De geurende stekelkorstzwam (Mycoacia nothofagi) is een schimmel uit de familie Meruliaceae. Het is een saprotrofe houtafbreker die korstvormige, wasachtige tot enigszins gelatineuze vruchtlichamen vormt op dood hout. De soort wordt vooral op loofhout gevonden, maar is ook van naaldhout bekend. (2011). Taxonomic and phylogenetic revision of three rare irpicoid species within the Meruliaceae. Mycological Progress 10: 481–491.Knuiman, J. & Reindertsen, C. (2019). Geurige houtzwam is nieuwe soort voor Nederland. Nederlandse Mycologische Vereniging / Nature Today, 17 april 2019. Geraadpleegd op 19 september 2026.

Kenmerken

Uiterlijke kenmerken Het vruchtlichaam is eenjarig, resupinaat en stevig aan het substraat vastgehecht. Het begint als kleine, ronde plekken die met elkaar kunnen versmelten en zo een veel groter oppervlak bedekken. Vruchtlichamen kunnen ongeveer 15 × 7 cm groot worden en zijn, de stekels niet meegerekend, tot ongeveer 1 mm dik.

Het hymenofoor is stekelig of tandvormig. De dicht opeenstaande stekels kunnen tot ongeveer 10 mm lang en aan de basis ongeveer 1 mm breed worden. Ze zijn aan de basis vaak met elkaar vergroeid en lopen naar de top uiteen. Jonge vruchtlichamen zijn witachtig. Later worden ze geelbruin, roestkleurig tot roodbruin; ouder materiaal kan donkerdere of violette tinten ontwikkelen. (2004). Developing tools for assessing fungal interest in habitats. 1: beech woodland saprotrophs. English Nature Research Reports 597, p. 64.

Kenmerkend is de sterke geur. Deze is onder meer omschreven als zoet-zeepachtig of olieachtig en kan bij goed ontwikkelde vruchtlichamen op enige afstand waarneembaar zijn. Bij de eerste Nederlandse vondsten werd de geur als sterk en zoetzuur beschreven. Cunningham vermeldde al in de oorspronkelijke beschrijving dat gedroogd herbariummateriaal zijn opvallende geur lange tijd kon behouden.

Bleke vruchtlichamen verkleuren in KOH roze-rood tot donkerbruin, een kenmerk dat bij de determinatie behulpzaam kan zijn.

Microscopische kenmerken Het heeft een monomitisch hyfensysteem en de generatieve hyfen hebben gespverbindingen. De parallel lopende hyfen in het weefsel van de stekels zijn ongeveer 3–4 μm breed.

De basidia zijn cilindrisch tot licht knotsvormig, vier-sporig en meten 20–28 × 4–6 μm. De basidiosporen zijn dunwandig, glad, ellipsoïde tot licht worstvormig (suballantoïd), hyalien, inamyloïd en niet-dextrinoïd. Ze meten (4–)4,5–6 × 2–3 μm.

Een belangrijk determinatiekenmerk wordt gevormd door de zeer talrijke cystidia. Deze zijn metuloïd en spoelvormig, meten ongeveer 50–80 × 5–10 μm en hebben gewoonlijk een verdikte, soms ogenschijnlijk dubbele wand. Vanaf ongeveer het middengedeelte tot aan de top zijn ze bedekt met kristallen. De cystidia steken duidelijk uit het hymenium en kunnen daardoor zelfs onder een stereomicroscoop zichtbaar zijn.

Ecologie De geurende stekelkorstzwam leeft saprotroof en breekt dood hout af. In Nederland wordt de soort vooral beschouwd als een soort van dood hout van loofbomen en -struiken in loofbossen.Mycoacia nothofagi – Geurende stekelkorstzwam, NMV Verspreidingsatlas Paddenstoelen. Geraadpleegd op 19 september 2026. Uit de internationale literatuur zijn echter ook vondsten op naaldhout bekend.

In Britse gegevens waren Fagus en berk (Betula) de vaakst vermelde boomgeslachten waarop de soort werd gevonden. In Nieuw-Zeeland is de soort onder andere bekend van verschillende soorten zuidelijke beuken (Nothofagus en verwante geslachten).

Gelijkende soorten Macroscopisch lijkt de geurende stekelkorstzwam vooral op de bruinzwarte stekelkorstzwam (Mycoacia fuscoatra). Beide soorten kunnen vergelijkbare kleuren en relatief lange stekels hebben. M. nothofagi onderscheidt zich echter microscopisch door de talrijke, duidelijk uitstekende, dikwandige metuloïde cystiden (met kristallen zijn bezet). Bij M. fuscoatra zijn de cystiden veel schaarser, dunwandig en niet met kristallen bedekt.

Ook andere korstzwammen met een getand of stekelig hymenofoor kunnen erop lijken. Bij de eerste Nederlandse vondst werd aanvankelijk gedacht aan de getande boomkorst (Radulomyces molaris), die eveneens een opvallende geur kan hebben. Microscopisch onderzoek sloot die soort uit. Volgens de Nederlandse Verspreidingsatlas is microscopische controle noodzakelijk voor een zekere determinatie van M. nothofagi.

Verspreiding De soort heeft een zeer ruime, verspreide mondiale verspreiding. In de literatuur zijn vondsten gemeld uit onder andere Canada en de Verenigde Staten, diverse Europese landen, Rusland en de Kaukasus, Thailand, Australië en Nieuw-Zeeland. Moleculair onderzochte exemplaren uit Europa, Noord-Amerika en Nieuw-Zeeland bleken sterk overeenkomende DNA-sequenties te hebben.

De werkelijke verspreiding is niet geheel duidelijk. Moreno et al. wezen erop dat oudere verspreidingsgegevens mogelijk deels zijn overschat door verwarring met onder andere Mycoacia fuscoatra en Phlebia queletii. Ook GBIF bevat verspreidingsgegevens uit verschillende delen van de wereld. Mycoacia nothofagi (G. Cunn.) Ryvarden, GBIF. Geraadpleegd op 19 september 2026.

In Nederland werd de soort voor het eerst vastgesteld op 26 januari 2019 in de bossen van Soest. Op 26 maart van hetzelfde jaar volgde een tweede vondst in Park Sonsbeek in Arnhem. Beide vondsten waren afkomstig van rottend loofhout.

De Nederlandse Verspreidingsatlas classificeert de geurende stekelkorstzwam als 'zeer zeldzaam'. De soort staat daar geregistreerd als saprotroof op dood hout, voornamelijk in loofbossen en op hout van loofbomen en -struiken.

Taxonomie De soort werd in 1959 door de Nieuw-Zeelandse mycoloog Gordon Herriot Cunningham oorspronkelijk beschreven als Odontia nothofagi. (1959). Hydnaceae of New Zealand. Part II.—The genus Odontia. Transactions of the Royal Society of New Zealand 86 (1–2): 65–103, p. 88. Het holotype werd verzameld in Woodlaw State Forest in Otago, Nieuw-Zeeland. De soortnaam nothofagi verwijst naar Nothofagus; het oorspronkelijke materiaal groeide op Nothofagus menziesii.

Leif Ryvarden bracht de soort in 1981 onder in het geslacht Mycoacia, waardoor de huidige combinatie Mycoacia nothofagi ontstond. In 1997 plaatste Karen Nakasone het geslacht Mycoacia in de synonymie van Phlebia en maakte zij de combinatie Phlebia nothofagi. (1997). Studies in Phlebia. Six species with teeth. Sydowia 49 (1): 49–79. Moleculair onderzoek op basis van ITS- en 28S-rDNA-sequenties ondersteunde eveneens een nauwe verwantschap met soorten van Phlebia. Index Fungorum en de Nederlandse Verspreidingsatlas behandelen de soort echter onder de naam Mycoacia nothofagi.

Categorie:Meruliaceae Categorie:Schimmelsoort