Guido Pieter Theodorus Josephus Gezelle (Brugge, 1 mei 1830 – aldaar, 27 november 1899) was een Vlaamse lyrisch dichter en hekeldichter, rooms-katholieke priester, taalwetenschapper, leraar, journalist en vertaler. Hij is bekend om zijn fijnzinnige gedichten over de natuur, zijn beeldend taalgebruik en zijn virtuoos taalkunstenaarschap. O 't ruischen van het ranke riet en Het Schrijverke uit de dichtbundel Vlaamsche Dichtoefeningen (1858) zijn slechts twee van zijn bekendste werken.
De thematiek van zijn gedichten is typisch romantisch, met onderwerpen als natuur, vriendschap, religie en de dood.
Levensloop thumb|Standbeeld van Guido Gezelle op het naar hem vernoemde plein in Brugge
Jeugd (1830-1850) Hij werd in het Verenigd koninkrijk der Nederlanden in Brugge geboren als oudste kind uit het huwelijk van Monica Devriese (1804-1875) en Pieter Jan Gezelle (1791-1871), hovenier in een eerder landelijk gebleven deel van een volksbuurt aan de rand van Brugge, binnen de historische stad.
Hij kreeg Guido als eerste doopnaam, die hij dankte aan zijn peter Guido baron van Zuylen van Nyevelt. Antoon VIAENE, De doopnaam van Guido Gezelle, in: Biekorf, 1955, blz. 13-19 - Baudouin JANSSENS DE BISTHOVEN, Gezelle's doopnaam, in: Biekorf, 1955, blz. 38 - Albert DE SCHIETERE DE LOPHEM, De doopnaam van Guido Gezelle, in: Biekorf, 1955, blz. 85-88.
Guido Gezelle vereerde als zijn patroonheilige Guido van Anderlecht (950-1012), die tot zalige was verheven en als patroon van Anderlecht werd vereerd. In 1863 bracht hij een bezoek aan zijn graf in Anderlecht en kreeg een relikwie van zijn gebeente, evenals een stukje hout uit de eik waar Guido nog onder gebeden zou hebben. Gezelle herinnerde hieraan in zijn geschriften. Over Sint Wijde, in: Rond den Heerd, Jaargang 1, blz. 320, 1866.
Gezelle droeg in zich de trekken van zijn opgeruimde, welbespraakte vader en van zijn introverte, hypergevoelige en godvruchtige moeder. Hij was een oom van de Vlaamse schrijver Stijn Streuvels (Frank Lateur), zoon van zijn zus Marie-Louise en van de priester-dichter Caesar Gezelle, zoon van zijn broer Romaan.
Na de lagere school studeerde hij eerst aan het Sint-Lodewijkscollege in Brugge en daarna aan het kleinseminarie in Roeselare, waar hij als half-betalend leerling belast was met portierdienst en boodschappen. Hij doorliep er de hogere humanioraklassen (1846–1849) en koesterde er de (nooit vervulde) droom missionaris in Groot-Brittannië te worden.
Vanaf dat hij zestien jaar was of zelfs eerder gaf Gezelle er zich rekenschap van dat hij een bijzondere gave bezat voor het schrijven van gedichten, voor het op rijm zetten en voor het vinden en aanwenden van een uitgebreide woordenschat. Ook zijn omgeving en zijn oversten werden zich hiervan bewust en begonnen beroep te doen op deze vaardigheid van hem. Hij was nog leerling in de humaniora toen zijn eerste verzen al in druk verschenen. Een paar van zijn langere gedichten verschenen in plaquettevorm en zijn gedicht over België in het revolutiejaar 1848 werd opgenomen in de veelgelezen Standaard van Vlaanderen. Zijn naam als begaafde dichter werd binnen de kleine wereld van het kleinseminarie en van de stad Roeselare ruim bekend.
Brugge (1850-1854) Van 1850 tot 1854 was Gezelle weer terug in Brugge, waar hij op het grootseminarie zijn laatste voorbereiding kreeg op het priesterschap.
Hij was niet zonder moeite aanvaard, omdat hij in Roeselare geen einddiploma verwierf. Bisschop Joannes Baptista Malou besliste echter, na het lezen van zijn gedichten, dat hij de kennis had en de maturiteit bezat om seminariestudies aan te vatten.
Hij volgde er het traditionele curriculum: 30 oktober 1850: intrede. 20 december 1851: tonsuur. 5 juni 1852: de lagere wijdingen. 18 december 1852: subdiaken. 17 december 1853: diaken. 10 juni 1854: tot priester gewijd.
Op 21 maart 1854 was hij al naar Roeselare verhuisd, omdat hij er tot leraar was benoemd.
Roeselare (1854-1860) thumb|Gezelle in 1860 Hij werd leraar aan het Klein Seminarie van Roeselare, waar hij vroeger gestudeerd had. Aanvankelijk gaf hij de lessen boekhouding en natuurlijke historie, maar later werd hem ook het taalonderwijs opgedragen. Hij bekommerde zich ook speciaal om de Engelse leerlingen die zich in het internaat bevonden.
In de schooljaren 1857-1858 en 1858-1859 werd hij titularis van de poësisklas. Hij onderhield goede vriendschapsrelaties met zijn leerlingen, vooral met hen die literaire ambities koesterden. Onder hen bevond zich Eugeen van Oye, voor wie hij Dien Avond en die Rooze schreef.
De jonge priester-leraar was toen voldoende bewust geworden van de waarde van zijn pennenvruchten om er kort op elkaar twee drukwerken aan te wijden: Kerkhofblommen (bedoeld voor zijn leerlingen) en Vlaemsche dichtoefeningen (die bisschoppelijke goedkeuring kreeg en waar de drukker met een prospectus reclame voor maakte bij een ruim publiek).
De dichtbundel Vlaamsche Dichtoefeningen (1858) bestond uit, voor die tijd onorthodoxe, in niet-verheven taal geschreven gedichten, ver verwijderd van de gezwollen rederijkersstijl. Buiten West-Vlaanderen werd dit aanvankelijk niet bijster gewaardeerd. In het noorden van Nederland vond men hem veel te Vlaams in zijn taalgebruik. Veel recensenten waardeerden ook zijn experimentele vormen niet, zoals in een bonke keerzen kind. Ook werd hij, vooral van antiklerikale liberale zijde, hevig aangevallen om het godsdienstige vroom karakter van veel van zijn gedichten. Een van de weinigen in Nederland die wel aandacht aan Gezelles dichtkunst besteedde was de katholieke intellectueel Joseph Alberdingk Thijm, de vader van Lodewijk van Deyssel. Deze dichter streefde net als Gezelle naar een herwaardering en heropleving van de middeleeuws-christelijke kunst en cultuur, zoals in de architectuur binnen de neogotiek.
Vanwege Gezelles eigenzinnige wijze van lesgeven en zijn manier van omgang met de leerlingen, rezen er geleidelijk aan steeds meer moeilijkheden rond zijn persoon, zowel onder docenten als onder leerlingen. Jaloersheid tegenover Gezelles dichtkunst speelde vermoedelijk ook een rol. Vanwege de gespannen sfeer werd Gezelle in 1860 daarom de poësisklas ontnomen. Kort daarna werd hij overgeplaatst naar Brugge, waar hij co-rector werd van een nieuw Engels College, dat slechts korte tijd bestond (1860–1861).
Brugge (1860-1872) thumb|Schilderij van Guido Gezelle in olieverf door Hendrik De Graer (1905) - Gezellehuis te Brugge Na de opheffing van het Engels College werd hij leraar in de wijsbegeerte en onderrector aan het Seminarium Anglo-Belgicum (1861–1865). Zijn bundel Gedichten, Gezangen en Gebeden werd uitgegeven en Kerkhofblommen werd heruitgegeven tijdens zijn leraarstijd in Brugge.
In 1865 werd hij benoemd tot onderpastoor (Noord-Nederlands: kapelaan) van de Sint-Walburgakerk in Brugge. Hij ontpopte zich toen als hekeldichter. Onder de schuilnaam Spoker betrad hij, in opdracht van zijn overheid, met zijn satires het politieke toneel.
Als onderpastoor en priester zette hij ook zijn literaire gaven in om de gelovigen christelijke deugden bij te brengen. Hij richtte het gezinsblad Rond den Heerd op, waarin hij schreef over heiligen, liturgische onderwerpen, flora, fauna en oude volksgezegden. Het volschrijven van het blad en toenemende financiële moeilijkheden en rompslomp eisten echter zoveel van hem, dat hij ziek werd. Toen hij bovendien hoorde dat er allerlei beschuldigingen en roddels over hem de ronde deden, vluchtte hij uit Brugge weg naar Kortrijk, naar de bevriende deken Ferdinand Van de Putte.
Kortrijk (1872-1899) miniatuur|Guido Gezelle - kasteel van Loppem. (portret door Gustave Léonard de Jonghe) Deken Van de Putte bezorgde hem in 1872 een aanstelling als kapelaan in de O.L.Vrouwekerk in Kortrijk wat hij tot 1889 zou blijven. De leiding van Rond den Heerd werd in 1871 overgenomen door Adolf Duclos.
Na enige tijd hervatte hij het dichten. Een van de uitgaven uit die tijd is de populaire bundel Zielegedichtjes. Langzamerhand steeg hij als dichter in aanzien, hoewel zijn werk buiten West-Vlaanderen nog altijd weinig aandacht kreeg. In 1880 verscheen Liederen, Eerdichten et Reliqua, een bundel met schoonheidsgedichten, humoristische vertellinkjes en vertaalde gedichten.
Gezelle is altijd blijven doorstuderen, voornamelijk literatuur. Vooral de 'Vlaamse taal' ging hem aan het hart. In Kortrijk begon hij een nieuw blad, getiteld Loquela en met een kring getrouwen legde hij een enorme verzameling woorden aan, verrijkt door zijn filologische en historische bemerkingen en beschouwingen. Na zijn dood werden 150.000 'papierlingskes' met woordverklaringen gevonden. Hij werd ook inspirator en medestichter in 1890 van een nieuw tijdschrift onder de naam Biekorf.
Hij bleef vertaalwerk doen, waaronder een bekend werk van Longfellow, The Song of Hiawatha. Het werd hem, ondanks zijn kapelaanswerk toch mogelijk gemaakt relatief veel tijd aan zijn literaire werkzaamheden te besteden. Geleidelijk aan kwam hij zijn inzinking te boven en ook buiten West-Vlaanderen begon de waardering voor zijn werk toe te nemen. Het lukte hem zijn lyrische dichtkunst weer te hervatten, waarmee zijn dichterschap een tweede, meer doorleefde en gerijpte bloeitijd beleefde. De gedichten van de periode werden in 1893 gebundeld in Tijdkrans.
Kritiek op zijn taalgebruik was er nog altijd, maar hij kreeg een pleitbezorger in de figuur van August Vermeylen, die Gezelle de grootmeester van de Vlaamse poëzie noemde. Naast Alberdingk Thijm gaf nu ook Pol de Mont aan de gedichten van Gezelle meer bekendheid in de noordelijke Nederlanden. Nadat in Vlaanderen de vernieuwingsbeweging in de poëzie Van Nu en Straks en in Nederland De Nieuwe Gids voor een frisse wind in het literaire landschap zorgden kwam er meer algemeen waardering voor de gedichten van Gezelle.
In 1886 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, een recent opgerichte officiële instelling waarin hij vooraanstaande Vlaamse literatoren ontmoette. In Kortrijk werd hij voor deze eervolle benoeming uitbundig gevierd. Hij nam geregeld aan de maandelijkse bijeenkomsten van de Academie deel in Gent. In 1889 verleende de Katholieke Universiteit Leuven hem de titel van eredoctor. In 1890 werd hij lid van de prestigieuze Nederlandsche Maatschappij van Letterkunde in Leiden en in 1891 erelid van het Comité flamand de France. Op de Gentse Floraliën van die tijd was een chrysantvariëteit te bewonderen die de naam Guido Gezelle droeg. De vereniging Davidsfonds werd een van de belangrijkste gangmakers om de bekendheid en de roem van de 'Heer ende Meester' te doen toenemen.
thumb|Borstbeeld Guido Gezelle Kortrijk In het bisdom begon men er zich zorgen over te maken dat de beroemde priester-dichter nog altijd 'maar' een bescheiden onderpastoorstaak had vervuld en zijn laatste jaren ambteloos doorbracht. In 1889 was hem immers door de bisschop ontslag verleend van zijn parochiebediening en werd hem een 'sinecure' opgedragen, als biechtvader van een drietal Franse kloosterzusters. In 1893 werd hij ook van deze opdracht ontlast. Hij kon voortaan vrij van verplichtingen en zonder financiële zorgen, zijn vele literaire bezigheden verder benaarstigen.
In 1896 schreef hij op 66-jarige leeftijd in totaal 87 gedichten, de meeste door middel van een langdurig geworstel met woorden. In 1897 verscheen de bundel Rijmsnoer om en om het jaar, waarin gedichten over de schepping staan, of liever gezegd: de scheppingsorde, door de seizoenen via de opeenvolgende maanden beschreven werd. Ook Tijdkrans toonde al zijn behoefte aan weergave van deze ordening die hij om zich heen bespeurde. Beide bundels toonden onder meer aan hoe intens Gezelle kon genieten van allerlei details en gebeurtenissen in de natuur en hoe hij in virtuoos woordenspel wist te vangen wat hij met zijn zintuigen waarnam.
Laatste jaren thumb|Het geboortehuis van Guido Gezelle aan de Rolweg te Brugge, nu het Gezellehuis