Dirck van Adrichem (Delft, juni 1629 – Suratte, 26 juni 1665) was een koopman in dienst van de VOC. Hij was van 1661 tot aan zijn dood in 1665 directeur van Suratte. In 1662 leidde hij een ambassade namens de VOC naar het hof van de nieuwe Mogolkeizer Aurangzeb in Delhi.
Jeugd Dirck van Adrichem was een telg uit de bekende Delftse familie Van Adrichem, die meerdere burgemeesters en schepenen leverde, en de stamboom via het kasteel Adrichem bij Beverwijk kon terugvoeren op de Brederodes en de graven van Holland. Van Adrichems vader Philips Dircksz van Adrichem, een glasblazer, vertrok in december 1630 met zijn vrouw Judith en vijf kinderen als onderkoopman op het schip Wapen van Delft naar Batavia. Dirck, de jongste, was toen anderhalf jaar oud. Op 6 juni 1631 kwam het gezin aan in Batavia, het bestuurscentrum van de VOC in Azië en de overslaghaven van alle ingekochte goederen. Dircks vader werd er een jaar later vrijburger en op 30 mei 1632 gekozen als schepen van Batavia. Enkele jaren later overleed hij. Dirck groeide op in Batavia. Toen hij 12 jaar oud was werd hij 'ten aansien redelijck in 't schrijven is avanceerende' door de Compagnie voor tien gulden per maand als jong assistent aangenomen, met een contract voor vijf jaar. Na afloop van dat contract werd hij in 1647 eerste assistent in de vestiging Suratte, en in 1649 onderkoopman. Suratte was de grote havenstad van het Mogolrijk, gelegen bij de monding van de Tapti rivier. Het was een knooppunt voor de handel tussen India en het Safawidische en Ottomaanse Rijk aan de andere kant van de Arabische Zee. Er werden door de VOC geverfde en bedrukte katoenen weefsels ingekocht via Indiase handelaren die als makelaars optraden. De weefsels, lywaten of lynwaden genoemd, waren erg geliefd in de oostelijke archipel, waar ze geruild konden worden voor specerijen. En daar was in Suratte weer een goede markt voor. Meer dan de helft van de inkoop van het katoen kon betaald worden met de verkoop van specerijen. De rest werd grotendeels betaald met zilver en koper dat in Japan werd verdiend. Directeur in Suratte was in deze tijd Arent Muykens, met wie Dircks oudere zus Adriana in 1638 was getrouwd.
Suratte miniatuur|Suratte rond 1665. Van Adrichem werkte daarna een poos in Perzië, vermoedelijk met Muykens die daar als commissaris naar toe was gezonden. In 1649 was hij weer terug in Suratte. In 1651 werd hij koopman en werkte in Basra, in wat nu Irak is. Hij was toen 22. Na terugkomst in Suratte in 1652 wijdde hij zich aan de boekhouding van de factorij onder drie opeenvolgende directeuren. In 1656 werd hij er opperkoopman en in 1658 volgde hij de naar Nederland teruggeroepen Isaac Koedijck op als secunde (vice-directeur) onder de nieuwe directeur Leonard Winnincx. Toen deze in mei 1661 aangaf te willen repatriëren benoemde de Raad van Indië Van Adrichem in augustus tot provisioneel directeur, aangezien hij 'aldaer lange jaren geresideert en daerdoor oock, achtervolgens de goede getuygenisse van den directeur Winnincx voornoemt, grondige kennisse en ervarenheyd van Compagnies negotie in die gewesten becomen heeft'. Hij was inmiddels getrouwd met Esther van Solemne, een dochter van David de Solemne. Deze was kwartiermeester van graaf Ernst van Nassau geweest en was in 1630 als militair in dienst van de VOC getreden. Zijn zus Sophia was met Koedijck getrouwd. Een andere zus, Sara, was in Formosa getrouwd met Carel Hartsinck. De Hartsincks waren een invloedrijke familie in de VOC. Connecties waren belangrijk. In 1658 werd een dochter geboren, Catharina.
In september 1657 was de Mogolkeizer Sjah Jahan ziek geworden, waarna er tussen zijn vier zonen een oorlog uitbrak over de opvolging. Deze werd gewonnen door de derde zoon Aurangzeb, die zijn vader liet opsluiten in het fort van Agra, zijn broers liet vermoorden en zich in 1659 tot keizer liet kronen in de Diwan-i-Am in het Rode Fort in Delhi. Hij nam daarbij de naam Alamgir aan, 'Universumveroveraar'.Een logische maar ambitieuze vervolgstap ten opzichte van zijn grootvader Jehangir (Wereldveroveraar) en zijn vader Sjah Jahan (Koning van de Wereld). Toen het er na een paar jaar op leek dat deze situatie permanent was begonnen omringende volkeren ambassades te sturen om de nieuwe keizer te begroeten. Zo ook de Compagnie, die bovendien de onder het oude regime verkregen firmans (keizerlijke handelsvergunningen) onder betere voorwaarden wilde laten herbevestigen. Het ging om firmans voor Suratte,Onder Suratte vielen ook Ahmedabad, Baroda en Bharuch (Brochia of Broach). Agra en Bengalen. In augustus 1661 nam de Raad van Indië er een resolutie over aan. De 'schenkagie' aan de keizer werd begroot op 15 duizend gulden, geschenken aan invloedrijke hovelingen niet meegerekend. Als mogelijke ambassadeur werden zowel Winnincx als Van Adrichem genoemd, maar toen Winnincx vertrok viel de eer te beurt aan Van Adrichem. Hij had inmiddels veel ervaring opgebouwd in India en sprak Hindi, zodat men hem een geschikte kandidaat vond, ook al was hij nog maar 33.
De hofreis naar Delhi miniatuur|Het hof van Aurangzeb in Delhi. Van Adrichems vertrek naar Delhi werd bijna 4 maanden vertraagd omdat de schepen met geschenken uit Batavia onderweg door Rijcklof van Goens waren gevorderd voor het beleg van het Portugese fort van Cochin, voordat ze verder konden naar Suratte. Omdat de regentijd naderde werd de koopman Joan Elpen op 25 april met een aantal geschenken, waaronder acht Arabische paarden, Venetiaanse spiegels en Japanse lakwerkproducten, vooruit gezonden. Op 22 mei volgde Van Adrichem, met in zijn gevolg enkele medewerkers van kantoor Suratte, een Indiase koopman, inlandse bediendes en soldaten. De stoet trok afwisselend met door ossen getrokken karren en met kamelen via Ahmedabad door Rajasthan, waar hitte regelmatig werd afgewisseld door enorme plensbuien, en bereikte op 4 juli Agra. Onderweg was men nog afgeperst door een bende rovers die men tol moest betalen, 'en ten waare dat wy niet van een goet convoy versien geweest hadden, zouden deese hongerige grijpvogels ons apparent omcingelt en eenige der cameelen off carren, gelijck als wolvan de schaapen doen, uyt den hoop weghgeruckt hebben'. In Agra besloot men te wachten toen vernomen werd dat Aurangzeb zwaar ziek was. Er gingen geruchten dat de strijd weer zou losbarsten en wellicht een andere troonpretendent of zijn gevangen vader weer aan de macht zou komen. Aurangzeb herstelde echter. Na een maand trok de ambassade verder, waarbij het opperhoofd van de factorij van Agra, Jan Tack, zich aansloot. Tack werkte al 26 jaar in Agra en was meerdere malen aan het hof van Sjah Jahan geweest om te onderhandelen over firmans. links|miniatuur|Aurangzeb op een gouden troon, rond 1660. Op 9 augustus kwam het gezantschap in Delhi aan en werd gehuisvest in het logement dat Elpen er inmiddels van het hof had gekregen. Aan het hof trof men diverse edelen die men kende uit Suratte en die men beschouwde als vrienden van de Compagnie. Evengoed moest men met geschenken hun medewerking zien te verkrijgen in het regelen van een audiëntie. Door de 'overmatige uytgemergelde swackheyt' van Aurangzeb en de overvloedige regenval maakten de gezanten met hun paarden en andere geschenken meerdere malen voor niets hun opwachting in het Rode Fort, omdat de keizer niet kwam opdagen. Pas medio september konden Van Adrichem, Elpen en de onderkoopman Ferdinand de Laver, die het journaal bijhield, op audiëntie in de 'Gosselchanna of Geheyme Raatplaats' (ghusl khana,Islamitische badkamer, voor rituele reiniging voorafgaand aan gebed. oftewel de Diwan-i-Khas) waar ze voor de op een troon gezeten Aurangzeb 'volgens de dees lants wyse de vereyste eerbiedigheyt nedrigh opgedragen hebben'. Ze overhandigden een deel van de geschenken en een brief van gouverneur-generaal Maetsuycker aan de keizer, en werden op hun beurt vereerd met kostbare gewaden, waarin ze 'voor den Mogolsen prodigalen en onwaardeerlijcken zeetel compareerden'. De brief van Maetsuycker was gericht 'aen den groot ende alder wijtberoemste Coninck Oranggeeph, wiens glantsende mayesteyt soo helder als de sonne schijnt en die het grootste gebiedt ende heerschappye van alle de aertse coningen des werelts voert.' De ontvangst door de keizer was vriendelijk en beleefd.
Twee dagen later werden de gezanten nog eens ontvangen, ditmaal in de Diwan-i-Am, de openbare audiëntiezaal, waar Aurangzeb op zijn pauwentroon zat. Hier overhandigden ze nog meer geschenken. Het bevestigd krijgen van de nieuwe firmans duurde lang en kostte veel geschenken en steekpenningen aan diverse hovelingen. Op 24 september werden nogmaals geschenken voor de keizer naar het Rode Fort gebracht, en kregen de drie gezanten een zeldzame rondleiding in het besloten gedeelte daarvan. 'Naar menschenoordeel mach dit Hindoustans paleys wel voor een aartsch paradijs getacxeert werden, want het te duchten zy off desselffs weerga elders te vinden is'. Op 8 oktober volgde nog een vierde bezoek. Van Adrichem werd aan het hof ook aangesproken over de activiteiten van een Europese zeerover in de buurt van de Rode Zee. Van Adrichem maakte duidelijk dat de VOC er niets mee te maken had. Later bleek het te gaan om de vroegere VOC-medewerker Hubert Hugo, die Van Adrichem in Suratte gekend moet hebben.
Eind oktober ontving Van Adrichem de 3 firmans,Eén voor Suratte, Ahmdabad en Baroda, één voor Agra en één voor Bengalen, 'in 't hooft gesegelt met 's rycks grooten segel syner Majesteit, om welckers omring in 't rond stonden die tien voorgaende Koningen, als: Mier Timoer, (synde den grooten Tamerlaen), Mieran Chia, Sultan Mahomet Chia, Abbol Seyt Chia, Sigh Oumer Chia, Babber Chia, Hamajun Chia, Ackber Chia, Sjangier Chia, Chia Jahan ende in 't midden was in 't groot gedruckt: Aurenghzeep, Conink, onoverwinnelyck omringer der werelt, Gods stadhouder ende beschermer des Mahometaanse geloofs'. die grotendeels hetzelfde waren als die onder Sjah Jahan, met enkele extra toezeggingen, zoals een verlaging van de tolheffing op alle import en export van 3,5 naar 2,5%, wat jaarlijks zo'n 10.000 gulden zou schelen. 1 november ging de ambassade weer terug naar Suratte. De chirurgijn Baertsch bleef voorlopig achter in Delhi op verzoek van het hof. De Laver, die in Delhi ziek was geworden, stierf in Agra. Tack en Elpen bleven daar achter. Ook Tack was ziek en zou in januari sterven. 9 november stuurde Van Adrichem de firman voor Bengalen naar het VOC-kantoor in Hooghly, waar hij door de directeur, Mattheus van den Broeck, 'met een ongemeene eere ingehaalt en ontfangen' werd. miniatuur|Handtekening van Dirck van Adrichem. Van Adrichem kwam 13 december terug in Suratte. De Raad van Indië was erg tevreden met het resultaat van de ambassade, ondanks de kosten van meer dan 63.000 gulden. Toch wist men voldoende te relativeren. Plaatselijke autoriteiten moesten vaak alsnog met steekpenningen overgehaald worden de firmans te gehoorzamen. Dat gold vooral voor de eigenzinnige nawab Mir Jumla in Bengalen. Om de bereidheid tot eerbiediging van de firman in Bengalen te vergroten deed directeur Van den Broeck het aan iedereen voorkomen of de firman verkregen was door bemiddeling van Mir Jumla's zoon, die Van Adrichem aan het hof in Delhi had gesproken. Leonard Winnincx had voor zijn vertrek uit Suratte geschreven: ' 't Is beklaeglijck, dat de konincklijcke gebodtschriften, daer sooveele kosten en moeyten om wert gedaen eer men die becomt, zomtijts door de mindere bevelhebbers, wanneerse de courage en tijtsvermogen hebben, gedisobidieert ende achter rugge geworpen worden. Jae, dat meer is: datse hun eygen verleende beschermschriften niet en maintineren.' Van Adrichems ambassade was overigens een stuk goedkoper dan de latere ambassades van Johannes Bacherus (1688) en Joan Joshua Ketelaar (1711).