De oranje dwergmycena (Mycena acicula, ook Pruinomycena acicula) is een kleine schimmel die traditioneel tot de familie Mycenaceae wordt gerekend. De soort leeft saprotroof op gevallen twijgen, plantenresten en verterend hout, vooral van loofbomen en -struiken en voornamelijk op vochtige plaatsen. De vruchtlichamen verschijnen vooral van de vroege zomer tot de late herfst.
Taxonomie De soort werd in 1774 door Jacob Christian Schäffer beschreven als Agaricus acicula. Paul Kummer bracht haar in 1871 onder in het geslacht Mycena als Mycena acicula.
In 2025 beschreven Kun L. Yang, Jia Y. Lin en Zhu L. Yang het nieuwe geslacht Pruinomycena en maakten voor deze soort de nieuwe combinatie Pruinomycena acicula. De overplaatsing werd onderbouwd met moleculair-fylogenetische en morfologische gegevens. Species Fungorum en Index Fungorum behandelen Pruinomycena acicula als de geaccepteerde naam, terwijl onder andere de NDFF Verspreidingsatlas en GBIF de soort nog als Mycena acicula vermelden.
Kenmerken Uiterlijke kenmerken Hoed De hoed is doorgaans 2–8 mm breed. Aanvankelijk is hij halfbolvormig tot breed kegelvormig, later klokvormig tot gewelfd. Het oppervlak is enigszins kleverig en fijn berijpt. De kleur is aanvankelijk diep oranjerood en verbleekt later naar oranje of geelachtig. De hoedrand is doorschijnend gestreept.
Lamellen De lamellen zijn opstijgend en smal tot normaal aan de steel gehecht. Ongeveer 9–16 lamellen bereiken de steel. Ze zijn oranjegeel tot witachtig van kleur.
Steel De steel is zeer slank en meet volgens Noord-Europese beschrijvingen ongeveer 20–35 mm lang en 0,3–1 mm dik. Hij is recht tot enigszins gebogen, fijn berijpt en geel tot oranjegeel, waarbij de top vaak bleker is. Aan de basis bevinden zich lange, witte vezels; de steel kan daar enigszins wortelend zijn.
Geur en smaak Het vruchtvlees is zeer dun. De geur is onopvallend en ook de smaak wordt als niet kenmerkend beschreven.
Sporenprint De sporenprint is wit.
Microscopische kenmerken De sporen zijn smal pit- tot druppelvormig, glad en inamyloïd. Ze meten ongeveer 8,5–11(–12) × (3–)3,5–5 µm en hebben een Q-waarde van ongeveer 2,4–3,3. De basidia zijn knotsvormig, viersporig en meten ongeveer 19–24 × 6–7 µm.
De cheilocystide meten ongeveer 15–25 × 5–9 µm en variëren van knots- en spoelvormig tot flesvormig of bijna cilindrisch. De pleurocystide hebben een vergelijkbare vorm.
De hyfen van de pileipellis zijn ongeveer 1,5–3,5 µm breed en dragen eenvoudige, cilindrische uitgroeisels van circa 2–9 × 1–3 µm. De hyfen van de buitenste laag van de steel zijn tot ongeveer 4,5 µm breed en zijn bedekt met eenvoudige tot enigszins vertakte, cilindrische of opgeblazen uitgroeisels. Deze liggen ingebed in een gelatineuze substantie. Gespen komen in de weefsels voor.
Ecologie De oranje dwergmycena groeit op gevallen twijgen, plantenresten en sterk verterend hout van voornamelijk loofbomen. De soort wordt vooral aangetroffen op vochtige plaatsen en kan ook tussen strooisel groeien. In Nederland wordt zij vooral in loofbos op voedselrijke zandgrond gevonden en groeit zij voornamelijk op dode twijgen van loofbomen en struiken.
Verspreiding De soort is wijdverspreid in Europa en is ook bekend uit Noord-Amerika en andere delen van de wereld.
In Nederland komt de oranje dwergmycena algemeen voor en is zij verspreid over het hele land waargenomen. Op de Nederlandse Rode Lijst van 2008 is de soort ingedeeld in de categorie TNB ('thans niet bedreigd').
Foto's
Categorie:Schimmelsoort Categorie:Mycenaceae