miniatuur|Koesjitische pyramiden van Meroë, 300 v.Chr. - 350 n.Chr. De geschiedenis van Soedan omvat ontwikkelingen op het gebied van de Republiek Soedan en het historische Soedan van de prehistorie tot heden. Ze is sterk verbonden met de geschiedenis van Egypte, waarmee dit het historische Nubië in het Nijldal deelde, een van de wiegen van de menselijke beschaving. Prehistorie De Khartoemculturen waren een archeologisch complex van epipaleolithische tot neolithische culturen van het 8e tot 4e millennium v.Chr. in Centraal-Soedan. Het daar vervaardigde aardewerk behoort tot het oudst bekende van Afrika. Dit zogenaamde Wavy Line Pottery verspreidde zich over een zeer groot gebied van de Nijlvallei tot over de groene Sahara van het Holoceen subpluviaal. De late Shaheinab-fase, vanaf het 4e millennium v.Chr., wordt al als neolithisch beschouwd.

Oudheid

Vanaf ca. 3000 v.Chr. is er intensieve interactie met Egypte.Hoofdstuk 1 State Formation in en , "Sudan," Routledge 2005.

In Nubië zijn vanaf 2500 v.Chr. diverse koninkrijken beschreven, waarvan Kerma het oudste is. In de mondelinge Joodse overlevering bezoekt de jonge Mozes de stad Saba (Meroë) in het koninkrijk Koesj. De Romeinen noemden het gebied Nobatia.

Middeleeuwen miniatuur|Geboorte van Christus, fresco in de kathedraal van Faras (10de-11de eeuw)

Vanaf de 6de eeuw ontstonden drie christelijke koninkrijken: Nobatia in het noorden met hoofdstad Faras, Makuria in het midden met hoofdstad Dongola, en Alodia in het zuiden met hoofdstad Soba. Voor 700 werden Nobatia en Makuria samengevoegd, misschien als antwoord op de moslimverovering van Egypte in 640. Gedurende de daaropvolgende zes eeuwen werd de relatie tussen de moslimwereld en het christelijke Nubië bepaald door El Baqt (het pact, of verdrag), dat wederzijdse commerciële verplichtingen inhield, maar uitdrukkelijk militaire bijstand uitsloot. In 1504 viel het laatste christelijk-Nubisch rijk in handen van islamitische sultans.

Egyptische overheersing Soedan werd van 1821 tot 1881 overheerst door Egypte. In 1821 bracht Mohammed Ali Pasha van Egypte het noordelijke deel van Soedan behalve Darfur onder zijn controle. Hij stichtte daar in het noorden de provincie Nubië met Khartoem als provinciehoofdstad en in het midden Kordofan met hoofdstad El Obeid.Bosworth et al (1986) p. 267 Zuid-Soedan werd in 1871 veroverd door Egypte dat daar de provincie Equatoria stichtte (het was de bedoeling naar de evenaar op te trekken); in 1874 lijfde Egypte ten slotte Darfur in. (1972) Westermann Großer Atlas zur Weltgeschichte, Georg Westermann Verlag, , blz 132"

De Mahdi miniatuur|Gebied van de Mahdi-opstand in 1885 (groene arcering) In 1881 begon de zelfverklaarde Mahdi, Mohammed Ahmad ibn Abd Allah, een jihad in de Soedan. Deze Mohammed Ahmad wist met zijn leger in 1883 El Obeid in te nemen en zo de macht in de Egyptische provincie Kordofan over te nemen. De Egyptische gouverneur van de aangrenzende provincie Darfur zag zijn aanvoerlijnen afgesneden en om bloedvergieten te voorkomen gaf hij datzelfde jaar de macht ook over. Mohammed Ahmad veroverde in januari 1885 Khartoem waarbij de gouverneur-generaal Charles George Gordon sneuvelde. Mohammed Ahmad overleed in juni 1885 en zijn bewind werd overgenomen door zijn generaal Abdallahi ibn Muhammad. Met de verovering van Khartoem was sinds 1885 de zuidelijke provincie Equatoria ook afgesneden van aanvoer over de Nijl vanuit het noorden. De Egyptische gouverneur van Equatoria Emin Pasha gaf in 1888 zijn gebied over aan Abdallahi en vluchtte met een reddingsexpeditie onder leiding van Stanley naar Duits-Oost-Afrika. De Mahdisten beheersten toen heel Soedan. In 1898 versloegen de Brits-Egyptische troepen Abdallah ibn Muhammad bij de slag van Karari.Pakenham (1991)

Anglo-Egyptisch Soedan

miniatuur|Khartoem in de jaren dertig, regeringsgebouwen en standbeeld van Lord Kitchener In 1898 wisten de Britten (onder Lord Kitchener) de Soedanese Mahdi-staat te koloniseren en een einde te maken aan het bewind van de (sjiitische) Abdallahi ibn Muhammad. In 1899 sloten het Verenigd Koninkrijk en Egypte, dat praktisch door de Britten bestuurd werd, een verdrag. Besloten werd dat ze Soedan gezamenlijk zouden besturen in een condominium. Soedan heette sindsdien Anglo-Egyptisch Soedan (1899-1956). Het is niet verwonderlijk dat het vooral de Britten waren die de scepter zwaaiden in Soedan.

Reeds in de jaren dertig van de twintigste eeuw ontstonden er twee varianten van het Soedanese nationalisme. De eerste groep streefde een onafhankelijk Soedan onder de Egyptische kroon na (Egypte was tot 1952 een koninkrijk), terwijl de tweede groep juist de banden met Egypte wilde verbreken.

miniatuur|Centrale moskee in Khartoem in de jaren dertig In 1952 verleenden de Engelsen en de Egyptenaren Soedan een zekere mate van autonomie en stelden de Soedanese onafhankelijkheid in het vooruitzicht. Premier werd Sayyid Abdel Rahman al-Mahdi van de islamitisch-democratische UMMA Partij, een afstammeling van de vorige Mahdi. President Mohammed Naguib van Egypte, die zelf half-Soedanees was, hoopte dat de Soedanezen na de onafhankelijkheid zouden kiezen voor een unie met Egypte. Het liep echter anders. Premier Ismail al-Azhari van de NUP (Nationale Uniepartij; federalistisch), premier sinds 1954, riep op 1 januari 1956 de onafhankelijkheid uit van de Republiek Soedan. Als collectief staatshoofd werd een Soevereiniteitsraad ingesteld.

Onafhankelijkheid De regering (een coalitie van de UMMA, de NUP en de conservatieve Socialistische Republikeinse Partij) bleek niet degelijk genoeg om het land te besturen. Het christelijke en animistische (natuurgodsdienstige) Zuiden kwam reeds in 1954 in opstand tegen de (overheersend) Arabische (Noordelijke) regering in Khartoem. Deze toestand leidde tot de staatsgreep van 1958 door generaal Ibrahim Abboud. Abboud werd president en trachtte (overigens zonder succes) de zuidelijke opstand te breken. In een plotselinge uitbarsting van volkswoede werd in "tien dagen die Soedan deden schudden" (21-30 oktober) 1964 het militaire bewind van Abboud ten val gebracht en kwam het bestuur in handen van de burgerlijke partijen. De linkse Sirr al-Khatim al-Khalifah werd president en na een overgangsregering onder Sadiq al-Mahdi (afstammeling van de negentiende-eeuwse Mahdi) werd Azhari opnieuw premier.

miniatuur|Woestijn in Soedan Weer bleek het parlementaire stelsel niet bij machte de orde en de rust in Soedan te herstellen. Ontevredenheid over het functioneren van de democratie en over het centralisme van de regerende UMMA Partij van Sadiq al-Mahdi, leidde op 25 mei 1969 tot een staatsgreep onder leiding van kolonel Jafaar Mohammed Numeiri. De activiteiten van de politieke partijen werden verboden en er werd een Revolutionaire Commandoraad opgericht waarvan de meeste leden linkse sympathieën hadden. Ook in het kabinet zaten veel linkse figuren. Numeiri nam het voorzitterschap van de Revolutionaire Commandoraad op zich. Soedan heette voortaan de Democratische Republiek Soedan. De nieuwe regering knoopte goede betrekkingen aan met de Oostblok-landen en de Sovjet-Unie, maar ook met de Arabische staten.

miniatuur|Moskee in Port Soedan Op 19 juli 1971 pleegde de communistisch gezinde generaal Babiker al-Nur Osman - een lid van de Revolutionaire Commandoraad - een staatsgreep en installeerde een communistisch georiënteerde regeringsraad. Numeiri werd door de coupplegers gevangengezet, maar wist spoedig te ontsnappen en met hulp van loyale legereenheden wist hij de coupplegers uit Khartoem te verdrijven (22 juli 1971). Deze couppoging gaf Numeiri de gelegenheid om de communistische sympathisanten uit de regering te ontslaan en de Soedanese Communistische Partij (SCP) te verbieden. Numeiri liet een nieuwe grondwet opstellen, om de oude te vervangen. Volgens de grondwet was Soedan een democratische republiek met een voor zeven jaar gekozen president (die telkens herkozen kon worden), de islam als staatsgodsdienst en de in 1972 door Numeiri opgerichte Soedanese Socialistische Unie (SSU) als enige toegestane partij. In het politbureau van de SSU (waarvan Numeiri de voorzitter was) nam Numeiri de voornaamste religieuze leiders (waaronder Sadiq al-Mahdi) en enkele zuiderlingen op. Numeiri voerde sindsdien een politiek van verzoening met het zuiden, dat een grote mate van autonomie verkreeg en een op islamitische landen gericht buitenlands beleid. Pogingen van Numeiri, Gaddaffi (Libië) en Sadat (Egypte) om tot een Arabische Unie te komen, mislukten evenwel.

De buitenlandse politiek van Numeiri was er ook een van toenadering tot het Westen en in het bijzonder tot de Verenigde Staten van Amerika. Soedan werd in de jaren zeventig en tachtig economisch en militair steeds afhankelijker van de VS. Numeiri was een van de weinige Arabische leiders die de Egyptische politiek van toenadering tot Israël steunde. Numeiri werd daarom ook een goede vriend en bondgenoot van de Egyptische president Anwar Sadat.

Vanaf het einde van de jaren zeventig kreeg het regime van Numeiri een sterk islamitisch karakter. Leden van de (officieel verboden) UMMA Partij en de NUP kregen meer zeggenschap binnen de Soedanese Socialistische Unie. Hassan al-Turabi, een islamist, werd openbaar aanklager. Bij de verkiezingen van 1978 behaalden de 'onafhankelijken' (in feite de kandidaten van de voormalige politieke partijen) een verkiezingsoverwinning. In 1983 werd de sharia, de islamitische wet, ingevoerd. Dit stuitte op weerstand van het christelijke en animistische zuiden, maar ook op dat van het reformistisch-islamitische Republikeinse Broederschap (RBH). President Numeiri liet zich steeds meer adviseren door geestelijk leiders en traditionele sjeiks. De (officieel illegale) Moslimbroederschap (MBH), waarbinnen zich naast democraten, ook fundamentalisten bevonden, werd de voornaamste bondgenoot van Numeiri's islamitische politiek. In januari 1985 werd de leider van de RBH, Mahmoed Mohammad Taha, gearresteerd en geëxecuteerd wegens zijn kritiek op de sharia-interpretatie van het regime.

In 1983 nam Numeiri de titel imam aan. Tegelijkertijd nam hij echter maatregelen tegen zijn voornaamste bondgenoot, de MBH, die naar de mening van Numeiri te veel invloed had gekregen. Deze openlijke aanval op de MBH zorgde voor toenemende onrust en in 1984 werd Soedan geteisterd door stakingen uit onvrede over het dictatoriale regime van president Numeiri. Toen Numeiri in april 1985 terugkeerde van een bezoek aan de Verenigde Staten, pleegden officieren onder leiding van generaal Abdel Rahman Mohammed Siwar al-Dahab een staatsgreep. De SSU werd verboden en Numeiri ging in ballingschap in Egypte.

De nieuwe regering richtte de Voorlopige Militaire Raad op met Siwar al-Dahab als voorzitter. Hoewel de coup een zuiver militaire aangelegenheid was, werd hij gesteund door een politiek platform dat bestond uit de Moslimbroederschap, de Republikeinse Broederschap, de Socialistische Partij, de Democratische Unie Partij, de Baathpartij, de UMMA en de NUP, de Soedanese Communistische Partij en het nieuwe Nationaal Islamitisch Front (NIF). In mei 1986 werd Ahmad Ali al-Mirghani van de Democratische Unie Partij (DUP) president. De gematigde Mahdi-leider Sadiq al-Mahdi werd opnieuw premier. In 1988 werd een akkoord bereikt met de Zuid-Soedanese onafhankelijkheidsbeweging (SPLM).

miniatuur|Khartoem in 2003