floris V. Op 11 februari 1273 trof hij met deze graaf een regeling inzake het recht van besterfte hunner wederzijdse onderzatenGebruikelijk was dat de graaf recht had op de nalatenschap van vreemdelingen die in zijn gebied stierven. (bron: Jaarboek Westfries Genootschap : Jaarboek WFON, jg 44 (1977), p. 174) Kennelijk kon Nicolaas II een uitzondering afspreken voor onderzaten van de Heerlijkheid Putten. Gearchiveerd op 29 mei 2023.. Kort daarop op 13 april 1273 maakte hij een grensregeling met de heer van Strijen en stond deze een tegenover Pendrecht gelegen veen, Heinckensmoer, af. Op 30 december 1275 komt hij het laatst voor, als getuige van een zijner verwanten, heer Jan Persijn. Reeds op 19 april 1276 regelde graaf Floris V de voogdij van de kinderen van Nicolaas II, dus in de tussentijd zal hij zijn gestorven.[Obreen (1)], kolom 299 en Putten (4) p. 12

Beschrijving zegel Zijn zegelHet zegel van Nicolaas II is helaas nog niet gedigitaliseerd; voor een voorbeeld, zie [Obreen (5)] lijkt veel op dat van zijn vader. Het was rond, met een middellijn van 66 mm en met een wapenschild. Ook zijn wapen had zes dwarsbalken, de oneven balken met 4, 3, 2 St. Andrieskruisjes. Het randschrift (in het Latijn) luidde: SIQILLVM NICHOLAI DOMINI DE PVTTE (zegel van Nicolaas Heer van Putten).:

Huwelijk en kinderen Nicolaas II was gehuwd met Beatrix van Haarlem (±1245-±1280). Het echtpaar had ten minste twee zonen: Nicolaas III van Putten (±1260à1265 / 27-10-1311), zijn opvolger als heer van Putten, zie hieronder. Simon van (Putten en) Markenburg (1272-1331).

Simon van Markenburg thumb|Polder Simonshaven bedijkt in 1305 Simon van (Putten en) Markenburg (1272-1331) was de tweede zoon van Nicolaas II en Beatrix van Haarlem. Ook hij was ridder. Vermeldingen over hem staan in documenten die gedateerd zijn tussen 1304-1317. Zijn belangrijkste bijdrage aan de Heerlijkheid Putten was de bedijking van de polder Simonshaven, die naar hem is genoemd. In 1305 kreeg hij toestemming voor die bedijking van zijn oudere broer Nicolaas III, toen heer van Putten. Ook kreeg hij toestemming om er nieuwe kerken te stichten en een windmolen in Biervliet te zetten.[Putten (5)], p. 8 En hij zorgde ervoor dat de ringdijk van het eiland Putten werd gesloten, de bedijking van Simonshaven was onderdeel van dit sluitstuk. Heer Simon was in 1306 baljuw van Zuid-Holland[Obreen (2)], kolom 328 en [Wijn], p. 78 (geslachtlijst).

+ Hoe Symon van Markenburgh aan zijn einde kwamDoor [Van der Gouw, 1967] in voetnoot 17 op p. 30 overgenomen verhaal uit Willelmi capellani in Brederode postea monachi et procuratoris Egmondensis chronicon (Werken Hist. Gen. 3e serie no. 20), uitgegeven door C. Pijnacker Hordijk, Amsterdam in 1904, p. 164. Dit verhaal is in kortere vorm ook door [Obreen (2)], kolom 328 vermeld. (een sage)