Sara Josephine Baker (Poughkeepsie (New York), 15 november 1873 – Montgomery, vlak bij Princeton (New Jersey), 22 februari 1945) was een Amerikaanse arts die toonaangevend was in het opzetten van het systeem ter ondersteuning van de volksgezondheid voor met name (jonge) kinderen en moeders in New York tussen 1902 en de jaren 1930. Er wordt geschat dat haar werk 90.000 kinderen het leven heeft gered.
Baker studeerde af als een van de eerste vrouwelijke artsen, nadat de dood van haar broertje en vader haar inspireerde om haar studierichting te veranderen. Na haar afstuderen zette ze met Florence Laighton, met wie zij wellicht ook een relatie had, in 1899 een eigen dokterspraktijk op. Om financieel rond te komen besloot ze te werken voor het New York Health Department.
Bakers werk binnen het departement was van zodanig niveau dat zij opviel en promotie maakte. In 1907 werd ze assistent van de Commissioner die het departement leidde en ze stond te boek als een troubleshooter, een van de redenen dat ze eropuit gestuurd werd om Mary Mallon op te sluiten.
In 1908 werd ze directeur van het Bureau of Child Hygiene en begon kindersterfte nog systematischer te bestrijden. Zo zette ze een systeem van kraamzorg, voorlichting en consultatiebureaus op. Dokter Baker was daarnaast lid van de Gezondheidscommissie van de Volkenbond. Haar werk redde het leven van veel kinderen en haar Bureau vond navolging in alle staten van Amerika. Toen de laatste staat ook een Bureau oprichtte in 1923, ging ze met pensioen.
Na haar pensioen woonde Baker samen met de schrijfster I.A.R. Wylie en arts Louise Pearce in New Jersey. Wellicht waren de drie vrouwen partners van elkaar. In 1945 stierf Baker. Zij was toen 72 jaar oud en werd na haar dood begraven in Poughkeepsie, waar zij ook geboren was.
Vroege leven Baker werd geboren in Pougkeepsie, in de staat New York. Haar ouders Orlando Daniel Moser Baker en Jenny Brown Baker hadden al twee oudere dochters. Drie jaar na Josephine zou haar jongere broertje geboren worden. De Bakers hadden het financieel goed. Orlando was een advocaat en Jenny was een van de eerste vrouwen die aan Vassar College had gestudeerd. De relatie tussen Baker en haar ouders was goed. Baker trok vooral naar haar vader toe, die altijd graag een zoon had gewild, na drie meisjes. Bakers gedrag volgde, ook door haar vaders wens, dat van een zoon, hoewel haar moeder er ook op stond dat zij enkele basisvaardigheden die als noodzakelijk gezien werden voor vrouwen leerde. Toen Josephine's jongere broertje werd geboren, vormden zij, haar vader en haar jongere broertje een sterke band.
Josphine, die door haar familie altijd bij haar tweede naam, of de afkorting Jo werd genoemd, werd naast haar vader ook sterk beïnvloed door haar oudtante Abby. De dame deed zich als conservatieve Quaker voor en het gezin, dat eveneens het Quaker-geloof aanhing, moedigde daardoor aan dat Josephine contact had met tante Abby. Abby was echter allesbehalve conservatief en behoorlijk rebels. Ze las Josephine voor uit de Bijbel en vertelde haar daarna dat het mooie verhalen waren, maar dat ze er kritisch mee om moest gaan en niet zomaar alles voor waar moest aannemen.
Baker volgde onderwijs aan de Miss Thomas' School for Girls. Deze school werd geleid door twee ongetrouwde vrouwen en had een progressieve aanpak die wat doet denken aan het Montessorionderwijs. Leerlingen kregen veel vrijheid om hun eigen leervolgorde te bepalen, hoewel de uitkomsten nog altijd wel gelijk dienden te zijn. De verwachting was dat Baker in navolging van haar moeder aan Vassar zou gaan studeren.
In 1889 trok er een tyfusepidemie door New York. Bakers broertje werd ziek en overleed op 13-jarige leeftijd. Drie maanden later overleed ook haar vader. Door het verlies van de kostwinner kwam het gezin in geldnood, waarop Baker besloot niet langer zich te richten op Vassar College, een privéschool die nu voor haar familie onbetaalbaar was geworden. Zij wijzigde haar studierichting naar die van arts, iets waar sommige familieleden, waaronder haar moeder, fel op tegen waren. Zij wist haar moeder te overtuigen en schreef zich in na een jaar zelfstudie, waarin ze de benodigde testen met goed gevolg afrondde, bij New York Women's Medical College.
Studie en eigen praktijk Baker ervoer haar studietijd als een enorm zware periode. Het enige dat haar er toe zette haar studie af te ronden was haar eigen koppigheid; ze wilde de familieleden die haar hadden gezegd dat dit niet voor vrouwen bedoeld was, geen gelijk geven door haar studie af te breken. Uiteindelijk slaagde ze in 1898, met de op een na hoogste scores in haar klas van 18 (vrouwelijke) artsen. Na haar klas zou nog één groep volgen, daarna sloot de school. Cornell-universiteit liet vanaf dat jaar vrouwen toe tot de medische opleiding, waardoor een specifiek College voor vrouwen niet meer noodzakelijk was.
Anne Sturges Daniel was een van de docenten die les gaven aan Baker. Zij gaf het vak The Normal Child, waarbij ze meer keek naar preventieve gezondheidszorg. Dit vak lag Baker in eerste instantie geheel niet, maar ze zou later aangeven dat Daniel haar werkzaamheden en focus op preventie sterk had beïnvloed. Een tweede, belangrijke invloed hierin was haar stageperiode bij New England Hospital for Women and Children in Boston. Baker was op dergelijke vrouwenziekenhuizen aangewezen voor werk, aangezien de sociale mores van deze tijd haar verhinderden mannen te onderzoeken. Ze werkte voornamelijk in de kliniek van het ziekenhuis, die in een slechte wijk lag en voornamelijk bezocht wordt door mensen uit deze wijk. Ze zou hier ook Florence Laighton leren kennen, met wie ze in 1899 een praktijk opzette en ging samenwonen in New York.
Laighton en Bakers praktijk liep in eerste instantie slecht. In het eerste jaar verdienden ze 185 dollar, ongeveer vergelijkbaar met 7000 dollar heden ten dage en bij lange na niet genoeg om een praktijk open te houden én van te leven. Baker besloot daarop naast de praktijk te gaan werken als medisch inspecteur voor het New York Health Department. Ze deed dit één uur per dag en moest in dat ene uur de leerlingen van drie scholen controleren op (overdraagbare) ziekten. Ze verdiende hiermee jaarlijks 360 dollar.
Carrière binnen de gemeentelijke ziektepreventie
Baker nam haar nieuwe parttime werk serieus. In deze tijd waren hoofdluis en trachoom veelvoorkomend bij kinderen die naar school gingen. Kinderen waarbij dit geconstateerd werd, werden naar huis gestuurd. Het idee hierachter was dat ze andere kinderen niet konden besmetten en de kwalen zo voorkomen konden worden. Overijverige leerplichtambtenaren stuurden de kinderen echter weer terug naar school. Toch hielp deze werkwijze; Baker wist hoofdluis en trachoom op haar scholen vrijwel uit te roeien.
Door haar succes viel ze op binnen het Health Department. In deze tijd was deze organisatie behoorlijk corrupt en onprofessioneel, hoewel de verkiezing van Seth Low als burgemeester van New York (in 1902) wel ruimte gaf voor verandering. Low was namelijk een progressieve hervormer. Baker had haar baan gekregen via nepotisme; een bekende van haar had een goed woordje voor haar gedaan. Hoewel Baker zelf wel naar de scholen ging om de leerlingen te onderzoeken, belden veel van haar collega's naar 'hun' scholen en vroegen naar ziekmeldingen. Juist door deze handelwijze van haar collega’s viel haar inzet des te meer op. Ook haar vrouw-zijn viel op. Rond 1900 was maar 6% van de artsen vrouw.
Baby's in Hell's Kitchen Baker gevraagd al snel voor een nieuwe opdracht gevraagd, waarbij ze fulltime aan het werk zou zijn voor het Department. Elke week overleden 1500 baby's aan vooral dysenterie in de slechte wijken van New York. "Baby's sterven altijd in de zomer," was een bekend gezegde in de omgeving. Baker kreeg een gebied toegewezen in Hell's Kitchen en kreeg de opdracht mee om zieke baby's op te sporen en te proberen hen te genezen en zo de babysterfte te beperken.
Baker ergerde zich aan haar collega's. Ze was verrast dat een aantal van hen geen gebruik maakten van de recente ontdekkingen op het gebied van hygiëne en ziekteverwekkers van met name Robert Koch, maar het meest ergerde ze zich aan hun gebrek aan inzet. Op een gegeven moment sprak een collega haar aan op het aantal baby's met ziekten dat zij vond en registreerde, of dat niet wat minder kon. Haar inzet deed het opvallen wanneer andere inspecteurs bijna geen zieke baby's rapporteerden, aangezien zij hun rondes niet liepen. Na deze opdracht, in 1907, werd Baker de assistent van de directeur van het Health Department. Het departement verzocht haar om haar naam te schrijven als dr. S.J. Baker om te verbloemen dat zij een vrouw was.(en) Berson, Robin K., Marching to a Different Drummer (1994), Sara Josephine Baker, p. 15-16
Baker trof nog veel bijgeloof in Hell's Kitchen, wat de kinderen niet altijd goed deed. Een groter probleem zag ze echter in het gebrek aan hygiëne. De kennis van de verspreiding van ziekteverwekkers was nog niet algemeen bekend en moeders wisten niet dat melk die niet koel bewaard werd een bron van ziektekiemen kon zijn. Tot slot waren lang niet alle moeders thuis. Veel van hen moesten werken en gaven hun oudste dochter de leiding over de andere kinderen. Deze jonge meisjes hadden vaak geen benul wat te doen en hoe voor baby's te zorgen. Baker zag educatie als oplossing van al deze zaken en zou dit haar latere carrière aanpakken.
Typhoid Mary miniatuur|De boze Mary Mallon in het ziekenhuisbed van het ziekenhuis waar zij opgesloten werd nadat dokter Baker haar met de ambulance afvoerde. In 1907 raakte Baker betrokken bij de zaak van Mary Mallon. Deze vrouw, in de volksmond ook wel bekend als Typhoid Mary, naar de buiktyfusbacterie die zij met zich meedroeg, was een asymptomatische draagster van de tyfus. Ze werkte als kok bij verschillende rijke families, waarvan de leden ziek werden. Dit viel op, want ziekten zoals de buiktyfus speelden zich vooral af in armere wijken. George Soper, een epidemioloog en collega van Baker, deed onderzoek naar de uitbraken van tyfus en kwam tot de conclusie dat Mary Mallon waarschijnlijk op een of andere manier hierbij betrokken was. Het principe van een asymptomatische drager van buiktyfus was nog niet in de praktijk gevonden; Mallon zou de eerste persoon zijn bij wie dit vastgesteld werd. Mallon had dan ook weinig begrip voor Soper toen hij vroeg om monsters van haar lichaamseigen stoffen, zodat deze getest konden worden op de bacterie. Dit gebeurde meerdere keren en verscheidene keren weigerde Mary.(en) Baker, Sara Josephine, Fighting for Life, p. 72-77
Lisa Mullenneaux beschrijft Baker als 'troubleshooter'. Als assistent van de directeur kreeg zij alles op haar bordje waar anderen zich niet aan wilden branden. In die hoedanigheid werd ze ook betrokken bij de situatie met Mary Mallon. Soper had het idee dat een vrouwenhand wellicht Mallon kon overreden mee te bewegen en te doen wat het Health Department wilde. Hij stuurde Baker onvoorbereid op haar af; hij had namelijk niet verteld dat Mallon hem al twee keer geweigerd had. Mallon reageerde minstens net zo fel op dokter Baker als zij op Soper had gereageerd. Ook aan haar gaf ze geen monsters af. Soper regelde daarop toestemming om Mallon gevangen te nemen.