François Tack, ook wel Tak of Tacq (Den Haag, 29 mei 1649 - Kartasoera, 8 februari 1686) was een militair in dienst van de VOC. Hij nam deel aan diverse militaire expedities in India, Sumatra en Java, en leidde in 1686 een diplomatieke missie naar het hof van het sultanaat Mataram in Kartasoera, waar hij vermoord werd.
St.Thomé. Het Perzisch Eskader. François Tack werd op 29 mei 1649 geboren in Den Haag als zoon van Gerrit Tack en Susanna de Sweerts. Over zijn jeugd is verder niets bekend. In 1672 arriveerde hij als militair in Batavia, het hoofdkwartier van de VOC in Azië, in de rang van vaandrig. Militairen vormden in de VOC geen aparte krijgsmacht maar waren geïntegreerd in de organisatie. Ze waren bedoeld voor oorlog te land, meestal de verovering en verdediging van forten. De troepen bestonden zowel uit Europese als inheemse soldaten. Al op 19 juli werd Tack bevorderd tot provisioneel luitenant om deel te nemen aan de militie van de vloot van de gouverneur van Ceylon Rijcklof van Goens, die het Franse Perzisch Eskader moest bestrijden. Deze oorlogsvloot probeerde een basis voor de Franse Oost-Indische Compagnie te vestigen in Ceylon, maar week daarna uit naar St.Thomé op de Coromandelkust van India. In deze havenstad van het sultanaat Golkonda bevond zich een door de Portugezen verlaten vesting. Toen bekend werd dat in Europa oorlog was uitgebroken tussen de Republiek en Frankrijk werden de Fransen hier vanaf juni 1673 belegerd door de vloot van Van Goens vanuit zee en een leger van Golkonda vanaf land. Tacks rang werd hier provisioneel kapitein en hij kreeg het bevel over een brigade. Toen de Fransen zich in september 1674 overgaven aan de gouverneur van Coromandel Anthony PaviljoenAnthonie Paviljoen kwam in 1643 als jong assistent naar Batavia en klom daarna op tot koopman in Golkonda en in 1658 tot opperhoofd van Masulipatnam aan de Coromandelkust. Een jaar later werd hij daar secunde (vicegouverneur). Van 1659 tot 1666 was hij commandeur van Jaffna, en daarna tot 1676 gouverneur van Coromandel. Daarna was hij lid van de Raad van Indië, tot hij in april 1678 met enkele anderen van de oude garde door de Heren XVII werd ontslagen, niet om hen 'enige kleinigheid of oneer aan te doen'. Hij stierf in oktober 1685 in Batavia. (Van Goens was al vertrokken naar Batavia) was Tack een van de ondertekenaars van het capitulatieverdrag. Terug in Batavia werd op 30 april 1675 zijn rang van kapitein definitief bevestigd. In oktober van dat jaar werd hij er ook commissaris 'der huwelyxe en cleene saaken'. Op 12 september trouwde hij met Margaretha van Hoorn, geboren in 1655 in Amsterdam en op 8-jarige leeftijd met haar vader Pieter van Hoorn, haar moeder en vier broertjes en zusjes naar Batavia gekomen. Pieter van Hoorn was nu lid van de Raad van Indië. Haar twee jaar oudere broer Joan van Hoorn was een rijzende ster in Batavia en zou in 1701 gouverneur-generaal worden.
De Troenajaya-opstand in Mataram miniatuur|Java op een kaart van ca. 1700. Tacks bekendste wapenfeit is het bemachtigen van de door opstandelingen geroofde heilige kroon van Majapahit in Kediri, en de teruggave ervan aan de rechtmatige eigenaar, de soesoehoenan Amangkoerat II.
In Mataram op Midden-Java werd de despotische oude Amangkoerat I vanaf 1676 bedreigd door opstanden van meerdere partijen, waaronder zwervende groepen Makassaren die de kusten van Oost-Java onveilig maakten en zich aansloten bij prins Troenajaya op het eiland Madoera. Deze wilde wraak nemen op Mataram vanwege de verwoesting van Madoera door Agoeng de Grote in 1624. Amangkoerat riep daarop de hulp in van de VOC, die in Japara aan de kust een loge met een kleine bezetting had. In augustus en september 1676 nam Tack deel aan een expeditie onder majoor Christiaan PoolmanChristiaan Poolman, ook wel Poleman, was als provisioneel luitenant betrokken bij de verovering van Jaffna op Ceylon door Rijcklof van Goens in 1658 en werd in maart 1659 in Batavia luitenant. Tussen 1661 en 1663 diende hij weer onder Van Goens bij de verovering van Malabar, waarbij hij tot kapitein werd bevorderd. Daarna was hij hoofd van de militie op de vloot van Balthasar Bort naar China die de onderkoning van Fuzhou, Geng Jimao, hielp Amoy en Quemoy te veroveren. Daarna volgde een expeditie naar Sumatra, en kort daarop ging hij met Cornelis Speelman als hoofd der militairen naar Celebes, waar de sultan Hasanuddin van Makassar (Gowa) met hulp van de radja Aroe Palakka van Boni verslagen werd, wat leidde tot het Verdrag van Bongaja. In 1667 was hij terug in Batavia, waar hij twee jaar later tot sergeant-majoor werd bevorderd (de hoogste militaire rang bij de VOC) en lid van de Raad van Justitie werd. In 1676 streed hij in Oost-Java tegen Makassaren die Mataram bedreigden. Na een kort tijd in Batavia vertrok hij in december 1678 naar Soerabaja en verving daar Anthony Hurdt, die ziek van de veldtocht naar Kediri was teruggekeerd. In juli 1679 overleed hij in Soerabaja. om Mataram te helpen. Hij had het bevel over een van de drie compagnieën van 120 man sterk.De andere twee stonden onder bevel van de kapiteins Abraham van Renesse en Jan Albert Sloot. De Makassaren werden het binnenland ingejaagd en hun basis in de kustplaats Demung werd vernield. De troepen van Troenajaya, aangevuld met de Makassaren, slaagden er vervolgens in bij Gegodog het leger van Mataram te verslaan, waarna zij het hele kustgebied in handen kregen met uitzondering van Japara. Dit was het begin van wat bekend zou worden als de Troenajaya-opstand. links|miniatuur|De veldtocht naar Kediri in 1678. Eind december trok de raad van Indië Cornelis Speelman met zo'n 1200 man vanuit Batavia naar Japara en nam van daaruit Soerabaja in, het kamp van de opstandelingen, die zich toen terugtrokken naar de oude stad Kediri in het binnenland. Toen Speelman eerst naar Madoera overstak om Troenajaya's basis te veroveren, trok Troenajaya naar Amangkoerats hoofdstad PleredAmangkoerat I had hier een nieuwe kraton laten bouwen, niet ver van sultan Agungs Karta. en plunderde die, waarbij sieraden uit de tijd van het rijk van Majapahit mee naar Kediri werden genomen. Amangkoerat zelf was met zijn oudste zoon Adipati Anom en enkele getrouwen ontkomen, maar stierf op de vlucht naar de kust. Adipati Anom volgde hem op als Amangkoerat II, terwijl in het verwoeste Plered zijn jongere broer was verschenen, Pangeran Poeger, die ook aanspraak op de troon maakte. miniatuur|Amangkoerat vermoordt Troenajaya. Javaanse schildering van rond 1900. Intussen werd in januari 1678 Speelman teruggeroepen naar Batavia om daar directeur-generaal te worden onder de nieuwe gouverneur-generaal Van Goens. Het viel toen aan de raad van Indië Anthonio HurdtHurdt was in 1661 koopman en secunde (tweede man) op Banda. In 1664 hoofd van het kantoor in Banjarmasin op Borneo en daarna van dat in Timor. In 1666 gouverneur van Banda en in 1672 gouverneur van Ambon. In 1678 werd hij lid van de Raad van Indië. In die jaren was hij bevelhebber van de veldtocht naar Kediri tijdens de Trunajaya-opstand. Toen in 1684 zowel gouverneur-generaal Speelman als directeur-generaal Balthasar Bort op dezelfde avond overleden werd per geheime stemming in de Raad Johannes Camphuys gekozen als opvolger van Speelman en Hurdt als opvolger van Bort. Hurdt, die op meer had gerekend, werkte Camphuys daarna regelmatig tegen en werd waarschijnlijk om die reden eind 1687 door de Heren XVII ontslagen., met als tweede man Isaac de Saint-Martin, om samen met de troepen van Amangkoerat II de strijd voort te zetten in het binnenland van Java, voor het eerst in de geschiedenis van de VOC. In augustus trokken zij met 2250 man, waarvan twee derde Europeanen, vanaf de kust te paard en te voet in drie kolonnes op naar Kediri. De rechter kolonne, vanuit Semarang, werd geleid door Tack.Hurdt, De Saint-Martin en Amangkoerat II met zijn Mataramse soldaten vertrokken met de middelste kolonne vanuit Japara. De linkerkolonne, onder de kapiteins Muller en Van Renesse, vertrokken vanuit Rembang. Na een lange tocht door de jungle en over de bergen, met veel verliezen door zowel gevechten als ziekte en ontbering, lukte het in de nacht van 17 op 18 november om de snelstromende Kali Brantas rivier vlak bij Kediri met geblindeerde prauwen over te steken, waarbij Tack als eerste aan de overkant was. Op de 25e werd Kediri ingenomen, maar Troenajaya kon ontsnappen.'T plunderen ging door heel Kediri, waarin de Javanen betoonden dappere meesters te zyn, verzuimende hierdoor de occasie van den vlugtenden Troenadjaja te vervolgen en na te jagen, gelyk zy tevoren beloofd hadden.' - In: J.K.J. De Jonge (1873), De Opkomst van het Nederlandsch Gezag in Oost-Indië. Zevende Deel. Martinus Nijhoff. Tack spoorde enkele uit Plered gestolen rijkssieraden op, waaronder de heilige kroon van Majapahit, de makoeta, die op 27 november door Hurdt plechtig overhandigd werd aan Amangkoerat II.Antonie Hurdt, superintendent en admiraal, aan de Raad van Indië, 30 november 1678: 'Tot groot geluk voor den Soesoehoenan,quam de Keyserlyke Madjapaitse kroon, wegende ruym 80 Spaense realen swaar, ongeschonden in handen van Captn. Tak te vervallen, die andersints veelligt gepletterd zoude zyn geworden, hebbende de Admiraal aan gen. Capit. Tak, toesegginge gedaan, van hierover in zyn faveur aan UEdelh. notitie te doen en te versoeken, dat hy daarvoor mag werden gerecompenseerd, welke kroon Syn E. verleden Zondag op 27 courant na de dankpredikatie, aan den Soesoehoenan Aman Coerat Sinnepaty Ingalaga, present alle zyne mantris onder het lossen van drie chergies musquetten en eenige canonschoten, publiek op den Alon Alon overgeleverd heeft, die deselve ook beleefdelyk ontfing en by provisie op zyn hoofd zette'. - In: J.K.J. De Jonge (1873), De Opkomst van het Nederlandsch Gezag in Oost-Indië. Zevende Deel. Martinus Nijhoff. Tack werd hiervoor in juni 1679 door de Raad van Indië 1000 rijksdaalders toegekend uit de tolopbrengsten van de Mataramse havens. Niet alle Javanen waren echter blij met deze gang van zaken, aangezien de kroon niet aangeraakt had mogen worden door een ongelovige. Later zouden diverse fabels de ronde gaan doen, zoals dat Tack een edelsteen uit de kroon had gestolen, de kroon op zijn eigen hoofd had gezet, of de 1000 rijksdaalders van de soesoehoenan had opgeëist.