August Edler von Meyszner (Graz, 3 augustus 1886 - Belgrado, 24 januari 1947) was een Oostenrijkse officier en SS-Gruppenführer en Generalleutnant in de politie tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij was ook parlementslid voor de NSDAP in de Rijksdag. En was mede verantwoordelijk voor de massamoord op de Joodse bevolking in Servië, en werd veroordeeld en terechtgesteld in Joegoslavië. Leven Op 3 augustus 1886 werd August von Meyszner geboren in Graz in het Oostenrijks-Hongaarse Rijk. Hij was de zoon van de beroepssoldaat en Oberstleutnant (luitenant-kolonel)Yerger 1997, p.108. in het Oostenrijks-Hongaars leger Rudolf Edler von Meyszner. In 1884 werd zijn vader geridderd. Zijn oom was de Feldmarschallleutnant (veldmaarschalk-luitenant) Ferdinand von Meyszner. De broer van Meyszner Rudolf Ferdinand (1866–1947) trouwde in 1929 met Joodse Alice Strauss, een stiefdochter van de walskoning Johann Strauss.
In zijn geboortestad ging Meyszner naar de lagere en middelbare school. In 1903 ging hij naar de cadettenschool in Wenen, om de carrière van een officier na te streven. Meyszner werd als Kadettoffizierstellvetreter (vaandrig) in het k.uk. Landwehr Infanterie-Regiment Nr 3 geplaatst. Hij werd bij dit onderdeel op 1 mei 1908 bevorderd tot Leutnant (tweede luitenant), en werd naar de afdeling Signaal en telefoon, en leider van de ski-opleidingsbataljon Leoben overgeplaatst. Op zijn eigen verzoek deed hij vervolgens proeftijd bij het Landesgendarmeriekommando Nr. 7 (Triest), en slaagde in 1914 voor het gendarmerie-vakexamen en werd op 1 mei 1914 toegelaten tot de Gendarmerie. Hierop volgend werd Meyszner benoemd tot commandant van de Gendarmerieabteilungskommando Nr. 5 (Görz), en in juni 1914 bevorderd tot Gendarmerie-Oberleutnant (eerste luitenant in de Gendarmerie).
Eerste Wereldoorlog Meyszner vocht tijdens de Eerste Wereldoorlog deel aan verschillende fronten, Italiaans front en Isonzofront. Op 16 augustus 1914 trouwde Meyszner met Pia GostischaTixier 2019, p.SS GRUF MEYSZNER. uit Maribor. Het echtpaar kreeg twee kinderenForum der Wehrmacht: August Edler von Meyszner. Geraadpleegd op 1 september 2022. (een dochter en zoon).
Hij werd gecommandeerd naar het Küsten Abschnittkommando Grado, waar hij als commandant van de Grenzgendarmerie Abschnitt Tolmein werd ingezet. Op 19 mei 1915 werd Meyszner benoemd tot commandant van een gendarmeriecompagnie aan het Italiaans front. Later werd hij als chef van de Hochgebirgs en Sturmkompanie Nr 12 (vrije vertaling: 12e Hooggebergte en stormcompagnie) ingezet. Op 11 augustus 1916 werd hij bevorderd tot Gendarmerie-Rittmeister (kapitein in de Gendarmerie). In 1916 tot 1917 was Meyszner districtscommandant van de gendarmerie in Graz. Hierna was hij als alpine referent in de 12. Gebirgsbrigade (vrije vertaling: 12e Bergbrigade) werkzaam. Op 13 augustus 1917 werd Meyszner naar het Landesgendarmerie Kdo Nr 7 teruggeroepen. In 1919 was Meyszner samen met Walter Pfrimer en Hanns Albin Rauter een van de oprichters van de Steirischer Heimatschutz.
Interbellum Vanaf 2 november 1918 werd hij weer geplaatst in het Landesgendarmeriekommando Steiermark, en was daar werkzaam als Gendarmerieabteilungsinspekteur (vrije vertaling: afdelingsinspecteur in de Gendarmerie). Met de afschaffing van de Oostenrijkse adel na de val van de Habsburgse monarchie verloor Meyszner zijn adellijke titel. In 1919 voerde hij het bevel over de gendarmerie aan de grens met Koninkrijk Joegoslavië. Daarbij was hij betrokken bij gevechtsacties, soms in samenwerking met het Neder-Stiermarken Boerencommando bij de herovering van Radkersburg in het Südoststeiermark, dat door Joegoslavië bezet was. Vanaf december 1919 tot 31 december 1928 bekleedde hij de functie van commandant van een afdeling gendarmerie in Judenburg. In 1921 tijdens de landname van Burgenland, werd hij als commandant van een afdeling gendarmerie door lokale Hongaren in zijn dij geschoten. In 1922 sloeg de gendarmerie onder zijn bevel de arbeidersonlusten in het gebied rond Judenburg neer. In 1927 kwam Meyszner in actie tegen een algemene staking die volgde op de brand in het Paleis van Justitie in Wenen. Meyszner raakte al vroeg politiek betrokken bij de Duitse Nationaal Rechts. Op 9 september 1925 werd hij lid van de Oostenrijkse NSDAP. Om onbekende redenen, en op een onbekend moment verliet hij de NSDAP weer. In mei 1927 reisde Meyszner met Pfrimer en Rauter naar een ontmoeting met Hitler in het Beierse Freilassing. Volgens zijn eigen verklaringen werd hij vanwege zijn "politieke activiteit" als commandant van een gendarmerie-afdeling op 1 januari 1929 overgeplaatst naar Graz. Hij bleef echter politiek actief, en nam deel aan de opmars van rechtse paramilitaire formaties. Hij gebruikte zijn positie om de Steirischen Heimatschutz, en andere paramilitaire formaties met wapens uit te rusten.
Eind 1930 werd Meyszner als een van de zes afgevaardigden van het Heimatblock verkozen tijdens de Landdagverkiezingen voor de Landdag van Stiermarken. Hij trad toe tot de deelstaatregering van Stiermarken als staatsraadslid volgens het systeem van evenredige vertegenwoordiging.
Op 13 september 1931 nam hij deel aan de Pfrimerputsch, maar bleef op de achtergrond en beweerde later in het deelstaatparlement dat hij niets wist van de staatsgreep. Omdat Pfrimer en andere functionarissen van de Heimatschutz gevlucht waren, nam Meyszner in september 1931 tijdelijk de leiding van de Stiermarkse Heimatschutz over. Samen met Rauter zocht hij al snel de samenwerking op met de NSDAP. Meyszner was flexibeler en stond meer open voor de eisen van de nationaalsocialisten dan Pfrimer, die veel belang had gehecht aan de autonomie van Heimatschutz. Meyszner distantieerde zich van de legitimistische inspanningen gericht op het herstel van de Habsburgse monarchie, en de ideeën van een Donaufederatie. Die in de Heimwehr virulent waren, en indruisten tegen het concept van een verbinding met het Duitse Rijk. Later schreef hij zichzelf toe dat hij alle legitimisten uit het leiderschap van het Heimatschutz had verdreven. Met de Landesgeschäftsführer van de Oostenrijkse NSDAP, Theo Habicht, werd een strijdverbond tussen de Heimatschutz en de nationaalsocialisten overeengekomen. En eind 1933 werd uiteindelijk in het “Venetië Akkoord” besloten dat de Heimatschutz moest worden overgedragen aan de NSDAP. Op dat moment had Meyszner zijn zetel in het deelstaatparlement verloren, aangezien de Heimatschutz was opgenomen in het verbod op de NSDAP, dat op 15 juni was uitgevaardigd door bondskanselier Engelbert Dollfuss, die sinds maart 1933 autoritair was. Het personeel in dienst van de NSDAP was ook verboden. Eind september 1933 werd Meyszner gedwongen met pensioen te gaan als Major de Gendarmerie (majoor in de Gendarmerie).
In mei 1933 werd Meyszner lid van de Sturmabteilung (SA). En werd passend met het “Venetië Akkoord” in november 1933 bevorderd tot SA-Obersturmbannführer (luitenant-kolonel), en plaatsvervangend leider van de verboden SA-Brigade Mittelsteiermark. Hij verklaarde later dat hij talrijke vergaderingen hield, en "leidersvergaderingen" bijgewoond had in Hongarije en Joegoslavië. Op 2 februari 1934 werd hij gearresteerd en, na drie maanden in politiehechtenis, werd hij vanaf mei voor nog eens drie en een halve maand geïnterneerd in het interneringskamp Wöllersdorf. In juni weer vrij, nam hij weer de leiding over van de SA-brigade Mittelsteiermark, en werd weer gearresteerd op de dag van de Juliputsch.
Volgens historicus Martin Moll lijkt Meyszner geen prominente rol te hebben gespeeld bij de putsch. Hoewel hij later werd gecertificeerd als actief te hebben geholpen bij de voorbereiding van de putsch, werden noch de Heimatschutz noch Meyszner afzonderlijk genoemd in de nationaalsocialistische beschrijving die na de "annexatie" van Oostenrijk. Voor de historicus Hans Schafranek volgde Meyszner de bevelen van zijn in München residerende superieuren in de SA, Hermann Reschny en Friedrich Fenz niet op, maar handelde hij in geheime opdracht van de SS (Konstantin Kammerhofer en Rauter) en de NSDAP-Landesleitung onder Habicht. In tegenstelling tot de instructie van de geëmigreerde SA-leiding van 23 juli om de gewapende opstand alleen te beginnen met de slogan "zomerfeest met prijsschieten", gaf Meyszner, in overeenstemming met de putschisten van de Weense SS, het bevel met de leuze elementaire gebeurtenis heeft plaatsgevonden.
Nadat hij uit politiehechtenis was ontsnapt, vluchtte Meyszner, die nu door een arrestatiebevel werd gezocht, in juli 1934 naar Joegoslavië. De Republiek Oostenrijk had hem zijn staatsburgerschap ontnomen, en zijn pensioenrechten ontzegd. In Joegoslavië werkte hij in het NSDAP-vluchtelingencentrum, en reisde in november/december 1934 per schip naar Duitsland.
In Duitsland werd Meyszner benoemd tot Lagerführer (kampleider) van het kamp Rummelsburg in Pommeren. En aansluitend was hij werkzaam voor de NSDAP-vluchtelingenwerk in Berlijn. Op 20 februari 1935 stapte hij op eigen verzoek samen met Kammerhofer en Rauter over van de SA naar de SS. Meyszner werd als SS-Oberführer „zur besonderen Verwendung“ van de Reichsführer-SS ingeschaald. Nadat hij op 1 september in zijn oude rang van Major der Schutzpolizei terug kon komen, nam hij op 10 oktober 1935 op eigen verzoek ontslagen uit de SS. Met terugwerkende kracht vanaf 20 april 1934 werd hij bevorderd tot Oberstleutnant der Schutzpolizei (luitenant-kolonel in de politie). En nam het commando over de Schutzpolizei-Abschnitt Mitte en, werd plaatsvervanger van de commandant van de Schutzpolizei-Gruppenkommandos Ost in Berlijn. Tegelijkertijd bekleedde hij de functie van ererechter bij het Volksrechtbank. Op 11 oktober 1937 werd hij opnieuw opgenomen in de SS.
Op 12 maart 1938 tijdens de Anschluss van Oostenrijk rukte Meyszner met de 1e marsgroep van de Ordnungspolizei Oostenrijk in. Een maand lang fungeerde hij als waarnemend inspecteur van de Ordnungspolizei voor Oostenrijk in Wenen. Met ingang van 1 maart 1938 werd bevorderd tot Oberst der Schutzpolizei (kolonel in de politie). Hierna volgde zijn benoeming tot Inspekteur der Ordnungspolizei (IdO) in Wenen.
Tijdens de Rijksdagverkiezingen van 10 april 1938 werd hij ook in de Rijksdag gekozen als vertegenwoordiger voor Oostenrijk. Met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 1938 werd Meyszner bevorderd tot Oberst der Schutzpolizei (kolonel in de politie). Hij nam vanaf midden april 1938 tot juni 1939 voor Ernst Kaltenbrunner de functie van Inspekteur der Ordnungspolizei (IdO) bij de staatssecretaris voor het Veiligheidswezen in de Landsregering waar. In april 1938 kreeg Meyszner onenigheid met Kaltenbrunner, en werd op 1 oktober 1938 als districtscommandant naar het geannexeerde Sudetenland gestuurd. Voordat hij als Inspekteur der Ordnungspolizei bij de Eerste president van de provincie Hessen-Nassau naar Kassel werd overgeplaatst. Daarna werkte hij ook als hogere politieleider en politiek adviseur van de Eerste president.
Tweede Wereldoorlog