De Spaanse parlementsverkiezingen van 2023 werden gehouden op 23 juli, nadat premier Pedro Sánchez de Cortes Generales had ontbonden op 29 mei. De verkiezingen vonden hierdoor vier maanden eerder plaats dan als de regering de termijn normaal af had gemaakt. Deze verkiezingen betekenden het einde van de 14e legislatuurperiode en bepalen de samenstelling van de Cortes voor de 15e legislatuur.
De organisatie en het verloop van parlementsverkiezingen in Spanje is geregeld in de grondwet van dat land.
Aanloop tot de verkiezingen De verkiezingen op 23 juli 2023 kwamen aan het eind van de 14e legislatuurperiode, waarin de socialistische partij PSOE onder Pedro Sánchez in een coalitie regeerde met Unidas Podemos. De 14e legislatuurperiode was een gecompliceerde periode, met de lockdowns van de coronapandemie, de oorlog in Oekraïne en de economische problemen die het resultaat waren van deze gebeurtenissen. De coalitieregering wist het land echter relatief goed door deze problemen te loodsen, en zag daarbij zelfs de mogelijkheid om maatregelen te nemen als bijvoorbeeld het verhogen van het minimumloon en de staatspensioenen. Ook wordt de periode afgesloten met de laagste werkeloosheidscijfers sinds de economische crisis van 2008. Desalniettemin verloor de PSOE flink in de gemeenteraads- en regionale verkiezingen van 28 mei 2023, waarop Sánchez de beslissing nam de Cortes Generales te ontbinden.
In de periode tussen het uitschrijven van de verkiezingen en de eigenlijke verkiezingen, kwamen er in meerdere gemeentes en regio's coalitiebesturen met de conservatieve PP en het extreemrechtse VOX aan de macht. In deze gemeentes en regio's werd meteen na het aan de macht komen van deze coalities een aantal omstreden besluiten genomen, zoals het verwijderen van regenboogvlaggen van gevels van gemeentehuizen tijdens de Gay Pride, het opheffen van instellingen die werken aan gendergelijkheid of het verbieden van de vertoning van de kinderfilm Lightyear en een aantal toneelstukken. Deze gebeurtenissen zijn in de verkiezingscampagnes door de linkse partijen gebruikt om stemmers naar zich toe te trekken.
Omdat de verkiezingen midden in de zomer plaatsvonden, terwijl miljoenen Spanjaarden al op vakantie waren, en omdat er in Spanje wettelijk gezien in de eigen woonplaats gestemd moet worden, werd een recordaantal stemmen per post uitgebracht.
Uit een opiniepeiling voor de verkiezingen bleek dat de economie het grootste zorgpunt van de Spanjaarden was, gevolgd door werkeloosheid en gezondheidszorg.
Partijen, kandidaten en programma's thumb|links|135px|Pedro Sánchez, PSOE thumb|links|135px|Alberto Feijoo, PP thumb|links|135px|Yolanda Díaz, Sumar thumb|links|135px|Santiago Abascal, Vox Het is gebruikelijk dat elke partij de eerste persoon op de kieslijst in het Kiesdistrict Madrid kandidaat stelt voor het premierschap. Regionaal-nationalistische partijen, die niet genoeg zetels zullen gaan halen om serieuze kanshebbers te zijn om de premier te leveren, schuiven gezamenlijk hun kartelleider naar voren als hoofdkandidaat. Regionale, provinciale en lokale media volgen voornamelijk de activiteiten en de uitgezette strategische koersen van de serieuze kandidaten voor de rol van toekomstig premier, tezamen met de leidende kandidaten in de elk van de kiesdistricten, die overeenkomen met de provincies.
Omdat er in Spanje op het moment van deze verkiezingen in 2023 geen partijen in het centrum van het politieke spectrum bestonden, stonden er effectief twee blokken tegenover elkaar. Aan de progressieve kant was dat het blok van de PSOE en Sumar, en aan de rechterkant eas dat het blok met de PP en Vox.
PSOE De sociaaldemocratische PSOE was sinds de 2018 aan de macht onder leiding van Pedro Sánchez, tijdens de 14e legislatuurperiode, in een coalitie met Unidas Podemos. Sánchez was aan de macht gekomen na een motie van wantrouwen tegen zijn voorganger Mariano Rajoy. In april 2019 werd dit in parlementsverkiezingen bevestigd en in november 2019 nogmaals, omdat Sánchez er niet in was geslaagd bij de verkiezingen in april een meerderheid van de Cortes Generales achter zich te krijgen.
Hoewel zijn coalitieregering het land economisch relatief goed door de coronacrisis en de economische gevolgen van de Russische invasie van Oekraïne sinds 2022 wist te leiden, kreeg de PSOE tijdens de gemeentelijke en regionale verkiezingen van mei 2023 de rekening gepresenteerd van een aantal slordigheden en negatieve omstandigheden. Noemenswaardig was daarbij het invoeren van de ley sí es sí (de "ja is ja wet"), die alle situaties waarin een persoon niet expliciet toestemming geeft voor seksuele handelingen als misbruik of verkrachting wordt gezien (en er dus niet langer expliciet "nee" hoeft te worden gezegd). In deze wet is de minimale strafmaat voor misbruik verlaagd omdat er meer handelingen als misbruik aan worden gemerkt. Ongewenst gevolg daarvan was dat een aantal voor misbruik en verkrachting veroordeelde mannen vervroegd in vrijheid werd gesteld.
Daarnaast moest Sánchez tijdens zijn regering noodgedwongen steun zoeken bij Catalaanse en Baskische separatistische partijen, omdat zijn coalitie met Unidas Podemos op zich geen meerderheid had in het congres. Vooral de steun die hij nodig had van EH Bildu is hem daarbij zwaar komen te staan. Deze partij wordt gezien als opvolger van Batasuna, de politieke tak van toenmalige terreurorganisatie ETA. Maar ook zijn overeenkomsten met de Catalaanse separatisten werd hem door tegenstanders aangewreven.
Daags na de desastreus verlopen lokale en regionale verkiezingen in mei, schreef Sánchez parlementsverkiezingen uit voor 23 juli. Zijn campagne voor deze verkiezingen hinkte op twee gedachten. In de eerste plaats verdedigde hij de goede economische cijfers in vergelijking met andere landen in de eurozone en in vergelijking met de situatie voor de coronacrisis. In de tweede plaats verwees hij regelmatig naar de coalitie die de rechtse PP met het extreemrechtse VOX aan is gegaan in meerdere gemeentes en regio's van Spanje na de verkiezingen in mei, en de omstreden besluiten die op een aantal van die plekken door werden gevoerd. Sánchez waarschuwde de kiezer ervoor dat als er een rechtse coalitie van PP en Vox aan de macht komt, de klok 50 jaar terug zou worden gezet.
PP De conservatieve PP onder leiding van Alberto Feijóo ging de verkiezingen in als favoriet. De corruptie in de partij, reden voor de val van de laatste regering van Mariano Rajoy in 2018, leek daarbij weer te zijn vergeten door de kiezer. Feijóo kwam aan de leiding van de partij nadat tussenpaus Pablo Casado zonder veel ceremonieel aan de kant was geschoven. Feijóo legde daarvoor het presidentschap van de regio Galicië neer, waar hij sinds 2009 regionaal president was geweest.
Het belangrijkste argument van de PP in aanloop naar de parlementsverkiezingen was dat ze het "sanchisme" op zouden schorten. Ze verweten Sánchez hier vooral mee te besturen op een zelfingenomen, opportunistische en chaotische manier, waarin hij vaak van mening zou wisselen. Feijóo beloofde Spanje weer onder een vlag te brengen, en niet zijn oren te laten hangen naar de zogenaamde vijanden van Spanje. Daarmee doelde hij op de Catalaanse en Baskische partijen waar de regering Sánchez deels op moest terugvallen om voldoende steun te hebben. De PP stelde dat Sánchez dit deed uit persoonlijk belang, om maar geen afstand te hoeven doen van de macht. Verder verweten ze Sánchez zijn nieuwe sociale wetgeving te betalen uit de zakken van de belastingbetaler en de staatsschuld te veel op te laten lopen. Verder had de PP voorop staan een aantal wetten die doorgevoerd waren door Sánchez terug te willen draaien, met name op het gebied van transgenders en de laatste wijzigingen aan de Ley de Memoria Histórica, die bepaalt hoe er met het franquistische verleden van Spanje om moet worden gegaan. Ten slotte wilde de PP de abortus- en euthanasiewetgeving herzien om er de in hun ogen ideologische randjes af te schaven.
Feijóo profileerde zichzelf als de gemodereerde kandidaat, in tegenstelling tot de in zijn ogen extreemlinkse regering Sánchez.
De PP heeft een agressieve campagne gevoerd, maar is daarbij directe confrontaties tussen hun leider Feijóo en Sánchez zoveel mogelijk uit de weg gegaan: Feijóo heeft slechts aan één verkiezingsdebat deelgenomen. De partij werd in de campagne door de linkse partijen verweten in een aantal regio's en gemeentes coalities te vormen met de extreemrechtse partij Vox na de verkiezingen in mei. Daarbij spraken die partijen de verwachting uit dat de PP er ook niet voor zou terugdeinzen dat op landelijk niveau te doen. Feijóo antwoordde daarop dat dit voorkomen kon worden door de kiezer en de linkse partijen zelf. Hiermee probeerde hij kiezers aan de rechtervleugel van de PSOE binnen te halen, en tegelijkertijd de PSOE en Sumar te bewegen hem een minderheidsregering te laten vormen mocht de PP bij de verkiezingen de grootste partij blijken. Dit laatste argument (de partij die wint moet ook regeren), bleek de PP zelf overigens niet consequent toe te passen, door in mei en juni regionale regeringen te vormen in coalitie met Vox, in regio's waar de PSOE meer stemmen had gehaald maar geen meerderheidsregering kon vormen.
Sumar Sumar is een lijstverbinding tussen 15 linkse partijen die zich aan de linkerkant van de PSOE bevinden. Als zodanig is het de opvolger van Unidas Podemos, die tijdens de 14e legislatuurperiode in een coalitie regeerde met de PSOE. Sumar werd aangevoerd door Yolanda Díaz, die in de regering van Sánchez tweede vice-premier en minister van arbeid en sociale economie was. Van alle partijleiders had Díaz in aanloop naar de verkiezingen volgens opiniepeilingen de hoogste waarderingscijfers.
Díaz had al ruim van tevoren aangegeven niet uit te komen voor een bestaande partij, maar zich met een nieuwe lijst aan te melden voor de verkiezingen. Omdat Sánchez de verkiezingen met 5 maanden vervroegde, stond Díaz eind mei ineens onder druk deze lijstverbinding versneld tot stand te brengen. Een van de lastigste punten was de integratie van de partij Podemos in de lijst. Meerdere andere partijen in de lijstverbinding hadden voor hun deelname voorwaarden gesteld die negatief uitpakten voor Podemos. Zo had de Valenciaanse partij Compromís bedongen dat er op de kieslijsten in de drie kiesdistricten in de regio Valencia alleen leden van de eigen partij mochten staan, en expliciet gesteld dat er geen leden van Podemos op mochten voorkomen. Ook werden een aantal kopstukken van Podemos elders uitgesloten van verkiesbare posities. Het belangrijkste voorbeeld daarvan was Irene Montero, tijdens de 14e legislatuurperiode minister van gelijkheid, en als zodanig verantwoordelijk voor de omstreden "ja is ja-wet". Wel stonden er op de lijsten van Sumar juist personen die eerder door interne problemen uit Podemos waren gestapt, zoals Íñigo Errejón.
Desalniettemin slaagde Díaz erin de belangrijkste krachten aan de linkerkant van het politieke spectrum achter zich te krijgen, en hebben de strubbelingen bij het tot stand komen van de lijstverbinding niet al te veel invloed in de opiniepeilingen.
Tijdens de campagne van Díaz liet ze de economische en sociale vooruitgangen voorop staan, die zij als minister van arbeid en sociale economie had weten te bewerkstelligen. Speerpunten hierbij waren het verhogen van het staatspensioen en het minimumloon, en het verbeteren van de rechten van werknemer. Ze vroeg aan de kiezer haar in samenwerking met de PSOE door te laten gaan met het beleid zoals dat in de vorige legislatuurperiode is ingezet. Ook stond ze een "groene agenda" voor. Daarnaast legde ze duidelijk de nadruk op de verwachte negatieve gevolgen van een coalitie tussen PP en Vox. Naar haar zeggen zou zo'n coalitie betekenen dat een groot aantal basisrechten, zoals die van de vrouw of van de LHBTI-gemeenschap terug worden gedraaid.
Vox