De laatste dagen van de mensheid (Duits: Die letzten Tage der Menschheit) is een toneelstuk van de Oostenrijkse auteur Karl Kraus, dat in 1918 en 1919 in afleveringen in diens tijdschrift Die Fackel gepubliceerd werd. Het is zowel een treurspel als een satire op het militarisme en ontstond tijdens de Eerste Wereldoorlog aan de hand van krantenartikels, ambtelijke publicaties en afgeluisterde gesprekken, die op groteske wijze worden uitvergroot en gepersifleerd.
Dit werk was oorspronkelijk niet voor het theater bedoeld; een volledige dramatische opvoering zou ongeveer tien avonden duren en het stuk bevat uiterst ingewikkelde regieaanwijzingen voor honderden acteurs en dieren, die in de praktijk niet op een bühne realiseerbaar zijn. Kraus beschouwde Die letzten Tage der Menschheit als voorleesstuk, waaruit hij tijdens de jaren twintig scènes onder pianobegeleiding voordroeg. In zijn voorwoord omschrijft hij het werk als een toneelstuk voor een theater op Mars, aangezien een aards theaterpubliek er niet tegen bestand zou zijn.Karl Kraus (1986), Die letzten Tage der Menschheit. Frankfurt am Main: Suhrkamp, blz. 9, De epiloog werd op 4 februari 1923 voor het eerst als toneelstuk opgevoerd.Kraus, blz. 783. In 1964 werd tijdens de Wiener Festwochen een eerste volwaardige theaterversie van de hand van Heinrich Fischer en Leopold Lindtberg ten tonele gebracht. Die letzten Tage der Menschheit is Kraus' bekendste werk en werd in meerdere talen vertaald.
Samenvatting thumb|Opvoering uit 2014 Een rode draad door het stuk zijn de gesprekken tussen de zeurpiet (der Nörgler) en de optimist. Deze optimist is iemand die gelooft dat de oorlog ondanks alle tegenspoed zin heeft en gerechtvaardigd is; hij poogt overal de goede kant van te zien en denkt dat de oorlogspropaganda in wezen betrouwbare informatie bevat. Zijn gesprekspartner, die veel weg heeft van Karl Kraus zelf en zich in het vijfde bedrijf als de auteur van het stuk te kennen geeft, beschouwt deze wereldoorlog als een opportunistische poging van de gegoede klassen om hun rijkdom uit te breiden en daartoe de stompzinnigheid van de gewone burger uit te buiten. Vaderlandslievendheid is voor hem niets dan huichelarij.
Andere terugkerende personages zijn onder meer een drietal oliedomme officiers, 'de patriot en de krantengeabonneerde' die in holle frasen praten, Frans Jozef I van Oostenrijk en Wilhelm II van Duitsland en een woekerende Weense fiakerkoetsier. Verschillende schrijvers, journalisten en dichters komen in het stuk voor: Alfred Kerr, Ottokar Kernstock en Alice Schalek spelen een rol als verheerlijkers van de oorlog. De destijds beroemde toneelschrijver Hans Müller praat in absurd-literaire, archaïserende volzinnen. Andere figuren zijn soldaten en officieren aan allerlei fronten. Voorts bevat het stuk dialogen voor talrijke dieren.
Voorspel Scènes op de Ringstraße en in Weense koffiehuizen. Frans Ferdinand van Oostenrijk-Este is vermoord in Sarajevo. Leden van de hogere en lagere adel lopen elkaar overhoop om een zo prominent mogelijke plaats op de begrafenis te bemachtigen. Het voorspel bestaat uit tien scènes.
Eerste bedrijf De oorlog is begonnen. Journalisten beschrijven de stemming in Wenen. Eerste gesprek tussen de zeurpiet en de optimist. Een meute vernielt de winkel van een Serviër. Twee taalactivisten kleven papierstroken over de namen van handelszaken en hotels met buitenlandse namen: Café Westminster moet Café Westmünster worden. Deze taalactivisten praten zelf een grotesk soort Duits dat vrijwel uitsluitend uit leenwoorden bestaat.Kraus, blz. 101.
Leraar Zehetbauer brengt zijn klas de beginselen van het patriottisme bij. De kinderen zingen een lied over de voordelen van het vreemdelingenverkeer. De ministerraad vergadert in een café en babbelt gemoedelijk voor zich heen, vol oppervlakkigheden. Lang gesprek tussen de patriot en de krantengeabonneerde, die grotendeels langs elkaar heen praten en herhalen wat ze in kranten gelezen hebben. Actrice Elfriede Ritter, net terug van een geslaagde tournee in Rusland, wordt geïnterviewd; de journalisten verdraaien haar woorden derwijze dat het lijkt alsof ze er een helse beproeving op heeft zitten. Scènes aan het front, waar een officier een postkaartje naar zijn stamkroeg stuurt. Hermann Bahr schrijft in de krant een open brief aan Hugo von Hofmannsthal, in de waan verkerend dat die zich aan het front bevindt, terwijl hij in werkelijkheid een comfortabel postje op het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft. Een cynicus leest de brief voor aan Hofmannsthal, die zich doodschaamt. Aan een frontpost in de Boekovina praten twee Oberleutnants nonchalant over Poolse hoeren en executies. Oorlogsfotografen maken kiekjes van soldaten. Ludwig Ganghofer zingt een lied en ontvangt keizer Frans Jozef, die hem zeer bewondert. Ze poseren voor een foto.
De speculant en de realiteitenbezitter discussiëren over Karl Kraus, die reeds lang niets meer van zich heeft laten horen. Hans Müller komt uit een openbaar toilet, kust een Duitse soldaat omdat Bismarck dat ooit gezegd heeft en ontsteekt in een potsierlijk literaire panegyriek vol ouderwetse zinswendingen en vergezochte woordenschat. Aan het zuidwestelijke front wordt Alice Schalek met veel egards ontvangen. Lange gedachtewisseling tussen de zeurpiet en de optimist: de zeurpiet ziet zijn angstdroom in vervulling gaan, waarin de gehele Oostenrijkse cultuur door retoriek en winstbejag wordt uitgehold. Het eerste bedrijf eindigt na 30 scènes.
Tweede bedrijf De Ringstraße loopt vol vluchtelingen, woekeraars en sjacheraars, alsook achtergebleven burgers die zich uit de dienstplicht hebben vrijgekocht. De samenwerking tussen Oostenrijk-Hongarije en het Duitse Keizerrijk wordt geïntensiveerd. „Gott strafe England!” wordt een populaire slogan. Inhoudloos gewauwel van de patriot en de krantengeabonneerde. Alice Schalek is weer aan het front en wil dolgraag eens met een kanon schieten; ze amuseert zich daarbij kostelijk. Opnieuw een lang gesprek tussen de zeurpiet en de optimist: de teneur van dit gesprek is dat de Duitse taal bezoedeld wordt door militarisme. De zeurpiet doet zijn beklag over al die dichters en dramaturgen die de oorlog hersenloos bewieroken en moedwillig de ogen sluiten voor de ellende die erachter schuilgaat. Hij openbaart zijn gesprekspartner dat een groot deel van de wapens in Amerika door Duitsers geproduceerd wordt, waardoor de centrale mogendheden de slachtpartij op hun eigen soldaten financieren. De Lusitania wordt zonder waarschuwing getorpedeerd, wat in Berlijn als een heroïsch wapenfeit gevierd wordt; ook de optimist is het ermee eens dat dit smakeloos is. In de kranten verschijnen ontelbare, flauwe parodieën op Wandrers Nachtlied.Kraus, blz. 266.
Een zekere Von Dreckwitz vertelt over zijn 'jachtpartijtje' in België en Polen. Alexander Roda Roda zingt een lied waarin hij de oorlog en vooral zichzelf verheerlijkt. Burgerlijke vrouwen uit verschillende vrijwilligersorganisaties raken slaags met elkaar. In Belgrado brengt Alice Schalek verslag uit van de verovering van de stad en is gechoqueerd door de arrogante gastvrijheid van de plaatselijke vrouwen, die de onbeschaamdheid hebben haar een compote aan te bieden. Een oude vrouw in een voorstad is verontwaardigd over het lot van twee uitgemergelde, verzwakte honden die een kar moeten trekken. De Oberleutnant beschouwt dit als een belediging van het leger. Een jongetje in een voorstadswoning is halfdood geslagen omdat het een warm ontbijt wilde hebben.
Er volgt een nieuw gesprek tussen de patriot en de krantengeabonneerde. Aartshertog Frederik van Oostenrijk kijkt in een bioscoopzaal naar een film over de 305mm Motormörser en zegt na iedere inslag „Bumsti!”. Deze film wordt gedurende anderhalf uur veertienmaal herhaald. De zeurpiet en de optimist discussiëren opnieuw: fabrieksarbeiders die te veel hun mond opendoen, worden voortaan zonder pardon naar het front gestuurd. De naïeve optimist is sprakeloos. Schalek gaat door met het interviewen van soldaten; een luitenant-ter-zee heeft Venetië gebombardeerd, wat ze heel moedig vindt. Echtelijke ruzie tussen Hofrat Schwarz-Gelber en zijn vrouw; hij spant zich niet genoeg in om zich onder de high society te mengen. Het tweede bedrijf telt 33 scènes.
Derde bedrijf thumb|Citaat op eem muur in Wenen Ook het derde bedrijf begint op de Ringstraße. Twee lezers van de Reichspost loven de positieve kanten van de oorlog, terwijl twee oude geabonneerden op de Neue Freie Presse een banaliteit bespreken. Twee wijsbegeertestudenten in Jena spreken over Reinhard Scheer, die een eredoctoraat heeft gekregen. In de volgende scène beukt een Pruisische militair in het Roemeense Hermanstad op de deur van een boekenwinkel: „Wij Duitsers hongeren naar boeken!”
In het oorlogsarchief zitten enkele dichters, onder wie Hans Müller. De hopman vraagt hem om nu eens in detail te vertellen wat hij eigenlijk aan het front gedaan heeft. Müller, die nooit aan het front was en zijn krijgshaftige verhalen vanuit Wenen schreef, valt haast door de mand en redt zich met een tranerig relaas over een ontmoeting met de keizer van Oostenrijk. Hij wordt desondanks uit het archief ontslagen, daar de keizer hem als te waardevol voor militaire dienst beschouwt.
In zijn Berlijnse laboratorium stelt de chemicus Max Delbrück zijn nieuwe procedé voor om gist voor levensmiddelen uit ureum te winnen. De zeurpiet vergelijkt de Oostenrijkse expansiedrang met die van de antieke Hebreeën, met als verschil dat laatstgenoemden tenminste nog het gebod „Gij zult niet doden” in het achterhoofd hielden. In drie protestantse kerken en een bedevaartskerk wordt opgeroepen om de oorlog te versterken. In een moskee in Constantinopel lachen twee Duitse toeristen en maken grappen. Alfred Kerr schrijft in Berlijn een onnozel hekeldichtje over de Roemenen. Twee vereerders van Ottokar Kernstock bespieden hem in zijn boshut in de Steiermark. Alice Schalek vertelt over een gezellige picknick aan het front. De zeurpiet houdt een lezing in Wenen. De patriot en de krantengeabonneerde praten over het gerucht dat 10 Downing Street geen badkamer heeft en dat David Lloyd George zich dus logischerwijze in openbare badhuizen moet wassen. Twee handelsreizigers in een treincoupé prijzen elkaar hun waren aan met de oorlogsgedichten die erbij zijn afgedrukt.
Scène 40 speelt zich af in Groß-Salze, waar de Kommerzienrat Ottomar Wilhelm Wahnschaffe een lied zingt over hoe geweldig het is een Duitser te zijn. De bijbehorende wijs is bij deze scène afgedrukt en werd naderhand als de Barbaarse melodie bekend. Aan het eind van ieder couplet hoort een koor dat het gelach van het buitenland voorstelt. Na het lied vertelt mevrouw Wahnschaffe over haar kinderen, die met veel plezier wereldoorlogje spelen. Ze is alleen teleurgesteld dat haar ene kind een meisje is en haar andere nog te jong is om voor het vaderland te kunnen sneuvelen. In de rest van de scène treden diverse kleuters en peuters op die over de militaire strategie en oorlogsfinanciering discussiëren. Dit wordt wederom gevolgd door een gesprek tussen de zeurpiet en de optimist, waarin de zeurpiet zijn walging over persfoto’s van lijken en slagvelden uitdrukt. Tijdens een drinkgelag praten regimentsartsen over mogelijkheden om verwonde soldaten zo snel mogelijk weer naar het front te sturen. Het bedrijf eindigt met scène 46, waarin de zeurpiet in de regen op een verlaten straat een gedicht voordraagt.
Vierde bedrijf