Het Snouck van Loosenhuis is een woonhuis aan de Dijk 34 in de Noord-Hollandse plaats Enkhuizen. Het pand, onderdeel van een complex, is vernoemd naar de patriciërsfamilie Van Loosen. Het woonhuis werd in 1966 aangewezen als rijksmonument, de rest van het complex zoals het tuinhuis, het voormalige bejaardentehuis en de andere objecten volgden in 1997 en 2006 (prieel).
Geschiedenis Een van de burgemeesters van Enkhuizen liet omstreeks 1742 aan de Dijk een diep woonhuis bouwen in de toen zeer populaire Lodewijk XIV-stijl. Dirk Semeyns van Loosen, getrouwd met Maria Bontekoning, was voor de achtste keer verkozen tot burgemeester van Enkhuizen en het stel was zeer vermogend. Van Loosen was lid van het vooraanstaande Enkhuizer geslacht Van Loosen en Bontekoning was een telg uit een rijk houthandelaren geslacht uit Amsterdam, hierdoor konden zij het grote en rijkgedecoreerde huis met tuinkoepel aan de straat betalen. Wanneer het huis precies gebouwd is, is niet bekend. Vermoedelijk ligt het tussen 1735 en 1741, omdat een van de schilderstukken boven een schouw het jaartal 1742 toont. Het stel gaf ook uiting aan hun huwelijk door op de voorgevel boven de dakkapel een kuif met alliantiewapen te plaatsen. De tuinkoepel, gebouwd aan de rechterzijde van de woning, werd in de Lodewijk XV-stijl gebouwd. Van Loosen gebruikte de tuinkoepel niet als theekoepel, maar als kantoortje en ontving er zijn handelscontacten. Het echtpaar kreeg een zoon, die in Leiden overleed tijdens een straatgevecht, waardoor hun neef Dirk Elias van Loosen de enige erfgenaam werd. Dirk Elias liet in 1786 het woonhuis uitbreiden. Links van de woning kwam een nieuwe uitbreiding, ditmaal in de Lodewijk XVI-stijl. Door deze uitbreiding kreeg het pand een middengang en aan weerszijden van de voordeur twee vensterassen. Omdat de woning een bel-etage heeft, staat er voor de voordeur een bordes met -trap. Om de straat van het eigen terrein te scheiden, zijn er stoeppalen met kettingen geplaatst. In 1793 trouwde Samuel Snoek met Cornelia Petronella van Loosen. Hij kocht haar familienaam erbij en hij liet zich voortaan Snouck van Loosen noemen. Snouck van Loosen overleed in 1839, zijn vrouw volgde in 1846. Hierna bleven drie zussen in het pand wonen, alle drie ongetrouwd en kinderloos. Twee andere zussen zijn wel getrouwd, een was Cornelia; zij trouwde met Pieter Opperdoes Alewijn uit Hoorn. Hij liet in 1844 voor zijn vrouw een neogotisch gebouwtje in de tuin bij Villa Alewijn bouwen. Cornelia is kinderloos gestorven, een van haar zussen overleed op 13-jarige leeftijd en drie bleven er ongetrouwd in het ouderlijk huis wonen. Na het overlijden van hun ouders beheerden zij hun erfenis. Zij leefden zuinig in de woning - de inrichting werd na de bouw nooit gewijzigd - en deden veel aan liefdadigheid. Ze investeerden het familiekapitaal vooral in onroerend goed in de Beemster en Enkhuizen. Zo lieten zij onder andere de Snouck van Loosenkerk bouwen op de plek waar eerst een pakhuis van hun vader stond. Van de drie zussen die in Enkhuizen in het ouderlijk huis bleven wonen, bleef Margaretha Maria als laatste over. Zij liet na haar overlijden het Snouck van Loosenfonds oprichten en met haar nalatenschap moest in Enkhuizen gewerkt worden voor de armere mensen. Het fonds hield na de verdeling van de nalatenschap (totaal ruim 8 miljoen gulden) nog ongeveer 6 miljoen gulden over. Van het fonds werd het woonhuis verbouwd tot bejaardentehuis en werden eerder de bouw van een boerderij en de bouw en aanleg van het Snouck van Loosenpark bekostigd. Doordat een aantal testamantaire beschikkingen apart zijn, zijn portretten van familieleden en de bouwgeschiedenis van het huis verloren gegaan.
Na het overlijden van Margaretha Maria in 1885, werd het Snouck van Loosenfonds opgericht. In haar testament heeft Snouck van Loosen vast laten leggen dat er een arbeiderswijk met grotere woningen dan normaal gesticht moest worden en dat haar nalatenschap ook gebruikt moest worden voor de opvang van ongehuwde vrouwen of weduwen. De dames dienden wel van 'fatsoenlijke stand' te zijn en mochten geen kinderen meer hebben waar zij nog voor moesten zorgen. Hiervoor werd in 1890-92 een nieuwe vleugel achter het woonhuis gebouwd. Volgens het testament moesten de stal en het koetshuis geschikt gemaakt worden voor bewoning door er een of twee arbeiderswoningen van te maken. De architect van dit alles was C.B. Posthumus Meyes, uit Amsterdam. Hij ontwierp de nieuwe vleugel in neorenaissancestijl. Om dit nieuwe bouwdeel toegankelijk te maken, werd het 18e-eeuwse trappenhuis en achterhuis gesloopt, waarna op die plek de nieuwe vleugel gebouwd werd. Aan de Dijk werden ook een koetshuis en twee dienstwoningen naar zijn ontwerp gebouwd. Om de tuin van de straat te scheiden werd er een tuinmuur gebouwd en in de tuin werden een prieel en tuinhuis gebouwd. De tuinaanleg werd zelf ook gewijzigd.
Het bejaardenhuis telt acht eenpersoonskamers en is tezamen met het tuinhuis en de tuinmuur in 1892 gebouwd naar ontwerp van Posthumus Meyjes. De acht bewoonsters hadden elk hun eigen kamer, maar dineerden samen in de eetkamer. Om in het huis te mogen komen wonen, dienden de dames 1.000 gulden te betalen en hun eigen bestek mee te nemen. In essentie werd het woonhuis een voorloper van een verzorgingstehuis. De dames moesten zich te allen tijde netjes gedragen, huisdieren waren verboden en de dames mochten niet een nieuw behang in hun kamer ophangen, dat moest het Snouck van Loosenfonds doen.
Omdat de wet op de bejaardenzorg in 1999 in werking trad, kwam het bejaardenthuis leeg te staan. Het pand kon niet, met respect voor het monumentale karakter, zodanig verbouwd worden dat het rendabel geëxploiteerd kon worden. Ook een onderzoek naar verbouwing tot appartementencomplex met zeven tweekamerappartementen, leverde niets op. In 2005 werd een poging gedaan om het woonhuis om te bouwen tot een stedelijk museum. Door gebrek aan middelen strandde deze poging echter.
Exterieur Het woonhuis bestaat uit een natuurstenen lijstgevel met kap. Om precies een hoge hardstenen plint en een vrij lage zandstenen verdieping. Het is in Enkhuizen het enige woonhuis met een natuurstenen gevel. Eigenlijk gaat het om twee aparte gevels: de rechter is ouder en heeft een middenrisaliet met boven het middelste venster een alliantiewapen, te weten dat van Dirk Semeyns van Loosen en zijn vrouw Maria Bontekoning, en boven het dakkapelvenster een cartouche met een voorstelling van Neptunus met daarboven een heraldische kroon. Op de twee hoeken van dit geveldeel lopen de lisenen op de hoek door tot in de voet van de balustrade op de lijstgevel. Het linker geveldeel is smaller, telt geen geledingen en is eveneens opgedeeld in drie vensters. De vensters zijn hoog en smal. Voor de gevel ligt een natuurstenen stoep met dito trap en stoeppalen. De stoeppalen zijn allemaal hetzelfde vormgegeven. Links zijn ze voorzien van kettingen en rechts niet. De trap heeft een smeedijzeren hekwerk en trapleuning en ook het hekwerk voor de tuinkoepel is van smeedijzer. De deur bovenaan de trap stamt uit de 19e eeuw en is eenvoudiger in decoratie dan het origineel. Rechts van het woonhuis is de thee- of tuinkoepel gebouwd, welke bestaat uit één verdieping zonder kap. De tuinkoepel is, net als het woonhuis, bekleed met natuursteen. De decoraties op de koepel zijn allemaal rococomotieven. In de omlijsting boven het poortje dat het woonhuis van de tuinkoepel scheidt, is Nieuwsgierig Aagje in een Rococo-omlijsting afgebeeld. De muur rechts van de tuinkoepel wordt eveneens afgesloten met een kuif van hardsteen. De kuif wordt gevormd door een schelp met daarboven een vaas. In de voorgevel is duidelijk te zien dat het woonhuis in twee periodes is gebouwd: rechts is uit 1740 en in Lodewijk XV-stijl gebouwd en links van de voordeur in Lodewijk XVI-stijl.
De beide lijstgevels van de woning hebben bovenop een balustrade staan. In het midden van de gevels staat telkens een dakkapel, met aan weerszijden een balustrade met op de uiteinden een vaas. Deze vazen zijn niet gelijk aan elkaar. Rechts zijn de vazen in Lodewijk XIV-stijl en links in Lodewijk XVI-stijl. Ook de lijstgevel van de tuinkoepel kent een balustrade, maar nu staan de twee vazen op de hoeken van de voorste gevel. Op de nokken van de daken staan vergelijkbare vazen, deze drie vazen zijn wel allemaal hetzelfde.
Bejaardentehuisvleugel Het bejaardentehuis is trapeziumvormig en bestaat uit een souterrain, parterre, verdieping en kapverdieping. De kap is een afgeknot schilddak met zwarte kruispannen. In drie dakvlakken zijn telkens drie dakkapellen aangebracht: aan de voorzijde (W), tegen het Snouck van Loosenhuis aan, aan de straatzijde (N) en aan de rechterzijde (Z) uitkijkend op de tuin. Aan de achterzijde, op het Oosten gericht, is een grote dakkapel geplaatst. In de top van de dakkapel een ijzeren hijsbalk. Aan weerszijden van de dakkapel is een korte balustrade geplaatst. Het muurwerk is van rode baksteen en staat op een natuurstenen plint. De vensters in de drie vrijstaande gevels zijn omlijst met natuurstenen aanzet- en sluitstenen, die op de partèrre en verdieping zijn van zandsteen en de lekdorpels zijn van natuursteen. De vensters van het souterrain in de H.J. Schimmelstraat zijn voorzien van ijzeren tralies, de overige vensters in het souterrain hebben die tralies niet. De hoekpunten van de gevels zijn vrijwel geheel in natuursteen uitgevoerd, met op regelmatige afstand grotere stenen met bossering. In de boogvelden van de vensters is een zijn rood-gele tegels in siermotief geplaatst. Onder de dakgoot een rondomgaand fries, gemaakt van rood-gele tegels met stiermotief. In het dakvlak zijn alleen boven de middelste drie vensterassen dakkapellen geplaatst. Ze hebben alle drie een fronton als bekroning en aan weerszijden van het venster een pilaster.
In de voorgevel, tegen het oude woonhuis aan, zijn geen vensters geplaatst. Wel zijn er drie dakkapellen in het dakvlak geplaatst. Ze zijn gelijk aan die in het linker- en rechter dakvlak.
De gevel aan de H.J. Schimmelstraat is asymmetrisch in opzet. Geheel rechts is een hoekrisaliet geplaatst, waardoor er twee geveldelen gevormd worden. Het risalerende (naar voren stekende) deel is één vensteras breed, de rest van de gevel is vier vensterassen breed. De drie vensters in de risaliet zijn allemaal anders vormgegeven, al gaat het wel telkens om gekoppelde vensters, terwijl de andere vensters per verdieping enkele vensters zijn en alle drie gelijk vormgegeven zijn. In de risaliet bevatten de vensters ter hoogte van het souterrain schuifvensters onder een rechte hanenkam. De vensters op de parterre zijn rijker gedecoreerd en worden gescheiden door een kolonnet. In plaats van elk een eigen hanenkam, staan de twee vensters onder een gezamenlijke ontlastingsboog, met in het boogveld een plaquette. De vensters op de verdieping hebben elk een eigen getoogd tweeruits bovenlicht en getoogde ontlastingsboog. Net als de achtergevel heeft deze gevel een balustrade. Deze is boven de risaliet geplaatst, waardoor deze extra benadrukt wordt.
De overige vensters in de linker gevel zijn allemaal voorzien van vierruits schuifvensters. Deze gevel grenst in zijn geheel tegen de tuin. Die op de parterre hebben wel een ontlastingsboog. De rechtergevel heeft een gelijke indeling aan de linkergevel, maar dan spiegelbeeldig.