Dit is een lijst van schouten, schepenen en andere hoge ambtsdragers van de stad Maastricht van 1245 tot 1795. Tot de komst van de Fransen in 1794 had het tweeherige Maastricht een Luiks en een Brabants hooggerecht, elk met zijn eigen schout en schepenen. Daarnaast vielen delen van de middeleeuwse stad onder het rechtsgebied van het Brabantse Graafschap van de Vroenhof. De buitengebieden van de huidige gemeente Maastricht behoorden eveneens tot verschillende rechtsgebieden: de Vroenhof, Sint Pieter, Pietersheim, Heugem, Heer, Borgharen en Itteren. Ook deze hadden elk hun eigen schout en (meestal zeven) schepenen.

Toelichting De rechtsgebieden in de tweeherige stad Maastricht Van oudsher was het bestuur van de stad Maastricht een complexe aangelegenheid. Dat kwam in de eerste plaats door het feit dat de soevereiniteit gedeeld werd door de prins-bisschop van Luik en de hertog van Brabant. De oorsprong van deze dubbele, landsheerlijke jurisdictie, de tweeherigheid van Maastricht, ligt nog grotendeels in het duister, maar gaat vermoedelijk terug tot de karolingische tijd. De tweeherigheid werd vastgelegd in de Alde Caerte van 1284 en aangescherpt in de Dochter Caerte van 1356.Van Rensch (1995), pp. 58-59.Ubachs/Evers (2005), pp. 146-147: 'Dochter Caerte'.

thumb|290px|Bewerkt detail van een Ferrariskaart uit ca. 1775 met rechtsgebieden rondom Maastricht. Groen gemarkeerd: heerlijkheid Pietersheim. Geel: graafschap van de Vroenhof. Oker: heerlijkheid Sint Pieter. Groen omcirkeld: banken waarvan de exacte grenzen niet bekend zijn. 1. Heugem; 2. Heer; 3. Meerssenhoven; 4. Borgharen; 5. Itteren

Daarnaast waren er tot aan het einde van het ancien régime nog verschillende andere jurisdicties in het binnen en deels buiten de stadswallen gelegen gebied. Grote delen binnen de stad behoorden tot het rechtsgebied van de Vroenhof en viel onder Brabant. De in de late middeleeuwen geannexeerde, relatief kleine Nieuwstad behoorde bij de vrijheid Sint Pieter en viel onder de rechtsmacht van de bisschop van Luik. Dat gold ook voor een klein, deels in, deels buiten de stad gelegen gebied tussen de Jeker en de weg naar Montenaken, dat bekend stond als de Bisschopskommel. Het eveneens kleine gebied van Tweebergen ressorteerde onder de proosdij van Sint-Servaas, terwijl de directe omgeving van de twee kapittelkerken – de zogenaamde claustrale singel – tot de immuniteiten van het Sint-Servaas- en het Onze-Lieve-Vrouwekapittel werden gerekend. In principe vielen de kloosters in wereldlijke zaken onder de Brabantse of Luikse jurisdictie, maar in geestelijke zaken onder de (aartsdiakonale) jurisdictie van de deken en het kapittel van Sint Servaas en in mindere mate onder die van Onze Lieve Vrouwe. Het vanaf 1567 permanent inliggende garnizoen viel buiten het gewone wereldlijke gezag.Evers (1995), pp. 106-107. De rest van de stad (nog steeds het belangrijkste deel), inclusief een beperkt gebied buiten de stadsomwalling, de zogenaamde "Vrijheid van Maastricht", behoorde tot de tweeherige Luiks-Brabantse jurisdictie.Ubachs/Evers (2005), p. 537: 'Tweebergen'; pp. 537-538: 'tweeherigheid'; pp. 565-566: 'Vrijheid van Maastricht', pp. 567-568: 'Vroenhof, graafschap'.Ubachs/Evers (2006), pp. 47-50, 57-59. De hoofdstraten door de stad vielen eveneens onder de tweeherigheid. Bij de Maas was het de brug die de rivier verdeelde: bovenstrooms viel zij onder de bisschop van Luik, benedenstrooms onder Brabant.

Buiten de ommuurde stad was de situatie al even gecompliceerd. De Vroenhof zette zich buiten de stadsomwalling voornamelijk in zuidwestelijke richting voort tot het gehucht Heukelom. Ten noorden ervan lag de heerlijkheid Pietersheim (waartoe het gehucht Caberg behoorde); ten zuiden lag de Luikse heerlijkheid Sint Pieter. Op de oostelijke Maasoever lag de bank Heer, een van de elf banken van Sint-Servaas. De rechtsgeschiedenis ervan is vrij goed gedocumenteerd. De andere banken in deze omgeving, Heugem, Borgharen en Itteren-Meerssenhoven, zijn nog nauwelijks bestudeerd (Itteren en Meerssenhoven vormden waarschijnlijk één bank). Elk rechtsgebied beschikte over zijn eigen schepenbank, soms ook over een eigen rechtszaal, gevangenis en terechtstellingsplaats.Evers (1995), pp. 104, 117-119.

Het Brabants en het Luiks hooggerecht in het tweeherige Maastricht De tweeherigheid van Maastricht bracht met zich mee dat de magistraat (het stadsbestuur) samengesteld moest zijn uit evenveel bestuurders van Maastrichts-Luikse, als van Maastrichts-Brabantse geboorte (nativiteit). Daarom telde het stadsbestuur een Brabantse en een Luikse schepenbank en een Indivieze Raad, waarvan het aantal leden (schepenen, gezworenen, burgemeesters, secretarissen en peymeesters) steeds voor beide nativiteiten even groot moest zijn. Wel varieerde de samenstelling van het bestuur in de loop der eeuwen, naarmate sommige groepen (met name de ambachten) aan politieke macht verloren. Van de vroegmoderne tot de Franse Tijd bestond het stadsbestuur uit een Luikse en een Brabantse hoogschout, een burgemeester van Luikse en een van Brabantse zijde, tweemaal zeven schepenen en tweemaal vier (later elf of twaalf) gezworen 'raden'. Zij werden terzijde gestaan door een Luikse en een Brabantse secretaris voor het Hooggerecht, een Luikse en een Brabantse secretaris voor het Laaggerecht, een Luikse en een Brabantse pensionaris en voor elke nativiteit een peymeester (belasting-inner).Ubachs/Evers (2005), p. 196: 'gezworene'; p. 463: 'schepen'; p. 502: 'stadsbestuur'. Gezamenlijk vormden ze de Indivieze (= ongedeelde) Raad, het volledige stadsbestuur. De magistraatsleden behoorden tot een beperkt aantal regentenfamilies, die de verschillende ambten onder elkaar verdeelden.Ubachs/Evers (2006), pp. 54-56.

thumb|left|230px|Detail van een prent van de Grote Staat (Jan de Beijer, ca. 1750). Centraal: het Dinghuis, zetel van het Luiks en Brabants hooggerecht, ca. 1377-1664

In 1224 is voor het eerst sprake van een Brabantse en Luikse schepenbank, elk bestaande uit zeven schepenen. De schout was voorzitter van het hooggerecht en aanklager, maar nam geen deel aan de beraadslagingen. Of men zich tot de ene of de andere schepenbank moest wenden, hing af van de 'nativiteit' (geboorte, nationaliteit) van de rechtzoekenden, die erfelijk was (via de moeder). Gemiddeld was slechts een kwart van de bevolking van Luikse geboorte.Van Rensch (1995), p. 59. Een geding tussen personen van verschillende nativiteiten werd voor de gezamenlijke schepenbanken gevoerd, volgens het principe "des man, des ban". Aanvankelijk waren de schepenen belast met zowel de hoge en lage rechtspraak, als het bestuur en de administratie van de stad. Dat laatste, alsmede een deel van de lage rechtspraak, werd geleidelijk overgenomen door de burgemeesters en gezworenen, die eveneens tweeledig waren samengesteld uit Luikse en Brabantse burgers. Terwijl schouten en schepenen typische vertegenwoordigers van het soevereine gezag waren, vertegenwoordigden burgemeesters en gezworenen de burgerij. Laatstgenoemden kwamen vanaf circa 1377 samen in "De Lanscroon" en "De Liebaert" in de Grote Staat. De schepenbank was vanaf die tijd gevestigd in het Dinghuis aan de Kleine Staat.

Vanaf 1430 namen de hertogen van Bourgondië in het Maastrichtse bestel de plaats in van de Brabantse hertogen, en vanaf 1482 de Habsburgse vorsten, zonder dat er voor de stad veel veranderde. Dat was wel het geval in 1579, toen de stad werd ingenomen door Parma. In 1580 werd een veel autocratischer systeem ingevoerd, waarbij de ambachten alle invloed verloren.Wouters (1985), p. 13. Na de inname van de stad door Frederik-Hendrik traden de Staten-Generaal in de rechten van de Brabantse hertogen. Voortaan moesten alle ambten van Brabantse zijde, ook dat van hoogschout, door protestanten worden ingevuld. Dat die een minderheid vormden in het overwegend katholieke Maastricht, maakte geen verschil. Aan Luikse zijde veranderde er in 1632 niets, dus een katholiek kon na 1632 nog steeds Luiks schout of schepen worden, mits hij de Luikse nativiteit bezat.Eversen (1884), pp. 1027-1028, 1030. Wie van huis uit Brabants-Maastrichts was en voor zijn nageslacht een bestuurlijk ambt ambieerde, huwde een meisje van Luiks-Maastrichtse afkomst. Haar kinderen kregen immers de Luikse nativiteit. In de achttiende eeuw lieten de hoogschouten, die meestal niet in Maastricht woonden, zich vervangen door vice-hoogschouten uit de plaatselijke burgerij. Vrijwel alle hogere posities werden toen ingenomen door leden van Maastrichtse regentenfamilies, meestal niet meer dan tien, die bovendien door onderlinge huwelijken sterk verwant waren.Van Rensch (1995), pp. 60-61.

De inname van Maastricht door het Franse revolutionaire leger in november 1794 en de inlijving bij Frankrijk in mei 1795, maakten een einde aan het tweeherige bestel. Na een overgangsperiode had Maastricht vanaf 1800, net als elke Franse stad, één burgemeester (maire genoemd), bijgestaan door een mede-burgemeester (adjoint). Gemeenteraadsleden werden tot de invoering van de Gemeentewet in 1851 aangeduid als schepenen. De functie van schout/hoogschout verdween in 1795.Ubachs/Evers (2005), p. 234: 'hoogschout'; p. 463: 'schepen'.

Lijsten van hoge ambtsdragers per rechtsgebied

Uit de twaalfde eeuw zijn de namen van drie schouten bekend: Arnoldus, in 1133 vermeld als villicus, Bertholdus, in 1139 eveneens villicus genoemd, en Reinerus, in 1159 aangeduid als dives et scultetus. Niet bekend is of zij schout waren van de hele stad (in dat geval als representanten van de Duitse keizers; de Brabantse hertogen kregen pas na 1204 invloed in Maastricht) of dat er toen ook al schouten in dienst van de Luikse bisschoppen waren.Eversen (1890), p. 85.

Ambtsdragers van het Luiks hooggerecht te Maastricht De Luikse schepenbank vergaderde aanvankelijk in de westbouw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, waarbij mogelijk recht gesproken werd in de open lucht op een platform bij het oostkoor. Vanaf 1377 vergaderden de Luikse (en de Brabantse) schepenen achtereenvolgens in het Dinghuis, de Poort van Gaveren (tussen 1632 en 1642), de Poort van Rekem (na 1642; onzeker) en ten slotte in het Stadhuis op de Markt (vanaf 1664).Ubachs/Evers (2005), pp. 463-464: 'schepenbank'.

Onderstaande namenlijst van het Luikse hooggerecht te Maastricht is deels gebaseerd op de lijst samengesteld door de rijksarchivaris en publicist Pierre Doppler (1861-1938). Zijn artikel verscheen in 1920 in De Maasgouw (zie: Geraadpleegde literatuur). Doppler benadrukte dat het om een eerste aanzet ging.Doppler (1920), p. 67. Hoewel sindsdien aangevuld is de lijst nog verre van volledig en vraagt om verbetering en aanvulling.