De ontdekkingsgeschiedenis van de neanderthaler is het proces van wetenschappelijk onderzoek waarin sinds het begin van de negentiende eeuw kennis werd verworven over de eerste uitgestorven mensensoort waarvan het bestaan bekend werd: de neanderthaler.
Vroege vondsten Engis thumb|Engis 2; schedel van een neanderthalerkind; losse bovenkaken worden apart bewaard In de zeventiende eeuw begonnen bepaalde natuurvorsers en verzamelaars van oudheden te onderkennen dat de stenen werktuigen die op sommige plekken in Europa opdoken, gebruikt waren door mensen die nog geen metaal kenden en wellicht nog voor Adam geleefd hadden. Tegen 1833 vond de Nederlander Philippe-Charles Schmerling in de Grottes Schmerling te Luik de schedel van een vijf tot zes jaar oud neanderthalerkind, specimen Engis 2. Hij begreep niet dat het om een andere soort ging dan de moderne mens, ten dele omdat het verschil bij kinderen niet heel groot is, ten dele omdat een evolutietheorie nog niet gangbaar was. De oplage van een boek waarin hij zijn ontdekkingen beschreef,Philippe Charles Schmerling, 1833, Recherches sur les ossements fossiles découverts dans les cavernes de la province de Liège, Vol. I, Liège: P.-J. Collardin werd grotendeels vernietigd zodat die weinig aandacht trokken. Pas in 1936 werd vastgesteld dat het om een neanderthaler ging. De schedel is wellicht zo'n vijfendertigduizend jaar oud.Piet Moerman. 1977. Op het spoor van de Neanderthalmens, pag. 28/29, 134/135
Gibraltar
Begin 1848 werd in de steengroeve Forbes' Quarry ten noorden van Gibraltar de schedel van een vrouwelijke neanderthaler gevonden. Na een voordracht op 3 maart 1848 voor de Scientific Society of Gibraltar door luitenant Edmund Henry Réné Flint werd het stuk opgeborgen in een kast van de Garrison Library. Ook Flint had niet in de gaten dat het een andere mensensoort betrof. In 1864 werd het stuk, sinds de vondst van een tweede schedel in 1926, aangeduid als specimen Gibraltar 1, naar Engeland gebracht om onderzocht te worden door George Busk. De vondst werd ondergebracht in de osteologische collectie van het museum van The Royal College of Surgeons of England, dat in 1941 vrijwel geheel vernietigd werd bij een Duits bombardement. Enkele nog tussen de puinhopen teruggevonden restanten van de collectie van dit museum werden verhuisd naar het British Museum (Natural History) elders in Londen, thans het Natural History Museum geheten. Aanvankelijk leek de Gibraltar-schedel zich hier niet bij te bevinden, maar deze werd later alsnog teruggevonden en geïdentificeerd. Piet Moerman. 1977. Op het spoor van de Neanderthalmens, pag. 69/71
Thomas Huxley concludeerde na het onderzoek door Busk dat het een aparte variëteit vertegenwoordigde. Dat was op dat moment al lang niet meer zo'n spectaculaire vaststelling omdat zich intussen een belangrijke theoretische en empirische vooruitgang had voorgedaan.
Evolutieleer In 1809 publiceerde Jean-Baptiste de Lamarck de eerste uitgebreide evolutietheorie.Jean-Baptiste de Lamarck, 1809, Philosophie zoologique, Dentu Deze werd echter nog algemeen afgewezen. De invloedrijke catastrofetheorie van Georges Cuvier beperkte het voorkomen van de mens en zelfs apen tot een allerlaatste scheppingsfase. Oermensen zouden dus niet bestaan hebben; hij stelde in 1812: l'homme fossile n'existe pas. Na 1830 deed de Schotse geoloog Charles Lyell vroegere ideeën van Aristoteles over een ontzaglijke ouderdom van de Aarde herleven, iets wat nu algemeen aanvaard werd.Charles Lyell, 1830-1833, Principles of Geology: Being an Attempt to Explain the Former Changes of the Earth's Surface, by Reference to Causes Now in Operation. Volumes I-III, John Murray Hij voorspelde dat apen en mensen al in het Tertiair voorkwamen, wat op veel weerstand stuitte, maar ten dele bevestigd werd door de vondst van Mesopithecus. Lyell verwierp echter al in 1827 evolutie: "De uiterste consequentie daarvan zou zijn dat de mens van de orang-oetan afstamt." In 1844 publiceerde Robert Chambers zijn Vestiges of the Natural History of Creation.Chambers, Robert, 1844, Vestiges of the Natural History of Creation, London: John Churchill Dat boek maakte de gedachte aan evolutie populair en impliceerde ook een dierlijke oorsprong van de mens. Chambers zag evolutie als een natuurwet zonder te kunnen verklaren hoe die in een organisme nu net die aanpassingen voortbracht die zijn situatie vereiste. In 1859 verschafte Charles Darwin in zijn Origin of Species daarvoor een plausibel evolutiemechanisme: natuurlijke selectie.Darwin, Charles, 1859, On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life (1st ed.), London: John Murray, 502 pp Hoewel Darwin zelf daar eerst terughoudend over was, voorspelde de evolutietheorie dat eerdere evolutiefasen van de mens gevonden zouden kunnen worden. Een belangrijke vondst had al enige jaren voor 1859 plaatsgevonden.
Het dal van Neander
In augustus 1856 wonnen twee Italiaanse arbeiders in de Kleine Feldhofer Grotte kalksteen. De locatie was gelegen in de vallei van de Düssel, een riviertje in de Rijnprovincie dat oostelijk in de Rijn uitkomt, in een kloof of dal, het Neandertal, dat vernoemd was naar de zeventiende-eeuwse dominee Joachim Neander, die de prachtige rotsformaties aldaar in verschillende hymnen bezong. Zijn aangenomen naam in het Grieks, oorspronkelijk Neumann, betekent "de nieuwe mens". Indertijd, voor de Duden-spelling van 1901, werd het als Neanderthal geschreven en die schrijfwijze wordt in veel talen, waaronder het Nederlands, nog voor de mensensoort gebruikt. De arbeiders drongen door in een opvulling van klei in de grot. Op een diepte van zestig centimeter stuitten ze daarbij op menselijke botten. Die werden met brokken klei op een puinhoop gegooid. De eigenaars van de groeve, Wilhelm Beckershoff en Friedrich Wilhelm Pieper, verzamelden kort daarop zestien stukken bot die ze aanzagen voor de resten van een holenbeer. Ze toonden de botten aan de leraar natuurlijke historie Johann Carl Fuhlrott. Het betrof een schedeldak, een rechterschouderblad, een rechtsleutelbeen, beide opperarmbeenderen, delen van de onderarmen, vijf ribben, het linkerbekken en beide dijbeenderen. Fuhlrott herkende ze meteen als menselijke resten die echter afweken van de moderne mens. Al op 4 september werd er een fantasierijk krantenartikel over geschreven dat gelezen werd door de professoren Hermann Schaaffhausen en August Franz Josef Karl Mayer in Bonn. Ze verzochten Fuhlrott hun de botten toe te zenden; die bracht ze in de winter zelf, wat al op 4 februari 1857 resulteerde in een voorlopige presentatie van een artikel door Schaaffhausen.
Op 2 juni 1857 presenteerden Fuhlrott en Schaaffhausen een artikel aan de Naturhistorischer Verein der Rheinlande und Westfalens waarin ze concludeerden dat de botten van hoge ouderdom waren en gezien de hoge wenkbrauwwallen en het lage voorhoofd, die aan mensapen deden denken, een ras van "oerinwoners" vertegenwoordigden die vóór de moderne mens het gebied bewoonden. Schaaffhausen publiceerde in 1858 een artikel,Hermann Schaaffhausen, 1858, "Zur Kenntniss der ältesten Rassenschädel", Archiv für Anatomie, Physiologie und wissenschaftliche Medicin. 1858: 453–478 Fuhlrott in 1859.Johann Carl Fuhlrott, 1859, "Menschliche Überreste aus einer Felsengrotte des Düsselthals. Ein Beitrag zur Frage über die Existenz fossiler Menschen". Verhandlungen des Naturhistorischen Vereins der preußischen Rheinlande und Westphalens 16: 131–153 Het artikel van Schaaffhausen werd in 1861 door de anatoom George Busk vertaald in het Engels.Busk, George. 1861. “On the Crania of the Most Ancient Races of Man. By Professor D. Schaaffhausen, of Bonn. (From Müller's Archive 1858, pp 453). With Remarks, and original Figures, taken from a Cast of the Neanderthal Cranium.” The Natural History Review: A Quarterly Journal of Biological Science: 155–176 Dat was belangrijk omdat maar weinig Britse geleerden het Duits machtig waren. Schaaffhausens denkbeelden zijn lastig in te passen in moderne concepten. Hij was in zoverre een evolutionist dat hij aannam dat binnen een bepaald genus vooruitgang mogelijk was. De botten uit het Neanderthal zag hij als afkomstig van oude barbaarse stammen, deel van het geslacht Homo, die uitstierven omdat ze slechter waren aangepast. Busk, die meteen een eigen commentaar aan het artikel had toegevoegd, beklemtoonde de overeenkomsten met mensapen. Dat beviel Mayer niet die in 1864 tegenwierp dat de typische schedelkam van de gorilla ontbrak. Volgens hem betrof het een ziekelijk individu dat als kind aan rachitis had geleden en wegens een misvormde elleboog zoveel pijn leed dat door een continue frons zijn wenkbrauwwallen zich verdikten. Meer in het bijzonder zou het gaan om een kozak uit het tegen Napoleon I oprukkende Russische leger die in januari 1814 stervend in een grot beschutting gezocht had.F.J.C. Mayer, 1864, "Ueber die fossilen Ueberreste eines menschlichen Schädels und Skeletes in einer Felsenhöhle des Düssel- oder Neander-Thales". Archiv für Anatomie, Physiologie und wissenschaftliche Medicin 1: 1–26 Dat werd een zeer gangbare interpretatie,Carter Blake, Charles. 1864. “On the Alleged Peculiar Characters, and Assumed Antiquity of the Human Cranium from the Neanderthal.” Journal of the Anthropological Society of London 2: cxxxiv– clvii aanvaard door de gezaghebbende anatoom Rudolf Virchow,Virchow, R. 1872, "Untersuchung des Neander-Schädels" Verhandlungen der Berliner Gesellschaft für Anthropologie, Ethnologie und Urgeschichte 4:157-165 hoewel Huxley er in 1864 op wees hoe absurd het was aan te nemen dat een zieke soldaat een zestig meter hoge helling beklom om zich naakt onder een dikke laag modder te begraven.Huxley, Thomas H. 1864. “Further Remarks upon the Human Remains from Neanderthal.” The Natural History Review 4: 429–446 Ook Huxley echter zag de resten slechts als de meest basale bekende resten van de moderne mens.Thomas H. Huxley, 1863, Evidence as to Man's Place in Nature. London. Williams & NorgatePiet Moerman. 1977. Op het spoor van de Neanderthalmens, pag. 32/39 De locatie, befaamd om haar natuurlijke schoonheid, was al in 1860 toen zij door Lyell bezocht werd, grotendeels door kalkwinning vernietigd.Lyell, Charles. 1863. Geological Evidences of the Antiquity of Man. Cambridge: Cambridge University Press In 1999 en 2000 echter werden er in het dal weer opgravingen verricht en daarbij slaagde men er toch in fossielen van neanderthalers te vinden, zelfs fragmenten die het oorspronkelijke skelet aanvulden.
Het dal waar de historische vondst in 1856 werd gedaan, is later grotendeels verdwenen door afgravingen voor kalkwinning. Een kleine expositieruimte ter plaatse die er sinds 1938 aan gewijd was, het Urgeschichtliche Museum Neandertal, werd in 1962 gemoderniseerd tot het Neandertal-Museum, dat op zijn beurt in 1996 vervangen werd door het grotere Neanderthal Museum. Dat museum is gewijd aan de menselijke evolutie en geldt tevens als monument voor de vondst, die wordt aangemerkt als een belangrijke mijlpaal in de ontwikkelingsgeschiedenis van de kennis over de prehistorische mens.
Homo neanderthalensis wordt benoemd