John Jourdain (Lyme Regis, ca. 1573 – Pattani, 27 juli 1619) was een koopman die in dienst was van de Engelse Oost-Indische Compagnie (de EIC) en van november 1613 tot aan zijn dood in 1619 hoofd van het kantoor van de EIC in Bantam op Java.
Met de Ascension naar India miniatuur|329x329px|Route van Jourdains reis in Jemen. John Jourdain was een zoon van een koopman en latere burgemeester van Lyme Regis, ook John Jourdain geheten. Deze was welgesteld en liet hem bij zijn dood in 1588 een aanzienlijke erfenis na, zodat hij al rond 1595 met een eigen schip handel dreef op Portugal en de Azoren. Toch solliciteerde hij eind 1607, als bijna 35-jarige, bij de EIC in hun kantoor in Londen. Op 4 november werd hij genoemd als mogelijke commandeur van een handelsreis of opperkoopman, en in die laatste functie werd hij op 7 december aangenomen.
Op 14 maart 1608 vertrok hij vanuit Woolwich naar Azië met het schip Ascension, dat samen met de Union de vierde schipvaart van de EIC vormde, onder leiding van de commandeur Alexander Sharpeigh. Van juli tot september verbleven de schepen aan de Kaap de Goede Hoop. Vlak daarna verloren ze elkaar bij een storm voorgoed uit het oog.De Union had een zware reis en verloor daarbij veel zeelieden. Via Zanzibar, Madagaskar en Arabië probeerde men tevergeefs Surat te bereiken. Toen dat niet lukte voer men naar Atjeh in Sumatra, waar een lading peper werd ingekocht. Op de terugreis strandde de Union door gebrek aan zeelieden op de rotsen van Bretagne. Slechts een deel van de lading kwam in Engeland aan. Na een conflict met bewoners van het eiland Pemba vlak bij Zanzibar bereikte de Ascension in januari 1609 een onbewoonde eilandengroep, die later de Seychellen bleek te zijn, volgens een bootsman 'een aards paradijs'. Verder varend langs de kust van Afrika voer de Ascension via het eilandje Socotra de Golf van Aden binnen en ankerde begin april voor het Sira-fort van Aden. De stad was in 1538 veroverd door de Turken en lag nog deels in puin. Ook groeide er 'niets groens' volgens Jourdain. De handel had zich verplaatst naar Mocha, verderop aan de kust van de Rode Zee. Jourdain en een collega reisden met de gebruikelijke introductiebrief van koning Jacobus I over land van Aden naar Sanaa, de hoofdstad van Jemen, om van de Turkse pasja goedkeuring voor een factorij in Mocha te verkrijgen. Hij kreeg slechts toestemming om er de meegebrachte handelswaren te verkopen. Voor het vestigen van een factorij was toestemming vanuit Constantinopel nodig. Jourdain zag in Jemen plantages met 'cohoo', oftewel kahwa, de koffieplant, waar echter pas rond het midden van de 17e eeuw in Europa een markt voor zou ontstaan. Naar de handelswaar van de Ascension bleek in Mocha geen vraag te zijn. Zelfs het verkopen van de ballast van het schip, voornamelijk ijzer, lukte niet. Desondanks zond Sharpeigh via Caȉro een gunstig rapport over de mogelijkheden van Mocha naar Londen. Eind juli vertrok men uit Mocha. Een maand later kwam de kust van India in zicht. Omdat de schipper, een Vlaming met de naam Philip de Grave, te koppig was om een loods in te huren liep de Ascension begin september vlak bij Surat op een zandbank en verloor het roer. In twee open boten konden de opvarenden aan land komen, waarna ze naar Surat liepen en opgevangen werden door de enige Engelse koopman daar, William Finch.
Met de Trades Increase naar Bantam miniatuur|329x329px|Route van Jourdains reis van Surat naar Agra en terug. In Surat misdroegen de zeelieden zich met palmwijn en vrouwen, en slachtten een kalf, tot woede van Hindoes, die hen dreigden te lynchen. Vervolgens ondernamen ze een tocht naar Agra, waar William Hawkins zich bevond. Hawkins en Finch waren in augustus 1608 de eerste Engelse gezanten die voet aan wal zetten in India, om te proberen een factorij te vestigen in Surat. Hawkins had toen een positie aan het hof van keizer Jehangir verworven, en toestemming gekregen voor de factorij, maar was daarna weer uit de gratie gevallen. Jourdain en Hawkins konden het niet met elkaar vinden. Na vijf vruchteloze maanden in Agra keerde Jourdain met de meeste van zijn mannen weer terug naar Surat. Hier lagen inmiddels de drie schepen van de zesde Engelse schipvaart van Sir Henry Middleton voor de kust: de Trades Increase, het grootste schip van de EIC op dat moment, en twee kleinere schepen, de Peppercorn en de Darling. Ze konden Surat echter niet bereiken vanwege patrouillerende Portugese fregatten uit Daman en Diu. Jourdain hield zich, gekleed in Indiase kledij om de Portugezen te misleiden, drie dagen verborgen in het veld, en kon toen worden opgepikt door een sloep van de Peppercorn, Het lukte de vloot om bij Suvali (door de Engelsen Swalley Hole genoemd), iets ten zuiden van Surat bij de monding van de Tapti rivier, van november tot februari enige handel te drijven met de bevolking, maar moest toen van de keizer per direct vertrekken, zonder een factorij te hebben kunnen stichten. Jourdain, Sharpeigh, de meeste bemanningsleden van de Ascension en de uit Agra gevluchte Hawkins en zijn Armeense vrouw waren aan boord van de schepen.Schipper De Grave probeerde over land naar Masulipatam te reizen maar werd ziek en overleed onderweg. In februari 1612 zeilde de vloot terug naar de Rode Zee, waar men rond april voor de haven van Mocha 15 Indiase handelsvaartuigen dwong om hun lading te ruilen voor Engelse wol, als compensatie voor de slechte behandeling in Surat. Hierover ontstond ruzie met de hier aanwezige drie schepen van de achtste schipvaart onder leiding van John Saris. Saris verweet Middleton door zijn gedrag de Engelse handel te schaden. Jourdain beklaagde zich over het gedrag van beiden, die zich volgens hem uitlieten in grove bewoordingen die niet pasten bij mannen van hun rang. In augustus 1612 vertrokken alle Engelsen naar Sumatra en vervolgens naar Bantam, hun hoofdkwartier.
Met de Darling naar de Molukken In Bantam benoemde Middleton Jourdain tot zijn opperkoopman ter plekke, maar Jourdain ging liever weer de zee op. In februari ging hij met de Darling naar de Molukken op zoek naar een lading kruidnagels. Hier kreeg hij te maken met de VOC, die er het alleenrecht op de handel claimde vanwege de grote investeringen in het bouwen van forten en het verlies van mensenlevens in de gevechten met de Spanjaarden en de Portugezen. Er waren exclusieve contracten gesloten met de inheemse bewoners. Op Ambon vroeg Jourdain de dorpshoofden van Hitoe om hem toch kruidnagels te leveren, maar zij weigerden dat.Coen, te Bantam op 1 januari 1614 aan de bewindhebbers: 'Alhier zijnde, soo is ady primo Aprillis lestleeden, voor Hitto gearriveert ende geanckert een Engels scheepien genaempt The Darlyngh, groott 50 à 60 lasten, daer van den cappiteyn hem noempt Mr. Jan Jardijn. Welck ons geenen cleynnen moeyte aendeden. Desen Jardijn versochte datelijcken op Hitto [aan de hoofden van Hitoe] zeer ernstelijck den handel van nagelen, mede dat zij hem plaetse, ende huysinge souden vergunnen om volck aen landt te mogen laeten. (…) Ende inghevalle den handell weygerden, soo dreychde hij haer vijandtlijck aente tasten.' - H.T. Colenbrander (1919), Jan Pietersz. Coen. Bescheiden rond zijn bedrijf in Indië. Eerste Deel. Martinus Nijhoff. p. 11. miniatuur|300x300px|Ambon en Ceram. Na van Ambon weggestuurd te zijn door de gouverneur Jasper Jansz. ontmoette hij in Loehoe op de westkust van Ceram (Hoamoal) Jan Pieterszoon Coen, toen opperkoopman en commandeur van enkele schepen in een vloot van gouverneur-generaal Pieter Both. Ook hij verbood hem handel te drijven en dreef de spot met zijn kleine schip. Jourdain riep een aantal orang kaja's (inheemse hoofden) samen en vroeg hen of ze met hem handel wilden drijven als hij een hogere prijs bood dan de VOC. Het antwoord was een unaniem 'ja'. Coen deed er het zwijgen toe. Op een tweede volksvergadering besloten de orang kaja's dat gezien de contracten toestemming nodig was van de Hollanders of van de sultan van Ternate. Coen had hen verteld dat de Engelsen slechts in staat waren eens in de vier jaar een klein schip te sturen. Hij zond Jourdain 'een schriftelijcke insinuatie' dat hij met zijn handel moest stoppen of anders daartoe gedwongen zou worden. Waarop Jourdain zei dat de Hollanders nog wel rekenschap af zouden moeten leggen 'tussen Dover en Calais'.'I told them of their followinge us, as the Jewes did Christ, doinge us manie injuries, which one day they might awnswere for betwixt Dover and Callice; with many other wordes which I omitt.' - William Foster, red. (1905). The Journal of John Jourdain, 1608-1617: Describing His Experiences in Arabia, India, and the Malay Archipelago. London: Hakluyt Society, p. 158 Jourdain schreef later: 'De Hollanders zeggen dat we overal de vruchten van hun arbeid plukken, maar in tegendeel, ze ontzeggen ons onze vrijheid om handel te drijven in een vrij land, terwijl we dat al vele malen eerder hebben gedaan'.'And whereas they saye that wee goe aboute to reape the fruits of their labours, it is rather contrarye then as they alledge, for that they seeke to barre us of our libertie to trade in a free countrye, havinge many times traded in these places, and nowe they seeke to defraude us of that wee have soe longe sought for; and therefore I conclude that they goe aboute to reape the fruits of our labours, and not wee theirs.' – William Foster, red. (1905). The Journal of John Jourdain, 1608–1617: Describing His Experiences in Arabia, India, and the Malay Archipelago. London: Hakluyt Society, p. 252 Coen rapporteerde later aan de bewindhebbers: 'Hier heeft ons voorsz. Jardijn veele moeyten aenghedaen, ende hebbe met hem oock veele redenen ende disputen gehadt wandt hij (een cloeck persoon zijnde) niet naergelaten heeft alle middelen voore te staen, die hem eenichsins tott sijnnen dissenge (dat was om volck aen landt te crijghen ende handel te becomen), mochten diennen. Ten heeft om daer tegen te zijn (voor soo vele in ons was) aen ons mede niet gebroocken, wandt het aldaer met ons genoech gedaen soud wesen, soo hij hier genoech tott zijn dissengen quame.'
Opperhoofd in Bantam miniatuur|300x300px|Bantam in 1614.