Théophile de Viau, (Clairac, Lot-et-Garonne, april 1590 - Parijs, 25 september 1626) was een Franse dichter en toneelschrijver. Hij werd beroemd door zijn toneelstuk Les Amours tragiques de Pyrame et Thisbé en zijn gedichten.

Het leven van Théophile de Viau speelde zich af tijdens de hugenotenopstanden. Om zich te verzekeren van een plaats aan het hof, nam hij deel aan de veldtochten van koning Lodewijk XIII tegen zijn geloofsgenoten.

De Viau was vrijdenker en onderhield seksuele relaties met zowel mannen als vrouwen. Zijn kritische opstelling tegenover kerkelijke en politieke gezagsdragers en zijn vrije moraal brachten hem in de problemen. De publicatie van Le Parnasse satyrique, een verzameling satirische en obscene gedichten waaraan hij had bijgedragen, was de directe aanleiding voor zijn arrestatie. In 1623 werd hij veroordeeld tot de doodstraf voor zijn ketterse opvattingen en libertijnse levensstijl.

De Viau behoorde tot de meest gelezen dichters in de 17e eeuw, maar raakte daarna in de vergetelheid. Zijn werk werd in de 19e eeuw opnieuw ontdekt door Théophile Gautier. Enkele gedichten en een kort verhaal zijn in het Nederlands vertaald.

Biografie Jeugdjaren en opleiding Théophile was de derde zoon van Jeanus de Viau, een advocaat die verbonden was aan het Parlement van Bordeaux. Hij was een hugenoot en Théophile ontving een calvinistische opvoeding. Hij bracht zijn kindertijd door op het landgoed van zijn vader in Boussères-de-Mazères, een gehucht aan de Garonne bij Port-Sainte-Marie, samen met zijn broers Paul en Daniel en zijn zusters Suzanne en Marie. Hij kreeg thuisonderwijs van zijn vader, zat op school in Montauban en Bordeaux en studeerde daarna aan de Académie de Saumur, een protestantse universiteit die in 1593 was opgericht door Philippe du Plessis-Mornay. Zijn leermeester was de Schotse hoogleraar Marc Duncan (1581-1640) die filosofie, metafysica en Grieks doceerde. Zijn opvoeding en opleiding vormden de basis voor zijn latere, onafhankelijke opvattingen en zijn levenshouding.Andrieu p. 7-11Schirmacher p. 1-9 Volgens biograaf Jules Andrieu was Théophile het tweede kind en is hij in Boussères geboren. (Andrieu p. 8)

thumb|"Hier werd de jonge Lodewijk XIII gekroond, een uur na de dood van zijn vader Hendrik IV." (Inscriptie in de Rue des Grands Augustins 8, Parijs 6)

Eerste jaren aan het hof In 1610 vertrok De Viau naar het hof van koning Hendrik IV van Frankrijk en Maria de' Medici. De financiële ondersteuning die hij van zijn vader ontving viel weg na diens overlijden in 1612. De Viau kon in Parijs geen mecenas vinden en reisde daarom in 1612 met zijn vriend Jean-Louis Guez de Balzac naar Holland. Dat was een aantrekkelijke bestemming door de relatieve politieke vrijheid, religieuze tolerantie en de vrijheid van denken en publiceren. Hij studeerde aan de Universiteit Leiden en voorzag in zijn levensonderhoud met het schrijven van gedichten en theaterstukken. In augustus 1615 keerde hij terug naar Parijs.Cohen p. 243-266

In Parijs vond hij zijn eerste mecenas, de graaf van Candale Jean Louis de Nogaret de La Valette. Candale had een verhouding met de hertogin van Rohan en om in haar nabijheid te kunnen zijn, streed hij met de protestantse hertog Hendrik II van Rohan tegen de koninklijke troepen in Quercy (Guyenne). In zijn gevolg bevond zich De Viau die de rang van korporaal had en deelnam aan de veldslag. De vrede tussen de strijdende partijen werd in mei 1616 getekend. Candale verzoende zich met de koning en keerde met De Viau terug naar Parijs.Lachèvre p. 15 Daar vond De Viau een tweede mecenas en machtige beschermheer: hij trad als dichter en toneelschrijver in dienst van hertog Hendrik II van Montmorency, grootadmiraal van Frankrijk.

thumb|Brief van Théophile de Viau aan zijn zuster Marie, waarin hij haar laat weten dat hij goede hoop heeft om een periode van armoede achter zich te laten. Geschreven in Parijs op 24 december 1616. Een periode van voorspoed en succes brak aan. De Viau schreef korte stukken voor hoffeesten, zoals Les Princes de Cypre, het ballet Le Forgeron pour le Roy en het toneelstuk Les Amours tragiques de Pyrame et Thisbé, gebaseerd op de Oudgriekse vertelling over de onmogelijke liefde tussen Pyramus en Thisbe. Met dit toneelstuk werd De Viau beroemd onder zijn tijdgenoten.Gautier p. 72-75Schirmacher p. 9-23 Zijn geldzorgen verdwenen definitief na de toekenning van een jaarlijkse toelage door de jonge koning Lodewijk XIII. Ook werd hij door de koning benoemd tot Gentilhomme de la Chambre du Roi.

Vrijheid van denken en vrijheid van zeden In Parijs kwam De Viau in aanraking met de denkbeelden van Giulio Cesare Vanini (1585-1619), een Italiaanse filosoof en vrijdenker en een van de eerste vertegenwoordigers van het libertinisme.Vanini trok de onsterfelijkheid van de ziel in twijfel. Hij werd veroordeeld voor blasfemie, atheïsme, het beoefenen van magie en zedeloos gedrag. Voordat hij werd gewurgd werd zijn tong uitgesneden. Zijn lijk werd daarna in Toulouse verbrand. De Viau ontwikkelde zich tot de leidende figuur van een groepje Parijse dichters met gelijksoortige ideeën. Hij was onder meer bevriend met Jacques Vallée Des Barreaux, François Le Métel de Boisrobert, François Maynard en Marc-Antoine Girard de Saint-Amant. De groep trok zich weinig aan van de bestaande mores. Ze gaven zich over aan hedonistisch gedrag en filosofeerden tijdens hun bijeenkomsten vrijelijk over religieuze dogma's en politiek gevoelige onderwerpen. In hun gedichten werden vrije opvattingen over seksualiteit openlijk beschreven. De Viau was de meest representatieve en meest gedurfde vertegenwoordiger van deze groep.Lagarde / Michard p. 42 In scherpe en humoristische epigrammen geeft hij uitdrukking aan zijn opvattingen.Encyclopædia BritannicaSchirmacher p. 23-27

Zijn gedichten hadden ook de aandacht getrokken van enkele katholieke geestelijken die hem beschuldigden van het produceren van godslasterlijke en onfatsoenlijke geschriften. De aantijgingen misten hun uitwerking niet: in mei 1619 ontving de graaf van Candale een bevel van de koning. Omdat De Viau gedichten had geschreven die een christen onwaardig waren, moest hij worden ontslagen en binnen 24 uur het land verlaten.Lachèvre p. 31 De Viau vluchtte naar het zuiden en verborg zich in de Pyreneeën en aan de Cantabrische Zeekust in Spanje. De winter kon hij doorbrengen in zijn ouderlijk huis in Boussères, waarschijnlijk door tussenkomst van een van zijn beschermheren. Daar schreef hij Traité de l’Immortalité de l'Âme ou la Mort de Socrate, een dialoog over de onsterfelijkeid van de ziel, gebaseerd op de Phaedo van Plato.Schirmacher p. 39-48

À Chloris "S’il est vrai, Chloris, que tu me aimes" ("Als het waar is, Chloris, dat je van me houdt") is de beginregel van een van de meest bekende liefdesgedichten van De Viau. Hij werd verliefd op Chloris tijdens zijn ballingschap in 1619. Van de vijftig liefdesgedichten die zijn opgenomen in zijn verzameld werk zijn er veertien aan haar gewijd. Zijn verbintenis met haar heeft, met grote onderbrekingen, tot 1626 geduurd.Schirmacher p. 59-60 À Chloris is in 1916 op muziek gezet door de Franse componist Reynaldo Hahn.À Chloris, gezongen door Susan Graham (YouTube)

thumb|Charles d'Albert duc de Luynes (Gravure Balthasar Moncornet, 1650)

Ode Sur la Paix de l’Année 1620 Koning Lodewijk XIII botste steeds vaker met zijn moeder Maria de’ Medici, die - ook na afloop van haar regentschap - nog steeds veel invloed had op staatszaken. Na de dood van haar belangrijkste adviseur Concino Concini werd zij verbannen naar Blois. Enkele hertogen kozen haar zijde en kwamen in 1619 in opstand tegen het bewind van haar zoon.

Op advies van Charles de Luynes organiseerde Lodewijk XIII een veldtocht tegen zijn moeder en de rebellerende hertogen. De Viau volgde de graaf van Candale, die deelnam aan deze campagne. Anders dan in 1616 streed De Viau nu dus aan de kant van het koninklijke leger en tegen de troepen van zijn geloofsgenoten. De Viau was aanwezig bij de beslissende overwinning van de koninklijke troepen op 7 augustus 1620 bij Les Ponts-de-Cé. Hij beschreef de strijd en het vredesverdrag tussen de koning en de koningin-moeder in de ode Sur la Paix de l’Année 1620 waarin hij Lodewijk XIII en de hertog van Luynes lof toezwaait. Ondanks het bewijs van loyaliteit dat hij leverde door zijn deelname aan de veldtocht, lukte het hem niet om de koning te bewegen om hem weer toe te laten tot het hof. Hij vertrok daarop naar Engeland.Schirmacher p. 48-58

In het vroege voorjaar van 1621 werd hij weer tot het hof toegelaten, mede dankzij een aanbeveling van de hertog van Luynes. De Viau ondernam nog een grote stap om weer salonfähig te worden. Hij laat zich door Père Arnous, de biechtvader van Lodewijk XIII, onderwijzen in het katholieke geloof. Eind 1622 bekeerde hij zich tot het katholicisme.Uit zijn latere werk wordt duidelijk dat De Viau het katholieke geloof vooral opvat als een persoonlijke overtuiging die weinig te maken had met dogmatisch christendom. Hij bleef zich ook na zijn bekering afzetten tegen kerkelijke structuren en geestelijke machthebbers. (Schirmacher p. 101)Schirmacher p. 61

Hugenotenopstanden thumb|Verloop van de veldtochten van Lodewijk XIII tegen de hugenoten in 1621-1622. De hugenotenoorlogen in Frankrijk eindigden in 1598 met de afkondiging van het Edict van Nantes. In de daarop volgende jaren werd de godsdienstvrijheid in de protestantse gebieden stap voor stap door het hof teruggedraaid. Dat was de aanleiding tot de oplaaiende hugenotenopstanden, die zouden duren tot 1629. Na zijn succes op 7 augustus 1620 bij Les Ponts-de-Cé had Lodewijk XIII zijn veldtocht voortgezet tegen de hugenoten in de Béarn. In 1621 werd opnieuw een campagne georganiseerd waaraan ook admiraal Montmorency en De Viau deelnamen.

Lodewijk XIII besloot om op 20 maart 1622 wederom een expeditie uit te rusten tegen de protestantse bolwerken in het zuidwesten van Frankrijk. Paul de Viau, de oudste broer van Théophile, vocht aan de zijde van de hugenoten, onder meer bij de strijd om Clairac en liep ernstige verwondingen op tijdens het beleg van Tonneins. Uit de brief van Théophile Ad Paulum Fratrem Charissimum (Aan mijn geliefde broer) blijkt, dat de warme genegenheid die de twee broers voor elkaar voelden in stand bleef, ondanks het verschil in godsdienstige opvattingen.

De koning keerde in januari 1623 zegevierend terug naar Parijs. Met uitzondering van La Rochelle en Montauban verloren de rebellerende hugenoten de zeggenschap over hun gebieden en werden vergaderingen van hun parlementen en synodes verboden. De Viau heeft na 1623 niet meer deelgenomen aan veldtochten tegen de hugenoten.De strijd tegen de hugenoten duurde tot 1629. In 1685 werd het Edict van Nantes herroepen door Lodewijk XIV.Schirmacher p. 64-69

thumb|Pagina uit Le Parnasse des Poètes satyriques (1623) met de eerste regels van het omstreden sonnet van Théophile de Viau.

Le Parnasse satyrique In 1622 werd Le Parnasse satyrique gepubliceerd, een verzameling satirische en obscene gedichten. In de bundel waren gedichten opgenomen van De Viau en enkele tijdgenoten, waaronder Pierre de Ronsard, Mathurin Régnier, François de Malherbe en François Maynard. Van De Viau waren vier gedichten afgedrukt zonder vermelding van zijn naam. Van deze gedichten is zeker dat hij de auteur is omdat deze gedichten al eerder met naamsvermelding waren gepubliceerd. Het eerste gedicht in de bundel is een sonnet, dat later bekend werd onder de naam Le sonnet sodomite. Hierbij werd de naam van De Viau wél vermeld, maar er bestaat onzekerheid of hij werkelijk de auteur is.