De moerasviltmollisia (Belonopsis iridis) is een schimmel uit de familie Mollisiaceae. Het is een kleine zakjeszwam die saprotroof leeft op afgestorven delen van kruidachtige planten in vochtige tot moerassige vegetaties, zoals rietlanden en oevervegetaties.Belonopsis iridis – Moerasviltmollisia, NMV Verspreidingsatlas Paddenstoelen. Geraadpleegd op 20 september 2026.
Kenmerken De apotheciën groeien vaak dicht bijeen. Ze kunnen zich ontwikkelen op een subiculum van dikwandige, bruin gepigmenteerde hyfen. Op zeer vochtige groeiplaatsen kunnen de vruchtlichamen zelfs gedeeltelijk of tijdelijk onder water staan. (2006). Mycologisch avontuur in de Kaaistoep. 4. Verrassende vondsten in en om pitruspollen. Coolia 49(1): 18–23.
De vruchtlichamen zijn relatief vlezig. Jonge exemplaren hebben vaak een iets opstaande rand, maar worden later min of meer lensvormig. Het hymenium is in het midden vaak enigszins verdiept en is waterig grijs tot bruingrijs, met een fijn ruw oppervlak. De buitenzijde kan dezelfde kleur hebben of donker grijszwart zijn. Vooral jonge vruchtlichamen kunnen langs de rand en aan de buitenzijde witvliezig tot witharig zijn. De apotheciën hebben een diameter van ongeveer 0,7–2 mm.
Microscopische kenmerken De asci meten ongeveer 105–185 × 8–12,5 µm en hebben een enigszins conische top, die blauw kleurt in Melzers reagens. De parafysen zijn smal cilindrisch, gesepteerd en soms aan de top vertakt. De top kan licht verbreed zijn en een diameter tot ongeveer 3 µm bereiken.
De ascosporen zijn langwerpig tot cilindrisch en raken reeds in de asci gesepteerd. Ze hebben meestal drie septen, maar soms vier of vijf. Jonge sporen hebben doorgaans een afgeronder en een puntiger uiteinde. Bij rijpe sporen kan ter hoogte van het middelste septum een lichte insnoering ontstaan, waardoor ze meer spoelvormig worden. De sporen meten ongeveer 30–55 × 2–4,5 µm.
Vanwege de geringe afmetingen van de vruchtlichamen en de overeenkomst met andere kleine schijfzwammen is voor een zekere determinatie microscopisch onderzoek nodig.
Ecologie De moerasviltmollisia is een saprotroof op afgestorven kruidachtige plantendelen. In Nederland wordt de soort vooral geassocieerd met vochtige rietlanden en oevervegetaties. De soort is onder meer gevonden op afgestorven delen van Juncus, Carex, Typha en Scirpus.
Ook gele lis (Iris pseudacorus) is als substraat bekend. Het oorspronkelijke typemateriaal werd verzameld op afgestorven, in het water liggende stengels van deze plant in Frankrijk. (2014). Catalogue of Discomycetes referred to the genera Helotium Pers. and Hymenoscyphus Gray. Institute of Botany, Slovak Academy of Sciences, Bratislava, pp. 71–72. ISBN 978-80-971837-4-5.
Taxonomie De soort werd in 1867 door de Franse mycologen Pierre Louis Crouan en Hippolyte-Marie Crouan oorspronkelijk beschreven als Helotium iridis. In 1961 plaatste William Douglas Graddon de soort in het geslacht Belonopsis als Belonopsis iridis. Belonopsis iridis (P. Crouan & H. Crouan) Graddon, Index Fungorum, Royal Botanic Gardens, Kew. Geraadpleegd op 20 september 2026.
Index Fungorum beschouwt Belonopsis iridis als de huidige naam en plaatst de soort in de familie Mollisiaceae, binnen de orde Helotiales.
Verspreiding In Nederland is de moerasviltmollisia 'zeer zeldzaam'. Deze zeldzaamheidsklasse is in de Verspreidingsatlas gebaseerd op gevalideerde waarnemingen uit de periode 2004–2023.
De soort werd door Rommelaars vanaf 1999 gevonden in het moerassige gebied De Rekken bij Dongen en later ook in de Kaaistoep bij Tilburg. Het materiaal werd in 2001 definitief gedetermineerd. In 2006 werd de soort in Coolia als nieuw voor Nederland gepubliceerd.
Categorie:Schimmelsoort Categorie:Mollisiaceae