Hippolyte Leo Aloïse Pannecoucke (Deerlijk, 7 januari 1906 – Dendermonde, 29 december 1971Op 30 december 1971 meldde de krant Het Volk het overlijden van Hippolyte Pannecoucke. Hij had zich daags voordien verhangen in zijn gevangeniscel te Dendermonde. Bij zijn dood was Pannecoucke niet meer gedomicilieerd in Deerlijk. Hij was er in mei 1964 geschrapt uit de bevolkingsregisters (zie ook voetnoot 7). Volgens een aantekening aldaar is hij overleden te Antwerpen op 15 juli 1971. Dit kan echter niet correct zijn (zie ook voetnoot 8), want in de tweede helft van december van dat jaar pleegde hij nog verschillende criminele feiten.) was een Belgisch crimineel, actief in de periode 1940-1951 en in 1971. Tussen 1951 en 1971 zat hij in de gevangenis, met een onderbreking in 1963-1964.

In zijn geboortestreek staat hij tot op vandaag bekend als ‘Pliet’ of ‘Plietie Pannies’, in de onderwereld was hij berucht onder zijn alias ‘meneer Jules’.

Afkomst Hippolyte Pannecoucke werd geboren als derde van zes kinderen in de Vichtestraat in Deerlijk in het gezin van wever Adolf en huishoudster Elisa Verborg.

Hij doorliep de lagere school in Deerlijk. In 1913 stierf grootvader Leo. Diens café De Prinse in de Waregemstraat (op de Molenhoek) kwam in handen van zijn zoon Adolf die daarna met zijn gezin verhuisde naar het café. In latere jaren zou Pannecoucke regelmatig bijspringen in de zaak van zijn ouders. Algauw kende het caféwezen voor hem geen geheimen meer. Toch werd hij slager. Door grote concurrentie floreerden de zaken evenwel niet en Pannecoucke keek uit naar een andere baan.

Cafébaas annex slager en timmerman In 1928 week Pannecoucke uit naar Waregem dat hij datzelfde jaar al verruilde voor Zwevegem. Daar baatte hij tot 1935 café In het Visschershof uit. Daarnaast was hij aan de slag als timmerman. Intussen was hij in 1929 gehuwd met Celina Vanhee. Uit het huwelijk kwamen zes kinderen voort, van wie het oudste zoontje op 13-jarige leeftijd zou overlijden.

Begin 1936 woonde Pannecoucke weer in Deerlijk en hij werd de baas van Café Central in de Harelbekestraat. De poort werd ingericht als slagerij. Het waren succesjaren en het café draaide een mooie omzet. Pannecoucke werd door zijn klanten geprezen als een schrander en innemend man die aan niemand een plezier kon weigeren.

Daarna volgde een serieuze tegenslag. Bij de Duitse inval in mei 1940 werd het café grotendeels vernield door de inslag van een artilleriegranaat. Pas laat in 1942 werd deze schade hersteld.Café Central werd getroffen door een granaat op 24 mei 1940. Het café en de inboedel leden daarbij zware schade. Op 30 juni 1942 was het gebouw nog altijd niet hersteld, als enige van de omliggende beschadigde panden. Ondertussen waren al twee jaren verstreken, zonder inkomsten van het café. Begon Pannecoucke zijn geduld te verliezen en te smokkelen om (weliswaar illegaal) geld in het laatje te brengen? Opvallend is dat in die jaren zijn beroep ambtshalve werd veranderd van slachter (slager) in handelaar. Kort nadien moet hij beslist hebben om te verhuizen en elders te herbeginnen, want in september 1944 had het café in de Harelbekestraat al een andere uitbater. Pannecoucke begon een herberg met de naam De Sterre in de René De Clercqstraat, naast zijn schoonouders. Had hij een tip gekregen van hen dat dit gebouw beschikbaar was? Eigenaardig is dat het café pas officieel werd geopend in september 1948, terwijl het zeker al jaren in bedrijf was. Toen werd ook het beroep van zijn echtgenote ambtshalve gewijzigd van huishoudster in herbergierster. Was het intussen duidelijk geworden dat Pannecoucke niet zou weerkeren en werd het café op naam van zijn vrouw gezet? Daarna deed Pannecoucke een aanvraag bij de gemeente tot naamswijziging van zijn herberg in De Sterre, wat niet werd toegestaan. In de buurt was namelijk al een café met deze naam. Pannecoucke besloot om elders een café te beginnen. Hij vond een geschikt pand in de René De Clercqstraat en opende er café De Sterre.

Criminele carrière Smokkel De Tweede Wereldoorlog bracht een kentering teweeg in de professionele loopbaan van Pannecoucke. Hij had bemerkt dat hij met clandestiene activiteiten veel meer kon verdienen dan met zijn café en begon grote vrachten tabak en tarwe naar Frankrijk te smokkelen. De zaken werden uitgebreid met de smokkel van illegaal gestookte drank. Zijn café bleef bestaan, maar smokkel werd de hoofdactiviteit van Pannecoucke. Hij smokkelde bij nacht en ontij, liefst in regenweer. Enkele vrachtrijders uit Deerlijk werkten met hem mee als chauffeur. Op de kop van de vrachtwagens kwam de ‘marchandise’ te staan, de achterkant werd geladen met oude meubelen of andere goederen. Pannecoucke werd een specialist in stempelvervalsingen en zette douaniers onder druk om een oogje dicht te knijpen bij controles. Overal had hij connecties.

Er waren grote risico's aan verbonden en soms liep het bijna verkeerd af. Zo werd hij op een bepaald moment in de buurt van Douai tegengehouden door een patrouille van de Feldgendarmerie – de Duitse militaire politie die onder meer instond voor de bestrijding van de zwarte markt en sluikhandel – waarbij hij weigerde te stoppen. Hij raasde met zijn vrachtwagen langsheen de Duitsers,Volgens een andere – populaire – versie van het verhaal reed Pannecoucke een van de Duitsers aan en belandde deze op de motorkap van zijn voertuig. die prompt de achtervolging inzetten. Daarbij werd er geschoten. Pannecoucke had geluk en kon ontsnappen.

Pannecoucke had ondanks (of dankzij?) de oorlogsomstandigheden zijn draai gevonden in de misdaad. Hij maakte snel naam en faam in de onderwereld. Ondertussen hielp hij in Deerlijk wel mensen die de eindjes niet aan elkaar konden knopen. Hij gaf ze tarwe en aardappelen of voorzag ze van geld, zonder dat ze er intrest voor moesten betalen.

Na de oorlog verdubbelde Pannecoucke zijn smokkelactiviteiten, maar die werden langzamerhand minder lucratief. Hij zag zich genoodzaakt om zijn horizon te verbreden. Voorlopig ging hij verder met zijn vertrouwde activiteiten. In de nacht van 2 december 1946 liep het echter mis toen hij met zijn vrachtwagen vol smokkelwaar door Harelbeke reed. Een onvoorzichtige fietser kruiste zijn pad, waarop Pannecoucke hem aanreed. De smokkelaar stopte wat verder, zag dat de fietser overleden was en legde het lichaam in een gracht. Toen ging hij er vandoor. Een getuige had evenwel Pannecoucke herkend en gaf hem aan bij de politie.

Gevolg was dat Pannecoucke nationaal werd geseind, ook in Frankrijk waar hij tevoren al gezocht werd door de autoriteiten. Hij dook onder. Het illegale tweede leven van de Deerlijkse cafébaas kwam aan het licht. Het werd nu algemeen bekend wat Pannecoucke ’s nachts in het schild voerde. Zijn vrouw en enkele van zijn dochters hielden het café verder open. Er bleef steeds veel volk over de vloer komen; velen waren dan ook nieuwsgierig naar nieuws over Pannecoucke.

Berovingen Met dit ongeval begon het gangsterleven voor Pannecoucke pas echt; noodgedwongen leefde hij van de ene misdaad naar de andere. In de streek gebeurden ’s avonds laat regelmatig overvallen op eenzame fietsers. Bepaalde huizen kregen een inbreker over de vloer die de verraste bewoners in hun slaapkamer geld afperste. Deze feiten werden toegeschreven aan Pannecoucke.

Op een zondagmiddag einde juli 1948 verscheen hij plots in Deerlijk. De straten in het centrum van de gemeente waren afgezet voor de jaarlijkse ommegang toen hij zich onder het publiek begaf. Hij trok naar zijn café waar iedereen met verstomming stond. Pannecoucke durfde zich tonen net op het moment dat hij bij verstek door de rechtbank van Kortrijk tot twee jaar cel was veroordeeld. Hij wilde absoluut nog eens zijn stervende zoontje zien. Nadien verdween hij even vlug als hij gekomen was. Niemand had Pannecoucke durven verklikken.

Nadien gingen alle remmen los bij Pannecoucke. Hij richtte een bende op en in de daaropvolgende jaren volgde een golf van diefstallen, overvallen en plunderingen te Desselgem, Etikhove, Herfelingen, Herzele, Houdeng-Goegnies, Lessines, Lokeren, Naast, Ninove, Oudenaarde, Ronse, Thoricourt, Waregem, Zwevegem enz. Diefstal van auto's, fietsen en zelfs vee of het zwaardere werk zoals gewapende overvallen op treinen,Guy Prieels heeft het in zijn misdaadroman (zie de bibliografie) nog over een spectaculaire overval op een posttrein aan de ‘Luipaardstatie’ van Heule. Daarbij zouden waardepapieren en twee zakken cash gestolen zijn, elk ter waarde van 250.000 frank (6.198 euro). Er heeft echter nooit een station met die naam bestaan in Heule. postkantoren, bedrijven en particulieren, Pannecoucke draaide er zijn hand niet voor om. In Chièvres maakte hij 42.000 frank (1.041 euro) buit, in La Louvière bijna 300.000 frank (7.437 euro) en bij de Cimenteries d’Obourg bijna 400.000 frank (9.916 euro).

In 1950 werd de bende opgerold, maar Pannecoucke ontsprong de dans. Hij bleef misdaden plegen en was de politie telkens te slim af. Velen begonnen sympathie te vertonen voor de ongrijpbare crimineel. Op 8 juli 1950 werd hij door de Boetstraffelijke rechtbank van Mons bij verstek veroordeeld tot een celstraf van 18 jaar en 500 frank (12,40 euro) boete. Ook werd hij veroordeeld voor het dragen van wapens.

Op 16 maart 1951 zou Pannecoucke in de streek van La Louvière zijn grootste slag slaan. Hij had gezien dat op regelmatige tijdstippen een bestelwagen van de kolenmijn van Mariemont-Bascoup naar de bank reed om geld op te halen. Daarmee werden de lonen van de mijnwerkers uitbetaald. Lange tijd had hij het traject en de gedragingen van de begeleiders van het transport nauwkeurig gadegeslagen. Nadien rekruteerde hij nieuwe bendeleden in Denderleeuw, waar samenkomsten waren bij een van de bendeleden thuis.

Op de dag van de overval zaten vijf mannen in de bestelwagen, twee bewapend met jachtgeweren en drie met matrakken. De lading bestond uit negen zakken met in totaal 3.800.000 frank (94.200 euro). Bij aankomst in de kolenmijn reed tevens een wagen het terrein op, waar drie mannen uitsprongen. Ze waren in het bezit van een mitrailleur en twee revolvers. De mijnbedienden werden onder schot gehouden en het geld overgeladen. Nogmaals bleek hoe driest Pannecoucke te werk ging: noch hij noch zijn kompanen waren gemaskerd en de hele actie duurde amper 80 seconden. De directeur van de mijn zag vanuit zijn kantoor alles gebeuren en belde de rijkswacht. De brigadecommandant kreeg een rechtstreeks ooggetuigenverslag van de overval en stuurde onmiddellijk zijn mannen op pad. Na drie minuten waren ze ter plaatse. Pannecoucke en zijn handlangers waren er langs binnenwegen al vandoor, op weg naar hun schuiloord in Borchtlombeek. Ze stopten even om snel de valse nummerplaten van de auto weg te nemen. Ondertussen was nationaal alarm geslagen en wat verder – op een kruispunt tussen Braine-le-Comte en Lessines – moest Pannecoucke stoppen voor een rijkswachtcontrole. De gangster dacht dat hij erbij was. Toch bleef hij kalm en overhandigde de wetsdienaars papieren die op naam stonden van een Brussels industrieel. De rijkswacht liep erin en liet het voertuig vertrekken. Ze verontschuldigde zich zelfs voor het oponthoud. De luxewagen was nochtans gestolen te Kortrijk en bevatte de buit. Niettegenstaande het signalement van Pannecoucke overal in het land was doorgegeven, glipte hij weer door de mazen van het net. Bij een van de bendeleden thuis werd het geld vlug verdeeld en verstopt, onder meer in schuren. Een bendelid verstopte zijn deel zelfs onder een stenen drinkbak in een weide aan de Dender.

Pannecoucke bleef zich schuilhouden in het Pajottenland. Hij liet er zich doorgaan als ‘meneer Jules’ of ‘monsieur Jules’, een rijke industrieel uit Kortrijk. Zo kon hij zijn spilzucht rechtvaardigen.

Arrestatie en veroordelingen