Herbert de Jager (1634, Aarlanderveen - 6 Januari 1694, Batavia) was een oriëntalist die de Verenigde Oost-Indische Compagnie diende als koopman, diplomaat en kenner van tal van Aziatische talen. Hij werkte in Perzië, India en Batavia.
Biografie Leiden Herbert de Jager werd geboren als zoon van een boer in Aarlanderveen. Hij studeerde vanaf 1656 eerst theologie aan de Universiteit Leiden, vanaf 1658 met een studiebeurs van de VOC, zodat hij na zijn afstuderen als predikant in Indië kon gaan werken. In 1661 stapte hij met toestemming van de VOC over op wiskunde, oosterse talen (Arabisch en Perzisch), vestingbouw, botanica en astronomie. Een van zijn leraren was de beroemde oriëntalist en wiskundige Jacobus Golius. De latere Amsterdamse burgemeester, geleerde en VOC-bewindhebber Nicolaes Witsen volgde in deze tijd bij Leidse hoogleraren privélessen in de rechten en leerde toen waarschijnlijk De Jager kennen. Hij speelde later als patroon een belangrijke rol in zijn carrière. Na zijn studie trad De Jager in september 1662 als onderkoopman in dienst van de VOC, 'om in Indië te worden gebruykt in soodanige functiën, daartoe sal worden bevonden syne bequamheyt te strecken'. De VOC voorzag hem ook van boeken en instrumenten en ontsloeg hem van de verplichting om een garantsteller op te geven, wat eigenlijk verplicht was voor onderkooplieden. Een aanbeveling aan de gouverneur-generaal en de Raad van Indië in Batavia getuigde van zijn goede kennis van plantkunde, astronomie en vestingwerken, naast zijn taalkundige en wiskundige vaardigheden. In november vertrok hij naar Indië. miniatuur|Brief van de Jager aan Georg Eberhard Rumpf in Ambon. 20 mei 1683 (van Valentini, 1714)
Perzië Na zijn aankomst in juni 1663 in Batavia,Met het fluitschip de Ooievaar. Vertrek 29 november 1662 vanaf Texel. Aankomst 21 juni 1663 in Batavia. het hoofdkwartier en overslaghaven van de VOC in Azië, werd hij al spoedig aangesteld als eerste klerk op de generale secretarie, als opvolger van Willem van Outhoorn, die het te druk had met zijn werkzaamheden in de Raad van Justitie. De Jager fungeerde ook als vertaler en tolk, zoals bij het bezoek van de Portugese ambassadeur uit Goa Andreas Gomes, waarbij de communicatie tussen de Portugezen en de leden van de Raad van Indië Carel Hartsinck, Pieter Overtwater en Rijcklof van Goens plaatsvond in het Latijn, en een bezoek aan de Engelsen in Bantam voor gesprekken over de overdracht van het specerijeneiland Pulau Run, die na de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog overeengekomen was.
Maleis was waarschijnlijk de eerste van de vele talen die hij in Azië leerde. In september 1665 werd hij naar de Perzische havenstad Gamron (Bandar Abbas) gezonden in het gezelschap van Huybert de Lairesse, die daar de nieuwe directeur werd. Ze arriveerden er in februari 1666 en vertrokken later dat jaar, vergezeld door de eerste assistent ter plekke Reinier Casembroot, naar het Safawiedische hof in Isfahan om met sjah Abbas II handelsbesprekingen te voeren. De Compagnie verkocht in Perzië specerijen en kocht ruwe zijde in bij een vertegenwoordiger van de sjah, die een monopolie op de verkoop had. De handelsvoorwaarden waren vastgelegd in een koninklijk besluit, de zogeheten firman. In oktober overleed de sjah echter, en De Lairesse en De Jager waren de eerste Europeanen die zijn negentienjarige opvolger konden begroeten, die gekroond werd als Sefi II.In maart 1668 zou hij zich op advies van zijn astrologen Suleiman I noemen. Deze verzekerde dat de door zijn vader uitgevaardigde firman volledig zou blijven gelden. De Jager was de jaren daarna hoofd van het VOC-kantoor in Isfahan en werkte als tolk, vertaler en onderhandelaar. Hij verdiepte er zijn kennis van de Perzische taal. Toen zijn contract na vijf jaar afliep, en hij bovendien onenigheid kreeg met de toenmalige directeur IJsbrand Godske,Godske vond dat De Jager met eigen middelen een openstaande rekening van een gefailleerde Pers moest betalen. De Jager bestreed dat, en wilde in Batavia gearchiveerde correspondentie verzamelen die zijn gelijk kon aantonen. Mede hierom wilde hij terug naar Batavia. vroeg hij meerdere malen om te mogen repatriëren. Na toestemming van de Raad van Indië vertrok hij in mei 1670 vanaf Gamron, zoals gebruikelijk via de omweg van Batavia.
India links|miniatuur|De Coromandelkust en Golkonda Tijdens een tussenstop in Paliacatte, het hoofdkantoor van de VOC aan de Indiase Coromandelkust, haalde gouverneur Anthonie Paviljoen hem over tot deelname aan de ambassade van opperkoopman Pieter Smith naar het hof van Golkonda in het binnenland, waar het Perzisch de voertaal was. De missie had met aanzienlijke vertraging te maken, zodat De Jager veel langer in India bleef dan zijn bedoeling was. De missie had ook weinig succes, hoewel de sultan onder de indruk was van De Jagers kennis van het Perzisch. Toen hij in november 1672 terug kwam in Paliacatte was daar het Franse Perzisch Eskader aan de kust verschenen. Deze oorlogsvloot probeerde in de iets zuidelijker gelegen voormalig Portugese vesting San Thomé een basis voor de Franse Oost-Indische Compagnie te stichten. De Jager kon toen niet vertrekken, en maakte zich daarom ter plaatse nuttig met zijn kennis van vestingwerken, en wist bovendien een geheimschrift te ontcijferen ('gestelt in verscheide cijffer-letters en caracters die niet conden verstaen worden') in een brief die bij een gevangen genomen Fransman werd aangetroffen. De Jager, 'die sijne studij maeckende, op de caracters, ook de ontbindinge en ontcijfferinge daervan uijtgevonden heeft', kon zodoende informatie geven over de Franse plannen. De Fransen werden in San Thomé vanaf juni 1673 belegerd door een vloot van Rijcklof van Goens uit Ceylon en een leger van Golkonda vanaf de landzijde, waardoor zij in september 1674 werden verdreven. San Thomé werd teruggegeven aan Golkonda. De Jager was een van de ondertekenaars van het capitulatieverdrag. Vanwege het rampjaar in de Republiek had hij inmiddels zijn bedenkingen gekregen over zijn repatriëring. In oktober 1673 bevorderde Van Goens hem tot koopman met een contract voor nog drie jaar. Van Goens benadrukte niet alleen zijn waardevolle diensten als tolk, maar ook die als ingenieur. miniatuur|Pagina uit de verhandeling De Sementina van Herbert de Jager (Miscellanea curiosa, 1684) De Jager ging deel uitmaken van de politieke raad van gouverneur Paviljoen, en kreeg begin 1675 de leiding over het munthuis van Paliacatte. De VOC had er het recht gekregen gouden pagoden te slaan, de lokale munt waarmee katoenen stoffen (lijnwaden) aan de kust werden ingekocht. De volgende jaren bracht De Jager door aan de Coromandelkust en in Golkonda, waar hij geïnteresseerde medewerkers, zoals Daniël Havart, hielp bij het leren van Perzisch. Havart noemde hem 'in de Oostersche talen byzonder ervaren' en zei over hem: 'die Heer heeft de roem in waarheid dat hy seventien talen wel spreekt'. De Jager leerde in deze tijd naast de Dravidische talen Tamil en Telugu ook Sanskriet. Zelf wilde hij liever naar Perzië terug. Hij solliciteerde bij de Raad van Indië op de vacature van secunde (tweede man) in Perzië en een hernieuwd optreden als hoofd van het kantoor in Isfahan. De Raad gaf daar echter geen gehoor aan. Die vond dat zijn vaardigheden beter van pas zouden komen in Ceylon. Maar ook dat ging niet door, zodat hij uiteindelijk bleef waar hij was. In 1677 zond de nieuwe gouverneur Jacques Caulier hem op een missie naar het leger van Suwagie Magaratie (Shivaji Maharaj), de leider van de Maratha's, die zich in het sultanaat Visiapoer (Bijapur) ophield. Hij moest vragen om bevestiging van de firman voor de handel van de VOC in de door hem veroverde gebieden. Op 6 augustus bereikte hij samen met de koopman Nicolaas Clement uit Tegenapatnam het kamp van Shivaji in Waligondapuram (het huidige Valikandapuram). Shivaji gaf hen twee kauls,Van het Arabisch 'qual'. Een vergunning verleend door een vorst aan kooplieden, vergelijkbaar met de firman. maar Caulier was er niet tevreden mee en verweet hen te grote statie te hebben gevoerd en te veel geld te hebben uitgegeven aan geschenken. Pas twee jaar later werd De Jager in deze zaak vrijgesproken. In 1678 speelde hij een rol als vestingwerkadviseur bij een poging van een vloot uit Ceylon om het laatste restant van het Perzisch Eskader uit Pondicherry te verjagen, maar door tegenwind en aflandige stromingen kon de vloot de kust niet bereiken.
In januari 1680 zond Willem Carel Hartsinck, die de overleden Caulier als gouverneur had vervangen, De Jager vergezeld van een fiscaal naar Tegenapatnam, verder naar het zuiden, om een onderzoek naar fraude in de lijnwaadhandel in te stellen. In maart leverde hij een rapport op. In oktober keerde hij in opdracht van de Raad van Indië na 10 jaar aan de Coromandelkust te hebben doorgebracht terug naar Batavia, met het schip de Vrye Zee. Hartsinck, in een begeleidende brief, 'moetende als nogh getuigen dat Sijn Ed. veele goede en importabele diensten voor d'E. Comp. gedaen ende ons in 't bijsonder allesints contentement gegeven heeft'.
Perzië links|miniatuur|Isfahan In Batavia hield De Jager zich bezig met de studie van talen en van plantkunde, en gaf hij les in Arabisch en Maleis aan predikanten. Op 25 november 1681 wordt hij genoemd als een van de deelnemers aan de grootse afscheidsceremonie voor gouverneur-generaal Rijcklof van Goens en de installatie van zijn opvolger Cornelis Speelman. In deze jaren stond hij de Raad van Indië bij in de correspondentie in het Maleis met de sultans van Mataram en Bantam. In Mataram was sultan Amangkoerat II door de VOC geholpen bij het onderdrukken van de Trunajaya-opstand. In Bantam was een strijd gaande tussen de oude sultan Ageng Tirtajasa en zijn zoon Aboen Nasar, ook wel bekend als Sultan Hadji. De majoor Isaac de Saint-Martin en de kapitein François Tack waren met troepen in Bantam aanwezig om Sultan Hadji te steunen. De Jager werd in april 1682 naar hen toegestuurd met een 'pacquet geslote secrete papieren' met nadere instructies. Hij kreeg in Bantam de rang naast Tack. Hij maakte een analyse van Agengs vesting in Tirtajasa, en schreef bovendien voor de Raad van Indië een uitvoerig rapport over de tegenover Bantam liggende kuststreek van de Lampongs in Sumatra, met een lijst van koopwaren die men daar wilde hebben in ruil voor peper. In november was De Jager weer terug in Batavia. Begin 1683 werden Ageng en zijn aanhangers verslagen door de gecombineerde troepen van Sultan Hadji en François Tack.De Saint-Martin werd in december 1682 teruggeroepen naar Batavia wegens gebrek aan initiatief. Het commando ging over op Tack. Ageng bracht zijn oude dag in Kasteel Batavia door als pangeran Tirtajasa.