thumb|Hervatting textielarbeid in Twente na grote staking (Polygoonjournaal, 1 april 1932) Textielindustrie in Nederland beschrijft de geschiedenis van de textielindustrie in Nederland.

Vroege geschiedenis (tot 1830)

In de noordelijke Nederlanden was Leiden een belangrijk textielcentrum. Al in 1316 werd melding gemaakt van lakennijverheid in deze stad. Omstreeks 1400 kreeg men de beschikking over Engelse wol die van goede kwaliteit was. Na 1480 ging het bergafwaarts doordat de Engelsen hun eigen wol gingen verwerken en doordat de Vlaamse textielnijverheid kon profiteren van de aanvoer van goedkope Spaanse wol en over goedkopere fabricagemethoden beschikte. Aldaar werd ook sajet geproduceerd.

Na het Ontzet van Leiden (1574) werd de stad een toevluchtsoord voor wevers, fabrikanten en handelaars uit de Zuidelijke Nederlanden. Na de Val van Antwerpen (1585) nam het aantal vluchtelingen nog toe. Men ging zich vooral op nieuwe, en vooral lichtere, stoffen als sajet toeleggen, waarbij ook andere grondstoffen dan wol, zoals katoen, hun intrede deden. Deze wolnijverheid nam een hoge vlucht maar raakte in de loop van de 18e eeuw in verval. Hetzelfde gold voor de linnennijverheid die voordien in Haarlem een bloeiperiode kende.

Ondertussen kwam de (latere) stad Tilburg op als centrum voor de wolindustrie. In de 18e eeuw ontwikkelde het zich als toeleverancier van ruwe wollen stoffen, die in Leiden verder werden bewerkt. Geleidelijk aan werd ook de eindbewerking (vollen, verven) in Tilburg zelf verricht. In de 18e eeuw werden daar ook, evenals in Leiden, fabriekshuizen opgericht hoewel het merendeel van de werkzaamheden in thuisarbeid werd verricht. Begin 19e eeuw vond enige mechanisatie plaats terwijl in 1827 de eerste stoommachine werd geïnstalleerd.

thumb|Relicten uit de bloeitijd van het textielstadje Vaals: links Huis Verves, een lakenververij; rechts Huis Clermont, een lakenfabriek In het uiterste zuiden van Nederland – maar vanaf 1661 behorend bij de Staatse partage van het land van 's-Hertogenrade – kwam in de 18e eeuw het textielstadje Vaals tot bloei, als onderdeel van wat toen, na Engeland, de belangrijkste textielregio in Europa was: de regio Aken-Monschau-Eupen-Verviers. Belangrijke motor achter de ontwikkeling van Vaals tot subcentrum van de Akense lakenindustrie was Johann Arnold von Clermont (1728-1795), die net als andere Akense lutheranen de relatieve godsdienstvrijheid in het Staatse Vaals verkoos boven het katholieke Aken. Naast Von Clermont openden minstens vijf andere lakenfabrikanten uit Monschau, Eupen en Burtscheid vestigingen in Vaals. Daarnaast waren er verschillende naaldenfabrieken. Ook in Eijsden vestigden zich enkele textielondernemers. Een grote rol speelde, zoals ook elders, de huisnijverheid in de omliggende dorpen, vooral het spinnen van wol door vrouwen en kinderen. Aan het einde van de 18e eeuw wees een (Franse) telling uit dat 14,5 % van de Zuid-Limburgse beroepsbevolking werkzaam was in de textielnijverheid. Na 1815 kwam hier een vrij abrupt einde aan, onder andere door de opkomst van mechanische spinmachines. Het noordelijker gelegen Roermond ontwikkelde zich in die tijd juist tot een nieuw textielcentrum, doordat fabrikanten uit Mönchengladbach en andere plaatsen in het Rijnland toegang probeerden te krijgen tot de Nederlandse koloniale markt in Indië. Met meer dan tweeduizend textielarbeiders was Roermond in 1850, na Leiden en Tilburg, de derde textielstad van het land., 'Land van heel veel grenzen. Territorialiteit en textielindustrie tussen Maas en Rijn in de achttiende en het begin van de negentiende eeuw', in: (2015): Limburg. Een geschiedenis, deel 2, 1500-1800, pp. 325-347. Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, Maastricht. .

Ook in Twente was voor 1830 al sprake van enige textielnijverheid, vooral de verwerking van linnen en, begin 19e eeuw, katoen welke echter moest worden ingevoerd, onder meer vanuit de koloniën. Een en ander werd onder meer gebruikt bij de productie van bombazijn. Het merendeel van het werk geschiedde in thuisarbeid, door tussenkomst van fabrikeurs. In plaatsen als Enschede en Oldenzaal werd het spinnen als huisarbeid op het spinnewiel beoefend. Vanaf 1793 kwamen er mechanische spinnerijen, met gebruikmaking van de spinning Jenny, tot stand in het nabijgelegen Münsterland. Vanuit de plaats Schermbeck kwam er dan weer deskundigheid naar Twente en zo ontstond in Enschede in 1800 de spinnerij van de Gebr. Jannes en Gerhard Schophaus. Ook elders deed de spinning Jenny zijn intrede zoals in 1795 in Haarlem en omstreeks 1800 in Eindhoven. De spinning Jennies, hoewel handbediend, werden wel in manufacturen geplaatst, een soort voorloper van fabrieken.

Nederland na de Belgische afscheiding Tot 1830 waren de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden verenigd in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De meeste industriële activiteit, ook de textielindustrie, was geconcentreerd in de zuidelijke Nederlanden. Vooral in Gent floreerde de katoennijverheid. Het textiel werd, onder meer door de Nederlandse Handel-Maatschappij ingezet in de concurrentiestrijd tegen Engels textiel in de export naar Nederlands-Indië. Na de Belgische afscheiding ging deze industrie voor de noordelijke Nederlanden verloren. Om de strijd tegen de Engelse concurrentie vol te kunnen houden moest ook in de noordelijke Nederlanden (Nederland) een textielindustrie opgezet worden. Hierbij werd gebruik gemaakt van kennis en machines uit Vlaanderen en Engeland. Vooral de introductie van de mule Jenny zou het mogelijk maken om geheel katoenen weefsels te vervaardigen. Een dergelijke machine moest aangedreven worden met stoomkracht of waterkracht, waartoe een échte fabriek vereist was.

Spinnerijen Hoewel in 1820 te Eindhoven en in 1827 te Haarlem al sprake was van de benutting van stoomkracht voor de spinnerijen, bleef de betekenis daarvan beperkt. Nog omstreeks 1830 werd vooral in handarbeid gesponnen. In 1830 werd te Almelo de firma Hofkes & Co. opgericht.in Nederland in de 19e eeuw, deel III, p.30 Dit was een van de eerste grotere mechanische katoenspinnerijen. In 1835 kwam te Enschede de Enschedesche Katoenspinnerij tot stand, die in 1890 afbrandde. De Twentse textielindustrie kampte aanvankelijk met hoge brandstof- en grondstofkosten vanwege de gebrekkige infrastructuur. De lonen lagen daarentegen laag. De scholingsgraad van zowel fabrikanten als werknemers liet aanvankelijk te wensen over, maar in de 2e helft van de 19e eeuw kwam daar verandering in. Er ontstonden nieuwe fabrieken, en in 1859 waren er alleen al in Enschede 7 stoomspinnerijen die vaak ten behoeve van hun eigen weverij (vaak huisarbeid) werkten. Ook buiten Twente werden nog enkele stoomspinnerijen opgericht zoals te Veenendaal de Veenendaalse Stoomweverij en Spinnerij. In 1867 werd ook te Hilversum een stoomspinnerij opgericht die echter in 1884 door brand verloren ging.Techniek in Nederland in de 19e eeuw, p.40

Verder werd er door Johann Heinrich Joseph Driessen te Aalten in 1849 een stoomspinnerij opgericht die in 1859 werd opgeheven, maar een familielid richtte de fa. Gebr. Driessen op die van 1855-1896 functioneerde. De Stoomweverij Driessen heeft daarnaast nog bestaan van 1893-1969.

Ook in Roermond vestigden zich na 1815 diverse mechanische spinnerijen, die echter omstreeks 1890 alweer grotendeels gesloten waren.Techniek in Nederland in de 19e eeuw, deel III, p. 40 e.v. Zie hierboven.

In de loop van de tweede helft van de 19e eeuw nam vooral in Twente het aantal spillen in de katoenspinnerij zeer sterk toe. Buiten Twente was het feitelijk alleen Veenendaal waar deze bedrijfstak zich langere tijd op grote schaal vestigde. De handspinnerij, die als manufactuur in spinlokalen plaatsvond, werd gedurende de jaren 1860 vrijwel geheel verdrongen door op stoomkracht gebaseerde fabrieken.

Katoenweverijen Het begin van de Nederlandse katoennijverheid is te vinden in de 17e eeuw, toen uit Indië geïmporteerde katoenen stoffen in Amsterdam en enkele andere Hollandse steden verder bewerkt en bedrukt werden. Deze nijverheid raakte in de 2e helft van de 18e eeuw in verval maar in de Oostenrijkse Nederlanden kwam ze juist tot bloei. In het begin van de 19e eeuw was de productie van katoenen stoffen in de Noordelijke Nederlanden sterk op de binnenlandse markt gericht. Men produceerde onder andere bombazijn.

Na de Belgische afscheiding in 1830 wilde men hernieuwd een katoennijverheid in de Noordelijke Nederlanden stimuleren. Zo verplaatste Charles Louis de Maere om politieke redenen zijn bedrijf van Sint-Niklaas naar Twente. Andere fabrikanten werden met financiële voordelen gelokt. Het waren vooral Haarlem en Leiden, waar reeds een textieltraditie was, waar zij zich vestigden. Het betrof te Haarlem de blekerij-weverij van Th. Wilson, de spinnerij-weverij van Poelman en de roodververij-katoendrukkerij van Th. Prévinaire. In Leiden vestigde zich De Heyder en Co uit Lier en stichtte er de voorloper van de Leidse Katoenmaatschappij. Met name vanuit de Nederlandsche Handel-Maatschappij werd getracht om de productie van calicots, ten behoeve van de Indische markt, in Nederland op gang te krijgen. Tot dan toe werd voornamelijk bombazijn (linnen/katoenen weefsel) voor de binnenlandse markt geproduceerd. In 1833 werd, mede op initiatief van Thomas Ainsworth, een weefschool te Goor opgericht waar het weven met de hier geïntroduceerde schietspoel werd aangeleerd. Hier was ook een kettingsterkerij en een meubelmakerij voor de vervaardiging van snelweefgetouwen, aan verbonden. De school produceerde niet alleen, maar leverde ook duizenden vaklieden af die de nieuwe techniek verder verspreidden, mede dankzij de geproduceerde snelweefgetouwen.

In 1836 werd een fabriek te Nijverdal gesticht, eveneens door Thomas Ainsworth. Dit was de voorloper van de Koninklijke Stoomweverij.

Vanaf 1850 werden steeds meer katoenen textielsoorten vervaardigd. De Twentse thuisweverij verdween in de laatste helft van de 19e eeuw goeddeels ten bate van de toenemende industriële productie. Hoewel er elders in Nederland eveneens industriële katoenweverijen werden opgericht, concentreerde deze industrietak zich in toenemende mate in Twente. Enschede werd wel het Nederlands Manchester genoemd.Techniek in Nederland in de 19e eeuw, deel III, p.52 Concentratie van fabrieken in steden veroorzaakte verstedelijking met ongezonde leefomstandigheden door slechte huisvesting. De textielindustrie bood werkgelegenheid voor velen maar de economische vooruitgang kwam vooral ten goede aan fabriekseigenaren. Gedurende de jaren 1850-1900 nam het aantal bedrijven eerst snel, later meer geleidelijk toe. Zo waren er in 1861 slechts 13 industriële weverijen. In 1871 waren dat er 34 en 37 in 1887. Daarna nam het aantal af tot 27 in 1912. Tegenover deze afname stond een schaalvergroting: van 1861-1887 verdubbelde het aantal getouwen per bedrijf van 176 tot 34, om in 1910 al 806 te bedragen. Aangezien in de jaren na 1850 ook de infrastructuur (Overijsselse Kanalen, spoorwegen) sterk verbeterde werd de aanvoer van steenkolen, en daarmee het produceren op industriële schaal, ook goedkoper. Technische verbeteringen zorgden voor verhoging van de snelheid van de industriële weefgetouwen. Uiteraard ging ook de arbeidsproductiviteit sterk omhoog. Een wever kon in 1900 het 15-voudige produceren van een handwever uit het begin van de 19e eeuw.Techniek in Nederland in de 19e eeuw, deel III, p.52 e.v.